Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3019

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2015
Datum publicatie
23-09-2015
Zaaknummer
201505844/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 april 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Regionaal Havengebonden Bedrijventerrein (RHB) Kooyhaven" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505844/2/R1.

Datum uitspraak: 18 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1A] en [verzoekster sub 1B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [verzoeker sub 1]), wonend te [woonplaats],

2. [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats],

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Hollands Kroon,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Regionaal Havengebonden Bedrijventerrein (RHB) Kooyhaven" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker sub 1] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker sub 2] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 8 september 2015, waar [verzoeker sub 1], vertegenwoordigd door mr. drs. L.T. van Eijck van Heslinga, advocaat te Alkmaar, [verzoeker sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. drs. L.T. van Eijck van Heslinga, en de raad, vertegenwoordigd door mr. Creutzberg, advocaat te Den Helder, ing. S. de Vries, D.H.A.W. van Kan, ir. F. Dinkla en ing. H.J. Weenink, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is het Consortium Kooyhaven, vertegenwoordigd door [directeur], als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het plan voorziet in een havengebonden bedrijventerrein langs het Noord-Hollands Kanaal.

3. De raad betoogt dat het beroep van [verzoeker sub 2] in de hoofdzaak niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat hij, anders dan in het beroepschrift is vermeld, niet woont op het perceel [locatie 1] maar op de [locatie 2] te [plaats] op meer dan 9 km afstand van het plangebied.

3.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

3.2. Niet is in geschil dat [verzoeker sub 2] eigenaar is van het perceel [locatie 1] direct gelegen aan het Noord-Hollands Kanaal. De afstand van de woning tot het plangebied bedraagt ongeveer 220 m. De afstand van het plangebied tot de grens van het perceel van [verzoeker sub 2] bedraagt ongeveer 140 m. Niet is in geschil dat het scheepvaartverkeer op het Noord-Hollands Kanaal langs de woning van [verzoeker sub 2] als gevolg van het plan zal kunnen toenemen. Nu [verzoeker sub 2] de gevolgen van de toename van het scheepvaartverkeer kan ondervinden, gaat de voorzieningenrechter er vanuit dat [verzoeker sub 2] als belanghebbende zal worden aangemerkt en dat zijn beroep inhoudelijk zal worden besproken in de bodemprocedure.

4. [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] richten zich tegen de bestemming "Bedrijventerrein". Zij betogen dat het plan leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van hun woningen. Zij vrezen onder meer voor geluid- en lichtoverlast van de bedrijven die zich op het bedrijventerrein zullen vestigen en voor overlast door scheepvaartverkeer in het Noord-Hollands Kanaal langs hun woningen. [verzoeker sub 1] voert in dit verband aan dat ten onrechte niet is onderzocht wat de effecten zijn van het bedrijventerrein in de nachtperiode op de omgeving. Volgens [verzoeker sub 1] hadden in de planregels beperkingen moeten worden gesteld aan de activiteiten van de bedrijven in de nachtperiode om de overlast te beperken. [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] verzoeken om bij wijze van voorlopige voorziening de bestemming "Bedrijventerrein" te schorsen, teneinde onomkeerbare gevolgen van de inwerkingtreding daarvan te voorkomen.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij geen aanleiding heeft gezien de effecten van het bedrijventerrein op de omgeving in de nachtperiode te onderzoeken, omdat het bedrijventerrein in de nachtperiode gesloten zal zijn. De bedrijfstijden zullen worden gereguleerd in het kader van de omgevingsvergunning voor milieu, aldus de raad.

4.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen en terreinen ten behoeve van:

a. watergebonden en watergerelateerde bedrijven tot en met de categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, bijlage 1 van de regels, zoals op de verbeelding nader aangeduid;

b. watergebonden en watergerelateerde bedrijven in de categorieën 4.1 en 4.2 met dien verstande dat:

1. het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze, de bijzondere verschijningsvorm en de voorgestelde milieumaatregelen) in (milieu-)effecten gelijk is aan de categorieën, zoals deze zijn toegestaan op grond van artikel 4, eerste lid, onder a;

2. het bepaalde onder 1 blijkt uit een schriftelijk advies, ingewonnen bij de milieudeskundige, omtrent de aard van het bedrijf, de invloed daarvan op de omgeving, de verschijningsvorm, de effectiviteit van de voorgestelde (milieu-)maatregelen getoetst aan de maatgevende milieuaspecten en het hiervoor opgestelde "Beoordelingsprotocol milieucategorisering" welke als bijlage is toegevoegd aan de regels;

c. watergebonden en watergerelateerde bedrijven die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn genoemd, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de categorieën, zoals in artikel 4, eerste lid, onder a, genoemd;

d. bedrijfsgebonden kantoren tot 30% van het bruto vloeroppervlak met een maximum van 1.500 m²;

e. de (categorieën van) inrichtingen zoals opgenomen in de onderstaande tabel zijn uitgezonderd van vestiging;

f. maximaal 1 insteekhaven, direct aansluitend op het Noord-Hollandskanaal, met een oppervlak van minimaal 12,5% en maximaal 17,8% van de in plangebied gelegen uitgeefbare gronden waarbij het definitieve oppervlak bepaald dient te worden op basis van een berekening van het hoogheemraadschap.

4.3. Met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan kunnen omgevingsvergunningen voor bouwen worden verleend voor bedrijfsgebouwen op het bedrijventerrein. Voorts is ten behoeve van een insteekhaven aan de zijde van het Noord-Hollands Kanaal reeds een omgevingsvergunning aangevraagd voor een havenkade. Hiermee is het spoedeisend belang gegeven.

4.4. De raad heeft ter zitting toegelicht dat tussen de gemeente, een bewonerscommissie en de initiatiefnemer een convenant is gesloten waarin de afspraak is gemaakt dat het bedrijventerrein in de nachtperiode gesloten is. De raad acht deze beperking kennelijk met het oog op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan noodzakelijk. Vaststaat dat de bedrijfstijden van het bedrijventerrein niet in de planregels zijn vastgelegd. Niet is verder gebleken dat de bedrijfstijden van het bedrijventerrein anderszins publiekrechtelijk zijn gewaarborgd. Anders dan de raad stelt, bestaat geen waarborg dat bij de verlening van een omgevingsvergunning voor milieu aan een bedrijf een voorschrift kan worden opgenomen over de bedrijfstijden. Overigens verzet het plan zich niet tegen de vestiging van bedrijven die onder de werking van het Activiteitenbesluit milieubeheer vallen en die wat betreft milieu niet omgevingsvergunningsverplichting zijn. Voor zover de raad in dat verband heeft gewezen op het convenant, overweegt de voorzieningenrechter dat, daargelaten dat daarin voor de bedrijfstijden slechts wordt verwezen naar de omgevingsvergunning voor milieu, een dergelijke afspraak in een convenant in beginsel onvoldoende publiekrechtelijke waarborgen biedt voor de naleving van de sluiting van het bedrijventerrein in de nachtperiode.

Gelet op het vorenstaande moet worden betwijfeld of in het bestemmingsplan geen regeling met betrekking tot de bedrijfstijden had moeten worden opgenomen. Daarom ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het plan, voor zover in de planregels binnen de bestemming "Bedrijventerrein" de vestiging van bedrijven mogelijk wordt gemaakt, te schorsen.

5. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om het plan, voor zover is voorzien in maximaal 1 insteekhaven, ten behoeve waarvan een havenkade wordt gebouwd waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd, te schorsen. Hiertoe wordt overwogen dat de door [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] gevreesde overlast van scheepvaartverkeer niet kan optreden door de schorsing van de hiervoor vermelde planonderdelen, terwijl er een groot belang bestaat bij het kunnen voortzetten van de ontwikkeling van het bedrijventerrein.

6. Voor zover de verzoeken ook strekken tot schorsing van de plandelen met de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied" in het noorden van het plangebied, waar na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3, lid 3.5, van de planregels de bestemming "Bedrijventerrein" kan worden toegekend, is de voorzieningenrechter van oordeel dat in zoverre geen spoedeisend belang aanwezig is, aangezien eerst na het inwerkingtreden van een wijzigingsplan, waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend, onomkeerbare gevolgen kunnen ontstaan en niet is gebleken dat op korte termijn gebruik zal worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid.

7. De overige gronden van de verzoeken behoeven geen bespreking.

8. De raad dient ten aanzien van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Hollands Kroon van 23 april 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Regionaal Havengebonden Bedrijventerrein (RHB) Kooyhaven" voor zover het betreft artikel 4, lid 4.1, onder a tot en met d, van de planregels;

II. wijst het verzoek voor het overige af;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Hollands Kroon tot vergoeding van bij [verzoeker sub 1A] en [verzoekster sub 1B] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt de raad van de gemeente Hollands Kroon tot vergoeding van bij [verzoeker sub 2] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.023,04 (zegge: duizenddrieëntwintig euro en vier cent), waarvan € 980,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Hollands Kroon aan verzoekers het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [verzoeker sub 1A] en [verzoekster sub 1B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, en € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [verzoeker sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Bosnjakovic

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2015

410-821.