Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3017

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2015
Datum publicatie
23-09-2015
Zaaknummer
201504764/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 maart 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "1e herziening bestemmingsplan ‘Maasboulevard’, locatie ‘Watertoren’" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2015/2656
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504764/2/R4.

Datum uitspraak: 18 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1] en anderen, allen wonend te Zwijndrecht,

2. [verzoeker sub 2A] en [verzoekster sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker sub 2]), beiden wonend te Zwijndrecht,

3. [verzoeker sub 3A] en [verzoekster sub 3B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker sub 3]), beiden wonend te Zwijndrecht,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Zwijndrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "1e herziening bestemmingsplan ‘Maasboulevard’, locatie ‘Watertoren’" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] en anderen, [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] beroep ingesteld.

[verzoeker sub 1] en anderen, [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 1 september 2015, waar [verzoeker sub 3], bijgestaan door mr. J.M. Stedelaar, en de raad, vertegenwoordigd door R. van der Kuijp en E. Deleij, beiden werkzaam bij de gemeente, en D. van Beusekom, werkzaam bij Goudappel Coffeng, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ISA Beheer B.V. (hierna: ISA), vertegenwoordigd door mr. A.G. van Keulen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Het plan

2. Het plan maakt de herbestemming mogelijk van de watertoren en het omliggende terrein aan de Ringdijk te Zwijndrecht. De watertoren is een rijksmonument uit 1897 en is sinds 2000 niet meer in gebruik voor de drinkwatervoorziening. De herontwikkeling houdt onder meer in dat de watertoren wordt gerestaureerd en geschikt wordt gemaakt voor verschillende culturele, maatschappelijke, kantoor- en andere functies, dat aan de voet van de watertoren nieuwbouw plaatsvindt voor onder meer horeca en dat op het terrein een aantal woningen wordt gebouwd.

Het geschil

3. [verzoeker sub 1] en anderen, [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] wonen allen in de directe omgeving van het plangebied. Zij vrezen onder meer dat de herontwikkeling van het watertorenterrein verkeersoverlast, parkeerhinder en geluidhinder bij hun woningen zal veroorzaken.

De herontwikkeling van het watertorenterrein zal worden uitgevoerd door ISA, die eigenaar is van de watertoren en een deel van het omliggende terrein. Andere gronden in het plangebied zijn eigendom van drinkwaterbedrijf Oasen.

Procedurele gronden

4. [verzoeker sub 2] voert aan dat omwonenden ten onrechte geen inspraakmogelijkheid is geboden voor de terinzagelegging van het ontwerpplan.

Het bieden van inspraak maakt geen deel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het schenden van een eventuele inspraakverplichting heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan. In zoverre bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

5. [verzoeker sub 2] voert daarnaast aan dat het ontwerpplan niet op de juiste wijze is gepubliceerd. Volgens hem is het ontwerpplan ter inzage gelegd op 11 september 2014 en is het pas op 22 september 2014 op de website van de gemeente gepubliceerd. Daarbij ontbraken bovendien de bijlagen. Op de website www.ruimtelijkeplannen.nl was het plan moeilijk te vinden, aldus [verzoeker sub 2].

5.1. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan er vooralsnog van worden uitgegaan dat het plan gedurende de periode van terinzagelegging kon worden geraadpleegd op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl. Niet vereist is dat het plan daarnaast ook op de gemeentelijke website kon worden geraadpleegd. Voor zover niet alle bijlagen gedurende de gehele periode ter inzage hebben gelegen - wat daarvan ook zij -, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor de verwachting dat de Afdeling het bestreden besluit in de bodemprocedure om deze reden zal vernietigen, nu is gebleken dat [verzoeker sub 2] de bijlagen tijdens de periode van terinzagelegging heeft kunnen raadplegen. Ook in zoverre bestaat daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Verkeer

6. [verzoeker sub 1] en anderen, [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] voeren aan dat de herontwikkeling van het watertorenterrein zal leiden tot onaanvaardbare verkeershinder en verkeersonveilige situaties in de omliggende straten. Ook komt de bereikbaarheid voor de hulpdiensten volgens hen in gevaar. Volgens [verzoeker sub 1] en anderen, [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] is de Westerschelde te smal om te worden gebruikt als toegangsweg naar het plangebied. De raad had daarom moeten voorzien in een eigen toegangsweg voor het watertorenterrein.

[verzoeker sub 1] en anderen stellen tevens dat de raad de gevolgen van de herontwikkeling voor de verkeerssituatie heeft onderschat. Volgens hen is het rapport "Verkeersstudie Watertoren Zwijndrecht" van Goudappel Coffeng van 8 december 2014 (hierna: de Verkeersstudie) niet representatief, onder meer omdat de verkeersdruk niet op een representatief moment is gemeten.

6.1. De raad heeft zich bij de voorbereiding van het plan op de Verkeersstudie gebaseerd. Daaruit heeft hij afgeleid dat de verkeersintensiteit in de omgeving van het plangebied weliswaar toeneemt, maar dat de doorstroming en de verkeersveiligheid niet in gevaar komen. Daarnaast komt volgens de raad uit de Verkeersstudie naar voren dat de Westerschelde kan worden beschouwd als geschikte ontsluiting voor het plangebied. De Westerschelde is met een breedte van 4,8 m breed genoeg als erftoegangsweg binnen de bebouwde kom, aldus de raad. De raad stelt verder dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten voldoende is gewaarborgd, omdat deze het terrein behalve via de Westerschelde ook via de route Noordpark-Volkerak-Oosterschelde kunnen bereiken.

De raad acht een aparte ontsluitingsweg voor het plangebied daarom niet noodzakelijk. Volgens de raad bestaat wel het voornemen om in te toekomst een eigen ontsluiting voor het plangebied te realiseren, maar is dat nu nog niet mogelijk, omdat de daarvoor benodigde gronden eigendom zijn van derden van wie nog geen medewerking is verkregen.

Wat betreft de verkeerstelling in de Verkeersstudie stelt de raad dat deze telling van de bestaande verkeersdruk, in overeenstemming met de aanbevelingen van CROW, is uitgevoerd op het drukste moment van de week, namelijk dinsdag tussen 17 en 18 uur.

6.2. De telling in de Verkeersstudie betreft de bestaande verkeersdruk in de omgeving van het plangebied. Uit de stukken blijkt dat deze telling is uitgevoerd op het drukste moment van de week. Hoewel hiermee mogelijk niet de bestaande verkeersdruk is onderzocht op het tijdstip waarop de nieuwe functies in het plangebied het meeste verkeer aantrekken, acht de voorzieningenrechter het vooralsnog niet aannemelijk dat daardoor de gevolgen voor de verkeersintensiteit zijn onderschat. Er kan immers van worden uitgegaan dat de bestaande verkeersdruk op dat tijdstip lager is. Ter zitting heeft de raad bovendien toegelicht dat het rekenprogramma de bestaande verkeersdruk op basis van de telling heeft doorgerekend voor andere momenten in de week. [verzoeker sub 1] en anderen hebben naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt dat dat op onjuiste wijze is gebeurd.

6.3. Ook overigens ziet de voorzieningenrechter in hetgeen [verzoeker sub 1] en anderen, [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad niet van de conclusies uit de Verkeersstudie heeft kunnen uitgaan. Gelet op die conclusies heeft de raad er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid van kunnen uitgaan dat bij een ontsluiting van het plangebied via de Westerschelde uit een oogpunt van verkeersdoorstroming en -veiligheid geen onaanvaardbare situaties ontstaan en dat een aparte ontsluitingsweg voor het plangebied daarom niet noodzakelijk is. Daarbij is mede van belang dat de breedte van de Westerschelde volgens de Verkeersstudie voldoet aan het minimale profiel van CROW voor een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom. Wat betreft de bereikbaarheid voor de hulpdiensten hebben [verzoeker sub 1] en anderen, [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat de voorgestelde alternatieve route niet toereikend is om het plangebied te bereiken in het geval dat dit niet via de Westerschelde bereikbaar is.

In zoverre bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Parkeren

7. [verzoeker sub 1] en anderen, [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] vrezen dat de nieuwe voorzieningen in het plangebied, waaronder horeca, parkeerhinder in de omliggende straten zullen veroorzaken. Zij betogen dat het plan niet in voldoende parkeerplaatsen in het plangebied voorziet.

In dat verband betogen zij dat de raad bij de berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen niet de juiste parkeernorm heeft gehanteerd. Hierdoor is de parkeerbehoefte onderschat. De raad had volgens hen de parkeernormen voor de zone "rest bebouwde kom" uit het Parkeerbeleidsplan Zwijndrecht (hierna: het Parkeerbeleidsplan) moeten gebruiken. Daarnaast is de raad volgens [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] ten onrechte uitgegaan van de gemiddelde parkeerkencijfers en niet van het maximum. [verzoeker sub 3] betoogt daarnaast dat de parkeertelling niet op een representatief moment is uitgevoerd, zodat ook daardoor de parkeerbehoefte is onderschat. Volgens hem had de telling op zaterdagavond moeten worden uitgevoerd, omdat de horeca in het plangebied dan het meeste verkeer zal aantrekken.

[verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] betogen verder dat de realisatie van de benodigde parkeerplaatsen in het plangebied niet is verzekerd. [verzoeker sub 3] stelt in dat verband dat de voorziene parkeerplaatsen gedeeltelijk op gronden liggen die eigendom zijn van Oasen en waarop ISA slechts een persoonlijk gebruiksrecht heeft. Voor zover de parkeerplaatsen zich op gronden met de bestemming "Gemengd" bevinden, stelt [verzoeker sub 3] dat die bestemming het gebruik voor parkeren niet mogelijk maakt.

[verzoeker sub 3] betoogt voorts dat de 16 voorziene parkeerplaatsen aan de Ringdijk zich niet op eigen terrein, maar in openbaar gebied bevinden. Het plan is volgens hem in zoverre in strijd met het Parkeerbeleidsplan.

7.1. De raad heeft zich bij de voorbereiding van het plan wat betreft het parkeren gebaseerd op de Verkeersstudie. Daarin is de parkeerbehoefte berekend op basis van de maximale planologische mogelijkheden. Voor de berekening van de parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van de parkeernormen uit het Parkeerbeleidsplan voor de zone "schil/overloopgebied centrum". De parkeerbehoefte bedraagt volgens de raad maximaal 98 plaatsen. In deze behoefte moet op eigen terrein worden voorzien. Het plan maakt daartoe de aanleg van 110 parkeerplaatsen mogelijk: 94 op het watertorenterrein en 16 op een nabijgelegen terrein aan de Ringdijk, dat eveneens deel uitmaakt van het plangebied.

7.2. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat de telling van de bestaande parkeerdruk in de omgeving in de besluitvorming van de raad geen doorslaggevende rol heeft gespeeld. De parkeerbehoefte voor de nieuwe functies is immers los van de bestaande parkeerdruk berekend en de raad is ervan uitgegaan dat geheel binnen het plangebied in deze parkeerbehoefte moet worden voorzien.

7.3. In het Parkeerbeleidsplan worden binnen het sterk stedelijk gebied drie zones onderscheiden: centrum, schil/overloopgebied centrum en rest bebouwde kom. Bijlage 5 van het Parkeerbeleidsplan bevat voor elk van deze zones parkeernormen. Daarbij is steeds een minimum en een maximum opgenomen. Volgens paragraaf 4.4.1 van het Parkeerbeleidsplan is hiermee maatwerk mogelijk en geldt in het algemeen dat het maximumkencijfer wordt gehanteerd in gebieden met een hoge parkeerdruk en het minimumkencijfer in gebieden met een lage parkeerdruk of in gebieden met parkeerregulering. In hetgeen [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] naar voren hebben gebracht, ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid van het gemiddelde van de in het Parkeerbeleidsplan opgenomen parkeerkencijfers heeft kunnen uitgaan. Bovendien is de raad uitgegaan van 110 parkeerplaatsen in het plangebied bij een maximale parkeerbehoefte van 98 plaatsen, zodat in een groter aantal parkeerplaatsen is voorzien dan op grond van de gemiddelde parkeerkencijfers noodzakelijk is.

7.4. In bijlage 5 van het Parkeerbeleidsplan is toegelicht welke gebieden tot welke stedelijke zone behoren. "Centrum" is het gebied Walburg en omgeving, "schil/overloopgebied centrum" is het invloedsgebied rondom Walburg en het gebied dat in deze parkeernota eveneens wordt aangeduid als centrum en "rest bebouwde kom" is het overige gebied inclusief Heerjansdam.

De vraag die partijen verdeeld houdt, is of het plangebied moet worden gerekend tot de zone "schil/overloopgebied centrum" of tot de zone "rest bebouwde kom". [verzoeker sub 3] heeft in dat verband naar voren gebracht dat het plangebied buiten de grenzen ligt van het centrum zoals die zijn weergegeven op de kaart op p. 11 van het Parkeerbeleidsplan. De raad heeft daar tegenover gesteld dat het watertorenterrein als gebied 28 is opgenomen in bijlage 3 bij het Parkeerbeleidsplan, waarin de parkeerdruk is vermeld in de gebieden die tot het centrum behoren. Het watertorenterrein is daarmee volgens de raad een gebied dat in het Parkeerbeleidsplan eveneens wordt aangeduid als centrum.

Het standpunt van de raad komt de voorzieningenrechter vooralsnog niet onjuist voor. Daar komt bij dat ook in het kader van de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen moet worden beoordeeld of aan het gemeentelijke parkeerbeleid wordt voldaan, zodat in zoverre niet voor onomkeerbare gevolgen hoeft te worden gevreesd.

7.5. Anders dan [verzoeker sub 3] betoogt, volgt uit artikel 3, lid 3.1.1, van de planregels dat parkeerplaatsen zijn toegestaan op de gronden met de bestemming "Gemengd".

De voorzieningenrechter overweegt verder dat een privaatrechtelijke belemmering pas aan de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan in de weg staat als deze een evident karakter heeft. De omstandigheid dat de gronden waarop de parkeerplaatsen zijn voorzien gedeeltelijk eigendom zijn van Oasen is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen evidente privaatrechtelijke belemmering, omdat ter zitting door ISA is gesteld dat hierover een overeenkomst met Oasen is gesloten en niet is gebleken dat Oasen voornemens is deze overeenkomst te beëindigen.

Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen grond voor de verwachting dat de parkeerplaatsen in het plangebied niet kunnen worden gerealiseerd.

7.6. Voor zover [verzoeker sub 3] heeft betoogd dat het parkeren op het terrein aan de Ringdijk in strijd is met het gemeentelijke parkeerbeleid, overweegt de voorzieningenrechter dat het om nieuw aan te leggen parkeerplaatsen gaat waarmee wordt beoogd te voorkomen dat bezoekers van het watertorenterrein in de omliggende straten zullen parkeren. Hiermee wordt extra parkeerdruk in de omgeving voorkomen. De voorzieningenrechter ziet niet in welk belang van [verzoeker sub 3] op dit punt met het treffen van een voorlopige voorziening zou worden gediend.

7.7. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter in zoverre geen aanleiding voor het treffen voor een voorlopige voorziening.

Invulling functies bestemming "Gemengd"

8. [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] betogen dat het bestemmingsvlak voor de bestemming "Gemengd" en het toegestane aantal m2 voor de verschillende functies groter is dan nodig.

8.1. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat in zijn algemeenheid geen grond voor het oordeel dat een bestemmingsplan niet meer mogelijk mag maken dan hetgeen de initiatiefnemer beoogt. De raad heeft de gevolgen van het plan beoordeeld op grond van een maximale invulling van de mogelijkheden die het plan biedt. De raad acht deze gevolgen aanvaardbaar. Voor zover dat door verzoekers is bestreden, verwijst de voorzieningenrechter naar de bespreking van de desbetreffende verzoeksgronden over onder meer verkeer en parkeren.

9. [verzoeker sub 3] betoogt dat het plan een te groot aantal m2 aan horeca mogelijk maakt. Volgens hem zijn de ambachtelijke bedrijven, gelieerd aan de horecafunctie, waarvoor het plan maximaal 250 m2 bruto-vloeroppervlakte mogelijk maakt, niet te onderscheiden van horeca.

9.1. Uit artikel 3, lid 3.1.1, aanhef en onder c en d, en lid 3.3, aanhef en onder f en g, van de planregels volgt dat op de gronden met de bestemming "Gemengd" horeca is toegestaan met een bruto-vloeroppervlakte van maximaal 1.000 m2 en ambachtelijke bedrijven, gelieerd aan de horecafunctie, met een bruto-vloeroppervlakte van maximaal 250 m2. In artikel 1, lid 1.12, zijn ambachtelijke bedrijven, gelieerd aan de horecafunctie, als volgt omschreven: bedrijven, gelieerd aan de horecafunctie, uitsluitend of overwegend gericht op het, door middel van handwerk, vervaardigen of bewerken van goederen die verband houden met het ambacht, waaronder mede begrepen het verkopen en/of leveren, als ondergeschikte activiteit, van goederen die verband houden met het ambacht, zoals een bakkerij of een bierproeverij/-brouwerij.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit de planregels dat de ambachtelijke bedrijven, gelieerd aan de horecafunctie, zelf geen horeca-activiteiten mogen verrichten. Ter zitting heeft de raad bevestigd dat hij dit heeft beoogd.

10. [verzoeker sub 2] betoogt dat het plan te ruime mogelijkheden voor horeca bevat, omdat alle soorten horeca zijn toegestaan die niet uitdrukkelijk zijn uitgesloten. [verzoeker sub 3] acht horeca van categorie D op deze plaats niet aanvaardbaar. [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] betogen voorts dat de planregels zalenexploitatie wel en een partycentrum niet mogelijk maken, terwijl niet duidelijk is wat het verschil is tussen die functies. Volgens [verzoeker sub 3] is het plan op dit punt in strijd met de rechtszekerheid.

10.1. In artikel 3, lid 3.1.1, onder c, en artikel 1, lid 1.42, van de planregels is vastgelegd welke soorten horeca zijn toegestaan op de gronden met de bestemming "Gemengd". Dit is horeca van de categorieën A, B en C, met uitzondering van een fastfoodrestaurant, en zalenexploitatie en hotelaccommodatie tot maximaal 10 kamers uit horecacategorie D. De raad acht al deze typen horeca op deze plaats aanvaardbaar. Voor zover [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] dit hebben bestreden, verwijst de voorzieningenrechter naar de bespreking van de verzoeksgronden over onder meer verkeer, parkeren en geluid.

Met betrekking tot het onderscheid tussen een partycentrum en zalenexploitatie overweegt de voorzieningenrechter het volgende. In artikel 1, lid 1.65, van de planregels is zalenexploitatie als volgt gedefinieerd: "De verhuur van zaalruimte voor horeca-activiteiten ten dienste van zakelijke bijeenkomsten alsmede vergaderingen, congressen, productpresentaties, diners, recepties en andere particuliere bijeenkomsten in besloten kring." Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de functie zalenexploitatie besloten bijeenkomsten betreft, terwijl een partycentrum een openbaar karakter heeft. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter volgt dit voldoende duidelijk uit artikel 1, lid 1.65, van de planregels.

De voorzieningenrechter ziet ook in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Geluid

11. [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] vrezen onaanvaardbare geluidhinder als gevolg van de activiteiten die het plan mogelijk maakt. Dit betreft in het bijzonder geluidhinder vanwege de horeca-activiteiten en vanwege verkeer van en naar het plangebied.

[verzoeker sub 3] betoogt bovendien dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de cumulatie van dit geluid met het geluid vanwege de scheepvaart op de Oude Maas. De raad is bij de beoordeling van de gecumuleerde geluidbelasting volgens hem ten onrechte uitgegaan van een geluidbelasting vanwege de scheepvaart van 48 dB(A), zoals gemeten op de Beneden Merwede. Volgens [verzoeker sub 3] had de raad voor de scheepvaart op de Oude Maas echter moeten uitgaan van een geluidbelasting van 57 dB(A).

11.1. De raad acht de geluidgevolgen van de activiteiten die het plan mogelijk maakt aanvaardbaar. Hij stelt in dat verband allereerst dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstand van 10 m die voor de desbetreffende categorieën horeca zijn opgenomen in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, De dichtstbijzijnde bestaande woningen staan volgens de raad namelijk op ongeveer 40 m van de grens van het bestemmingsvlak met de bestemming "Gemengd". Niet gebleken is dat dit onjuist is.

De raad stelt zich daarnaast op het standpunt dat stemgeluid op terrassen niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat bij de bestaande woningen. De raad heeft daarbij de afstand tot die woningen en het karakter van de omgeving betrokken, alsmede de omstandigheid dat de nieuwe woningen die in het plangebied zijn voorzien een afschermende werking zullen hebben.

Het verkeer van en naar het plangebied zal volgens de raad evenmin leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. Volgens het akoestisch onderzoek dat bij de voorbereiding van het plan is verricht, neemt de geluidbelasting op de bestaande woningen weliswaar toe, maar bedraagt de gecumuleerde geluidbelasting ten hoogste 45 dB in 2014 en ten hoogste 48 dB in 2024. [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] hebben de juistheid van het akoestisch rapport op dit punt niet bestreden.

Hetgeen [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat wat betreft geluid vanwege de horeca-activiteiten en het verkeer van en naar het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter op dit punt geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

11.2. In het akoestisch rapport is voorts rekening gehouden met de geluidbelasting vanwege de scheepvaart. De raad acht de gecumuleerde geluidbelasting aanvaardbaar. In het akoestisch rapport is uitgegaan van een geluidbelasting vanwege de scheepvaart van 48 dB(A) etmaalwaarde, hetgeen overeenkomt met de berekende geluidbelasting als gevolg van de binnenvaart op de iets verder stroomopwaarts gelegen Beneden Merwede. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [verzoeker sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van 48 dB(A) niet representatief is voor het scheepvaartverkeer op de Oude Maas ter hoogte van het plangebied. Ook in zoverre bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Uitzicht

12. [verzoeker sub 1] en anderen en [verzoeker sub 2] voeren aan dat hun uitzicht wordt aangetast door de nieuwbouw die het plan mogelijk maakt.

12.1. Het plan maakt op de gronden met de bestemmingen "Gemengd" en "Wonen - 1" nieuwbouw mogelijk met een bouwhoogte van maximaal 11 m. Voor zover dit inderdaad leidt tot een aantasting van het uitzicht vanaf de percelen van [verzoeker sub 1] en anderen en [verzoeker sub 2], overweegt de voorzieningenrechter dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend en er derhalve geen blijvend recht op een vrij uitzicht bestaat. De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die zijn gediend met de realisatie van het plan dan aan de belangen van [verzoeker sub 1] en anderen en [verzoeker sub 2] bij het behoud van hun vrije uitzicht. Ook in zoverre bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Aantasting monumentale waarde watertoren

13. [verzoeker sub 1] en anderen, [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] voeren aan dat de karakteristieke monumentale waarde van de watertoren wordt aangetast door de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt.

[verzoeker sub 1] en andere en [verzoeker sub 2] betogen allereerst dat de functiewijziging en de ruime nieuwe bestemming geen recht doen aan de cultuurhistorische waarde van de watertoren.

[verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] betogen daarnaast dat de nieuwbouw aan de voet van de watertoren en de mogelijkheid om naast de watertoren een noodtrappenhuis te bouwen de monumentale waarde van de watertoren aantasten. Dit geldt volgens [verzoeker sub 2] ook voor de mogelijkheid tot het optoppen van de watertoren met 0,75 m. Daarnaast betoogt hij dat het plan specifiekere bouwregels voor de watertoren moet bevatten, zodat de watertoren niet kan worden veranderd.

13.1. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de functiewijziging als zodanig een onaanvaardbare inbreuk zal maken op de monumentale waarde van de watertoren. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat de herbestemming van de watertoren en de toekenning van nieuwe functies volgens de raad noodzakelijk zijn om de in onbruik geraakte watertoren te behouden.

Wat betreft het noodtrappenhuis heeft de raad toegelicht dat deze voorziening noodzakelijk is om te voldoen aan brandveiligheidseisen wanneer geen inpandige oplossing mogelijk blijkt te zijn. De raad heeft daarnaast verwezen naar de welstandseisen, waaraan bij de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen moet worden getoetst. Van belang is verder dat op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een vergunning is vereist voor onder meer het wijzigen van een beschermd monument. Die vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beoordeling van een vergunningaanvraag moeten de gevolgen voor de monumentale waarde van de watertoren dus worden beoordeeld.

Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter op dit punt geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

14. [verzoeker sub 2] betoogt verder dat de plantoelichting, in strijd met artikel 3.1.6, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, niet beschrijft hoe met monumenten rekening is gehouden.

Artikel 3.1.6, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening bevat geen specifieke verplichting om een dergelijke beschrijving in de plantoelichting op te nemen. Reeds hierom bestaat op dit punt geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Aantasting groen

15. [verzoeker sub 2] voert aan dat er groen wordt aangetast ten behoeve van de nieuwbouw die het plan mogelijk maakt. De belangen van de bewoners zijn volgens hem op dit punt onvoldoende meegewogen.

15.1. [verzoeker sub 2] heeft niet nader aangeduid welk groen het betreft. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter er vooralsnog van uit dat het gaat om groen op de gronden waaraan in het voorheen geldende plan de bestemming "Bedrijf - Nutsvoorziening" was toegekend en dat derhalve niet als "Groen" was bestemd. De verzoeksgrond over de aantasting van het daar aanwezige groen heeft daarom geen betrekking op het plan zelf, maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. In zoverre bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Bodemverontreiniging

16. [verzoeker sub 3] voert aan dat de bodemverontreiniging die in het plangebied is aangetroffen aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan. De aangetroffen verontreiniging bevindt zich volgens hem gedeeltelijk in grond die vanwege de herontwikkeling van het gebied bewerkt zal worden.

16.1. Bij de voorbereiding van het plan is onderzoek naar bodemverontreiniging verricht. Daarbij is in het plangebied bodemverontreiniging aangetroffen, maar die is volgens de raad niet zo ernstig dat de uitvoerbaarheid van het plan daardoor in gevaar komt. Volgens de raad kan de bodemverontreiniging namelijk worden gesaneerd en kan de ontwikkelaar de kosten daarvan dragen. ISA heeft dit ter zitting bevestigd.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [verzoeker sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Op dit punt bestaat daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Waterleiding

17. [verzoeker sub 3] voert aan dat onduidelijk is of de dubbelbestemming "Leiding - Water" aan de juiste gronden is toegekend. De dubbelbestemming is op de verbeelding op een andere plaats weergegeven dan in het vorige plan "Maasboulevard" en sluit niet aan op de dubbelbestemming voor de waterleiding zoals die in dat plan is weergegeven voor het aangrenzende gebied. Hierdoor is de uitvoerbaarheid van het plan onzeker, aldus [verzoeker sub 3].

17.1. De raad heeft toegelicht dat de dubbelbestemming in het plan overeenkomt met de werkelijke plaats van de waterleiding. In het bestemmingsplan "Maasboulevard" is de plaats van de leiding volgens de raad niet juist weergegeven. Dit zal bij de herziening van dat plan worden aangepast.

Gelet op deze toelichting ziet de voorzieningenrechter op dit punt geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Risicoaspecten

18. [verzoeker sub 3] betoogt dat de risicoaspecten voor omwonenden onvoldoende bij de vaststelling van het plan zijn betrokken.

Nu [verzoeker sub 3] niet heeft onderbouwd op welke risicoaspecten hij doelt en het plangebied voornamelijk is bestemd voor culturele, maatschappelijke, horeca-, kantoor- en detailhandelsfuncties en wonen, ziet de voorzieningenrechter op dit punt geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie

19. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, griffier.

w.g. Hagen w.g. Teuben

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2015

483.