Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3010

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-09-2015
Datum publicatie
23-09-2015
Zaaknummer
201410283/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2014:7835, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juli 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410283/1/V2.

Datum uitspraak: 15 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:

1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

2. [de vreemdeling],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 21 november 2014 in zaak nr. 13/19439 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juli 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 november 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.M. Boesjes, advocaat te Haarlem, heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een zienswijze ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

In het hoger beroep van de staatssecretaris

1. De staatssecretaris klaagt in de grieven, in onderlinge samenhang bezien en besproken, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij naar aanleiding van het door de vreemdeling overgelegde rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (hierna: het iMMO) van 4 december 2012 (lees: 2013, hierna: het iMMO-rapport) nader onderzoek had moeten laten verrichten naar het vermogen van de vreemdeling om compleet, coherent en consistent te verklaren. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank miskend dat hij geen nader onderzoek heeft hoeven laten doen, nu de in het iMMO-rapport beschreven beperkingen reeds in het advies van MediFirst van 15 juli 2013 zijn geconstateerd en hij die beperkingen bij het horen van de vreemdeling in acht heeft genomen. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt voorts niet dat de vreemdeling door zijn beperkingen onvoldoende in staat was compleet, coherent en consistent te verklaren, aldus de staatssecretaris. Voorts wijst de staatssecretaris erop dat hij het asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig heeft geacht. Ook hierom komt aan het iMMO-rapport niet de waarde toe die de rechtbank daaraan heeft gehecht, aldus de staatssecretaris.

1.1. De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de beperkingen van de vreemdeling die volgens het iMMO-rapport van invloed kunnen zijn op het horen, waaronder concentratieverlies als gevolg van slaapproblemen, reeds in het advies van MediFirst zijn vermeld en dat hij rekening heeft gehouden met die beperkingen tijdens het horen. In dit kader wijst de staatssecretaris er terecht op dat uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat hij bij aanvang van dat gehoor aan de vreemdeling heeft medegedeeld dat pauzes worden ingelast en dat de vreemdeling te kennen kan geven indien hij, om welke reden dan ook, tijdens het gesprek behoefte heeft aan een pauze. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt niet dat de vreemdeling om een pauze heeft gevraagd naast de twee pauzes die door de staatssecretaris zijn ingelast. Voorts heeft de staatssecretaris bij aanvang van het nader gehoor gevraagd of er medische redenen zijn waardoor het gehoor niet plaats kan vinden. De vreemdeling heeft hier, blijkens het verslag van dat gehoor, ontkennend op geantwoord. Tot slot heeft de vreemdeling tijdens het nader gehoor geen melding gemaakt van beperkingen zoals concentratieverlies. Voorts wijst de staatssecretaris erop dat de bij het nader gehoor aanwezige hulpverlener van VluchtelingenWerk Nederland, na daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft verklaard geen vragen, opmerkingen of aanvullingen te hebben naar aanleiding van dat gehoor. Voorts blijkt uit het verslag van het nader gehoor niet dat de vreemdeling ten tijde van dat gehoor onmiskenbaar niet in staat was zijn asielrelaas naar voren te brengen en vragen daarover te beantwoorden.

1.2. Gelet hierop, mede bezien in het licht van de omstandigheid dat het onderzoek van het iMMO eerst op 20 september 2013 heeft plaatsgevonden, terwijl het onderzoek door MediFirst juist kort vóór het nader gehoor heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris nader onderzoek had moeten laten verrichten naar aanleiding van het iMMO-rapport (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2015 in zaak nr. 201405467/1/V3).

1.3. Mede in aanmerking genomen dat de rechtbank de beroepsgrond van de vreemdeling over de geloofwaardigheid van het asielrelaas niet heeft besproken, heeft zij voorts niet onderkend dat aan het iMMO-rapport slechts waarde kan toekomen indien dat rapport betrekking heeft op een geloofwaardig geacht deel van het asielrelaas, dan wel op een deel van dat relaas dat de vreemdeling overigens heeft gestaafd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2014 in zaak nr. 201209148/1/V1).

1.4. De grieven slagen. Het hoger beroep is kennelijk gegrond.

In het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling

2. Hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.1. Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk ongegrond.

Conclusie

3. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De zaak zal krachtens artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb naar de rechtbank worden teruggewezen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

4. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank moet over de vergoeding van deze kosten beslissen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie gegrond;

II. verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 21 november 2014 in zaak nr. 13/19439;

IV. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

V. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro) en bepaalt dat de rechtbank over de vergoeding van deze kosten beslist.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Prins

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 september 2015

363-806.