Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2992

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-09-2015
Datum publicatie
23-09-2015
Zaaknummer
201501779/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:278, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2014 heeft het college onder aanzegging van bestuursdwang [appellant] gelast om het niet agrarische, bedrijfsmatige, gebruik van het perceel door het transportbedrijf op het perceel [locatie] te Lunteren te (laten) beëindigen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 4:17
Algemene wet bestuursrecht 7:4
Wet openbaarheid van bestuur
Wet openbaarheid van bestuur 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2015/182
JOM 2016/1010
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501779/1/A1.

Datum uitspraak: 23 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Lunteren, gemeente Ede,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 januari 2015 in zaak nr. 14/4442 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede.

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2014 heeft het college onder aanzegging van bestuursdwang [appellant] gelast om het niet agrarische, bedrijfsmatige, gebruik van het perceel door het transportbedrijf op het perceel [locatie] te Lunteren (hierna: het perceel) te (laten) beëindigen.

Bij besluit van 4 juni 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 januari 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 29 april 2015 heeft het college de kosten van toepassing van bestuursdwang vastgesteld op € 2.209,76 en dat bedrag bij [appellant] in rekening gebracht.

[appellant] heeft daartegen gronden ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 augustus 2015, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Bougarfa, werkzaam bij de Omgevingsdienst De Vallei, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied Ede 2012" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch".

Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder a, b en r, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor agrarische doeleinden of grondgebonden agrarische bedrijven met daaraan ondergeschikt aan huis verbonden beroepen of kleinschalige bedrijfsactiviteiten.

Ingevolge artikel 3.5, aanhef en onder a, gelden met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken dat aan huis verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn toegestaan, met dien verstande dat de omvang van de activiteit niet meer mag bedragen dan 50 m² en plaats moet vinden in de woning.

Ingevolge het bepaalde onder h, geldt met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken dat per bouwvlak of gekoppeld bouwvlak maximaal één inrichting is toegestaan.

Ingevolge artikel 1 wordt onder kleinschalige bedrijfsactiviteiten verstaan: door de hoofdbewoner het bedrijfsmatig vervaardigen, herstellen, onderhouden of bewerken van producten en/of diensten in de vorm van bedrijven die voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de van deze regels deel uitmakende Staat van bedrijfsactiviteiten, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt.

Ingevolge artikel 33.2, onder a, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

2. Op het perceel is een agrarisch bedrijf gevestigd. Voorts zijn twee bedrijfswoningen, stallen en een bijgebouw aanwezig. [appellant] bewoont één van de bedrijfswoningen en gebruikt het daarbij behorende bijgebouw voor zijn bedrijfsactiviteiten. Na een faillissement is het gedeelte van het perceel, waarop de bedrijfswoning met bijbehorend bijgebouw van [appellant] is gerealiseerd, kadastraal afgesplitst van het agrarisch bedrijf. Volgens het college gebruikt [appellant] het perceel ten behoeve van een transportbedrijf, hetgeen volgens het college in strijd is met het bestemmingsplan.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan en het college derhalve bevoegd was om handhavend op te treden. Daartoe voert hij aan dat het college ten onrechte heeft gesteld dat het gebruik in strijd is met artikel 3.1, onder b, van de planregels omdat er twee inrichtingen binnen een bouwvlak zouden zijn. Uit dat artikel volgt volgens hem niet dat per bouwvlak maar één inrichting is toegestaan. Voorts voert hij aan dat het gebruik is aan te merken als een kleinschalige bedrijfsactiviteit dat ondergeschikt is aan het op het kadastraal afgesplitst deel van het perceel gevestigde agrarisch bedrijf en derhalve op grond van artikel 3.1, aanhef en onder r, van de planregels is toegestaan. In dit verband merkt hij op dat de oppervlakte van het kantoor minder bedraagt dan 50 m² en het gebruik verschilt van een transportbedrijf met op-, overslag, laad- en losactiviteiten, stalling en onderhoud van voertuigen. Voorts merkt hij in dit verband op dat de vrachtwagens voor korte duur op het perceel stilstaan en dat de rapporten, waarnaar het college in zijn besluit verwijst, een vertekend beeld geven nu de controles op vrijwel dezelfde tijdstippen hebben plaatsgevonden. De Staat van bedrijfsactiviteiten is volgens hem niet van belang voor de beantwoording van de vraag of het gebruik is aan te merken als kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Mocht dit wel zo zijn, dan vallen de activiteiten volgens [appellant] onder dienstverlening ten behoeve van landbouw- algemeen.

3.1. Vaststaat dat het bedrijf van [appellant] zich bezighoudt met import en export van kalveren, varkens en pluimvee en dat het op het perceel aanwezige bijgebouw als kantoor voor dat bedrijf wordt gebruikt. Voorts staat vast dat dit geen agrarisch gebruik betreft, zodat het gebruik reeds om die reden in strijd is met artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de planregels.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de hier aan de orde zijnde bedrijfsactiviteiten niet als kleinschalige bedrijfsactiviteiten als bedoeld in het bestemmingsplan zijn aan te merken. Ingevolge artikel 3.5, aanhef en onder a, van de planregels dient de bedrijfsactiviteit plaats te vinden in de woning. Nu de bedrijfsactiviteiten van [appellant] niet in de woning maar in het bijgebouw en op het buitenterrein plaatsvinden, is het gebruik reeds om die reden in strijd met artikel 3.5, aanhef en onder a, van de planregels. Hetgeen [appellant] betoogt ten aanzien van de overige voorwaarden van artikel 3.5 van de planregels en de ondergeschiktheid van de bedrijfsactiviteiten behoeft geen bespreking nu het niet tot een ander oordeel kan leiden.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank, door te overwegen dat het college bevoegd was om handhavend op te treden, niet heeft onderkend dat het gebruik op grond van het overgangsrecht van het bestemmingsplan mag worden voortgezet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 2 november 2011, in zaak nr. 201009449/1/H1), is het aan degene die zich op het overgangsrecht beroept om de feiten en omstandigheden, waarop dat berust, aannemelijk te maken. Het betoog van [appellant] dat in dezen op hem geen bewijslast rust, treft derhalve geen doel. [appellant] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan het bijgebouw bij de woning gebruikte als kantoor en dat de parkeerplaatsen reeds waren aangelegd en als zodanig in gebruik waren. Het enkele feit dat sinds 1977 een pluimveebedrijf op het perceel is gevestigd, leidt niet tot een ander oordeel nu dat niet hetzelfde gebruik betreft als waartegen het college handhavend optreedt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Bij besluit van 29 april 2015 heeft het college de kosten van toepassing van bestuursdwang vastgesteld op € 2.209,76 en dat bedrag bij [appellant] in rekening gebracht.

Op 18 maart 2014 heeft het [bedrijf] (hierna: de aannemer) in opdracht van het college, nadat het college meerdere malen had geconstateerd dat de overtreding niet was beëindigd, zes betonnen legoblokken geplaatst. Volgens het besluit van 29 april 2015 en het daarbij als bijlage gevoegde inspectieformulier en twee facturen van de aannemer worden de kosten in rekening gebracht van het plaatsen van de betonblokken op 18 maart 2014 en het herplaatsen van de betonblokken. Voorts worden de kosten voor het huren van de betonblokken, de kosten voor het schoonmaken van de blokken in verband met graffiti, uitvoerderskosten en btw-kosten in rekening gebracht.

7. Ingevolge artikel 5:31c, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder bestuursdwang mede betrekking op een beschikking die strekt tot toepassing van bestuursdwang of op een beschikking tot vaststelling van de kosten van de bestuursdwang, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

Het bezwaarschrift van [appellant] gericht tegen het besluit van 29 april 2015 wordt, gelet op artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb, behandeld in dit geding.

8. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Awb geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

Ingevolge het derde lid behoren tot de kosten van bestuursdwang de kosten van voorbereiding van bestuursdwang, voor zover deze zijn gemaakt na het verstrijken van de termijn waarbinnen de last had moeten worden uitgevoerd.

9. [appellant] betoogt tevergeefs dat het college niet bevoegd was tot uitvoering van bestuursdwang over te gaan dan wel de kosten daarvan niet op hem mag verhalen omdat het besluit waarbij de last onder bestuursdwang is opgelegd nog niet in rechte onaantastbaar is. De omstandigheid dat het besluit van 18 februari 2014 nog niet in rechte onaantastbaar was, staat niet in de weg aan de bevoegdheid van het college om de kosten op grond van artikel 5:25 Awb te verhalen.

10. [appellant] betoogt voorts dat het college ten onrechte de kosten van de toepassing van bestuursdwang op hem heeft verhaald. Daartoe voert hij aan dat de geplaatste betonblokken niet van hem zijn of door hem zijn aangeschaft, zodat hij niet verantwoordelijk is voor de gemaakte kosten voor het plaatsen, herplaatsen en schoonmaken daarvan. Bovendien heeft hij niet de opdracht gegeven aan de aannemer en is de huurprijs van de blokken te hoog gelet op de aanschafprijs daarvan. Voorts voert hij aan dat de blokken geen onderdeel uitmaken van de last onder bestuursdwang nu de blokken hangende de procedure zijn verwijderd. Verder voert hij aan dat de factuur van 21 april 2015 een conceptfactuur betreft.

10.1. Vaststaat dat de door het college gemaakte kosten noodzakelijk waren voor de uitvoering van de last.

De enkele omstandigheid dat [appellant] geen eigenaar is van de betonblokken dan wel geen opdracht heeft gegeven aan de aannemer voor het plaatsen daarvan maakt niet dat het college de in geding zijnde kosten voor het toepassen van bestuursdwang niet in redelijkheid bij [appellant] in rekening kon brengen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in de last is opgenomen dat als de last niet wordt nageleefd er betonnen legoblokken zouden worden geplaatst en dat de kosten daarvan bij [appellant] in rekening zullen worden gebracht. Dat de blokken hangende de procedure zijn verwijderd maakt dat niet anders. Ten aanzien van de herplaatsing van de blokken wordt overwogen dat het college deze kosten in redelijkheid in rekening mocht brengen nu [appellant] volgens zijn eigen verklaring op 31 maart 2014 de blokken had verwijderd. Dat de factuur van 21 april 2015 een conceptfactuur is, maakt niet dat het college de daarin genoemde kosten onvoldoende heeft onderbouwd. Daartoe wordt overwogen dat het college in de bijlage behorende bij het besluit van 29 april 2015 de kosten heeft gespecificeerd en ter onderbouwing hiervan heeft verwezen naar twee facturen waarvan één een conceptfactuur is. De daarin genoemde bedragen voor de verhuur van de betonblokken komen overeen met de andere factuur en de genoemde periode komt overeen met de periode dat de blokken op het perceel hebben gestaan. Bovendien heeft [appellant] ter zitting verklaard dat de daarin opgenomen kosten niet onaannemelijk zijn. Niet is gebleken dat de in rekening gebrachte huurprijs onredelijk hoog is. Dat de aanschafprijs naar gesteld aanzienlijk lager is, leidt niet tot een ander oordeel nu het college de blokken niet heeft aangeschaft maar gehuurd. Ten aanzien van de schoonmaakkosten wordt overwogen dat het college ook deze in redelijkheid in rekening mocht brengen. In de gestelde omstandigheid dat derden de blokken zouden hebben beschilderd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Ter zitting heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat het het aannemelijk acht dat [appellant] de blokken heeft beschilderd. Daarbij heeft het in aanmerking mogen nemen dat op de betonnen legoblokken het logo van het bedrijf van [appellant] was aangebracht, dat de blokken op zijn perceel staan en dat zijn perceel niet vrij toegankelijk is. [appellant] heeft het voorgaande onvoldoende weersproken.

Het betoog faalt.

11. [appellant] betoogt ten slotte tevergeefs dat het college niet tot toepassing van bestuursdwang over mocht gaan omdat zijn perceel en het perceel daarachter daardoor onbereikbaar zouden worden. Dit betoog van [appellant] heeft betrekking op de rechtmatigheid van het besluit van 18 februari 2014 en kan thans niet meer aan de orde komen.

12. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 29 april 2015 is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ede van 29 april 2015 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2015

414-712.