Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2988

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-09-2015
Datum publicatie
23-09-2015
Zaaknummer
201410191/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:13397, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 januari 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] om de gegevens uit een door hem overgelegd Iraaks uittreksel geboorteregister op te nemen in de basisregistratie personen (hierna: brp), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410191/1/A3.

Datum uitspraak: 23 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Zoetermeer,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 november 2014 in zaak nr. 14/5798 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer.

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] om de gegevens uit een door hem overgelegd Iraaks uittreksel geboorteregister op te nemen in de basisregistratie personen (hierna: brp), afgewezen.

Bij besluit van 26 mei 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2015, waar het college, vertegenwoordigd door D.A. Rolff en T. Vreeburg, is verschenen. Eveneens is R. van Ham, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND), gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.8, tweede lid, van de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet brp), worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of be√ędigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring die betrokkene ten overstaan van een door het college aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, worden aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, d of e, alsmede artikel 2.8, derde lid, geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.

2. Aan het besluit van 24 januari 2014 heeft het college ten grondslag gelegd een door het Bureau Documenten van de IND verricht documentenonderzoek van 13 januari 2014 (hierna: verklaring van onderzoek) naar de echtheid van het overgelegde Iraakse geboorte-uittreksel. In de verklaring van onderzoek heeft dat bureau geconcludeerd dat het geboorte-uittreksel met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is dan wel niet is opgemaakt en afgegeven door een daartoe bevoegde instantie. Gelet op deze conclusie kan het betreffende document niet worden aangemerkt als een brondocument als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp en derhalve wordt het geboorte-uittreksel niet opgenomen in de brp, aldus het college.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in dit geval niet mag uitgaan van de in de verklaring van onderzoek neergelegde conclusie. Hiertoe voert hij aan dat hij weliswaar geen contra-expertise heeft overgelegd, maar dat hij reeds in bezwaar een gelegaliseerde verklaring van de Deelstaat Koerdistan Irak van 2 februari 2014 en twee gelegaliseerde verklaringen van de Iraakse ambassade van 10 februari 2014 (een verklaring over de authenticiteit van het geboorte-uittreksel en een verklaring over de authenticiteit van de legalisatie op de verklaring van de Deelstaat Koerdistan Irak) heeft overgelegd. Uit deze documenten blijkt de authenticiteit van het geboorte-uittreksel, aldus [appellant].

3.1. Zoals volgt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2015 (zaak nr. 201407801/1/A3) is een door het Bureau Documenten opgestelde verklaring van onderzoek een deskundigenadvies waarvan een bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan. Indien en voor zover een bestuursorgaan een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, strekt de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende belanghebbende geen eigen deskundigenadvies overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een aangevoerde beroepsgrond beoordeelt of het bestuursorgaan zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat het deskundigenadvies, naar wijze van totstandkoming, zorgvuldig en, naar inhoud, inzichtelijk en concludent is. [appellant] heeft geen contra-expertise overgelegd.

3.2. In de door het Bureau Documenten van de IND opgestelde verklaring van onderzoek naar de echtheid van het overgelegde geboorte-uittreksel, staat vermeld dat op de voor- en achterzijde van het document verscheidene afdrukken van inktstempels zijn aangebracht die niet corresponderen met het bij het Bureau Documenten beschikbare referentiemateriaal. Daarmee wordt bedoeld, zo heeft Van Ham ter zitting toegelicht, dat er stempels op het document staan die daar niet thuishoren. Bovendien zijn de basisgegevens op het document aangebracht met een reproductietechniek, aldus de verklaring van onderzoek. Naar aanleiding van deze bevindingen heeft het Bureau Documenten van de IND geconcludeerd dat het geboorte-uittreksel met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is dan wel niet is opgemaakt en afgegeven door een daartoe bevoegde instantie. De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college zich er niet van heeft vergewist dat het deskundigenadvies zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is. Dat de Iraakse ambassade en de

Deelstaat Koerdistan Irak het geboorte-uittreksel gelegaliseerd hebben, betekent niet dat het college gehouden was het geboorte-uittreksel op te nemen in de brp, aangezien het college bij de registratie van gegevens in de brp een eigen verantwoordelijkheid heeft (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2014 in zaak nr. 201311278/1/A3).

Gezien het voorgaande, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college in dit geval niet mag uitgaan van de in de verklaring van onderzoek neergelegde conclusie.

Het betoog faalt.

4. Hetgeen [appellant] voor het overige als gronden in zijn hogerberoepschrift aanvoert, is een letterlijke herhaling van de gronden die hij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden gemotiveerd verworpen. [appellant] heeft in zijn hogerberoepschrift niet uiteengezet, dat en waarom het desbetreffende oordeel onjuist is. Gelet hierop kan het aangevoerde niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Zegveld

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2015

43-816.