Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2979

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-09-2015
Datum publicatie
23-09-2015
Zaaknummer
201500031/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:7256, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 oktober 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag 2009 van [appellant] herzien en op nihil gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500031/1/A2.

Datum uitspraak: 23 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 25 november 2014 in zaak nr. 14/3355 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag 2009 van [appellant] herzien en op nihil gesteld.

Bij besluit van 23 april 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 september 2015, waar [appellant] en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam bij de dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder n, van de Wet kinderopvang (hierna: Wko), zoals deze luidde ten tijde van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder kinderopvangtoeslag een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder j, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) in de kosten van kinderopvang verstaan.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, is op deze wet de Awir van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op toeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de toeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1o. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2o. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3o. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 52 geschiedt opvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2. Aan het besluit 23 april 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen onder meer ten grondslag gelegd dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij in 2009 de door hem gestelde kosten van de kinderopvang door tussenkomst van [gastouderbureau] heeft gehad.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij zich altijd heeft willen houden aan de voorwaarden voor het verkrijgen van kinderopvangtoeslag. Uit niets blijkt dat tot en met 2012 de verplichting gold dat de vraagouder een deel van de kinderopvang daadwerkelijk zelf uit eigen middelen diende te betalen. Aannemelijk is dat de kostenregeling op basis van de schenkingsovereenkomst tussen hem en de gastouder, waarbij de door hem te betalen bijdrage werd verrekend met het geschonken bedrag, geen enkel probleem was, aldus [appellant].

Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de eigen bijdrage ook buiten het toeslagjaar mag worden betaald en, zolang de eigen bijdrage wordt betaald, aan de voorwaarden voor het verkrijgen van kinderopvangtoeslag is voldaan. Op 11 december 2014 heeft hij alsnog het volledige bedrag van de eigen bijdrage aan de gastouder overgemaakt, aldus [appellant].

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 30 mei 2012 in zaak nr. 201110472/1/A2), volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, dat degene die voor de toeslag in aanmerking wil komen, moet kunnen aantonen dat hij kosten van kinderopvang heeft gehad en wat de hoogte ervan is. Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 juni 2013 in zaak nr. 201205528/1/A2) verzetten doel en strekking van de regeling tot het toekennen van kinderopvangtoeslag zich ertegen dat bij verrekening van de schenking met de verschuldigde kosten aanspraak op kinderopvangtoeslag bestaat. Door de wetgever is bedoeld dat, om voor toeslag in aanmerking te kunnen komen, de kosten van de opvang daadwerkelijk door de vraagouder moeten zijn gedragen. Aan de omstandigheid dat tot en met 2012 in het onder meer via internet beschikbare voorlichtingsmateriaal niet uitdrukkelijk zou zijn vermeld dat de vraagouder een deel van de kosten zelf moet betalen aan de kinderopvanginstelling, kon [appellant] niet het vertrouwen ontlenen dat verrekening van die kosten met een schenking mogelijk was, reeds omdat hierin geen toezegging is te lezen dat de Belastingdienst/Toeslagen die constructie zou accepteren.

Ten slotte heeft de Afdeling eerder overwogen (onder meer de uitspraak van 20 november 2013 in zaak nr. 201210719/1/A2), dat doel en strekking van de regeling voor het toekennen van kinderopvangtoeslag en het belang van controle op een juiste besteding van overheidsgelden met zich brengen dat de verschuldigde kosten voor kinderopvang daadwerkelijk ten tijde van die opvang of uiterlijk kort daarna moeten worden voldaan. In dit geval heeft [appellant] pas in december 2014, nadat de rechtbank uitspraak had gedaan, de voor zijn rekening komende kosten voor de kinderopvang in 2009 alsnog voldaan. Dit is, gelet op het doel en strekking van de regeling, te laat om deze kosten aan te kunnen merken als kosten van die opvang. Het door [appellant] aan de Belastingdienst/Toeslagen genoemde fictieve geval dat een in december 2009 of januari 2010 verstuurde factuur voor de in december 2009 afgenomen kinderopvang ook in januari 2010 of februari 2010 kan worden betaald, verschilt in belangrijke mate van het thans voorliggende geval. Reeds hierom kon [appellant] aan de informatie die de Belastingdienst/Toeslagen over dat fictieve geval heeft verstrekt niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat zijn betaling als tijdig zou worden aangemerkt.

De betogen falen.

4. Ten slotte betoogt [appellant] tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat onzorgvuldigheid van de Belastingdienst/Toeslagen geen invloed heeft op het oordeel van de rechtbank. Er is geen rechtsregel op grond waarvan de Belastingdienst gehouden was [appellant] op de hoogte te stellen van alle op hem rustende verplichtingen, die voortvloeiden uit de toekenning van het voorschot kinderopvangtoeslag. Evenmin kon van de Belastingdienst/Toeslagen, reeds gelet op de administratieve lasten die het verwerken van alle aanvragen voor toeslagen meebrengt, worden gevergd hem ervan op de hoogte te stellen dat er een onderzoek was ingesteld naar de praktijken van [gastouderbureau].

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2015

17.