Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2969

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-09-2015
Datum publicatie
23-09-2015
Zaaknummer
201500853/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:2347, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juli 2012 heeft het college zijn beslissing van 18 april 2012 tot het onmiddellijk toepassen van bestuursdwang door het ontmantelen van een hennepkwekerij in de woning aan de [locatie] te Rotterdam (hierna: woning) op schrift gesteld en aan [appellante] kenbaar gemaakt (hierna: besluit I). Bij besluit van dezelfde datum heeft het college de kosten van de uitvoering van bestuursdwang vastgesteld op een bedrag van € 3.035,05 (hierna: besluit II).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7126
Milieurecht Totaal 2016/6475
JOM 2016/1006
OGR-Updates.nl 2015-0227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500853/1/A1.

Datum uitspraak: 23 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 27 februari 2014 en 16 december 2014 in zaak nr. 13/1313 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2012 heeft het college zijn beslissing van 18 april 2012 tot het onmiddellijk toepassen van bestuursdwang door het ontmantelen van een hennepkwekerij in de woning aan de [locatie] te Rotterdam (hierna: woning) op schrift gesteld en aan [appellante] kenbaar gemaakt (hierna: besluit I). Bij besluit van dezelfde datum heeft het college de kosten van de uitvoering van bestuursdwang vastgesteld op een bedrag van € 3.035,05 (hierna: besluit II).

Bij besluit van 27 december 2012 heeft het college het door [appellante] tegen beide besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 27 februari 2014 heeft de rechtbank een gebrek in besluit II geconstateerd, het college in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen en iedere verdere beslissing aangehouden.

Bij uitspraak van 16 december 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het besluit van 27 december 2012 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarin de bezwaren tegen besluit II ongegrond zijn verklaard, dat besluit herroepen, bepaald dat de kosten van de bestuursdwang worden vastgesteld op een bedrag van € 2.442,18 en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor het overige in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak van 27 februari 2014 heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 augustus 2015, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.R. Ali, advocaat te Boxtel, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J.J. van der Vlist, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 18 april 2002 is naar aanleiding van een melding bij de politie door toezichthoudende ambtenaren binnengetreden in de woning, alwaar een hennepkwekerij is aangetroffen. Met toepassing van spoedeisende bestuursdwang is de hennepkwekerij direct ontmanteld. De woning was ten tijde van belang in eigendom bij [appellante]. Ten tijde van de ontmanteling van de hennepkwekerij had zij de woning verhuurd. Vast staat dat in strijd met artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet is gehandeld, zodat het college bevoegd was terzake handhavend op te treden.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij als overtreder kan worden aangemerkt. Volgens [appellante] heeft de rechtbank een onjuiste maatstaf gehanteerd voor de beantwoording van de vraag of zij als overtreder kan worden aangemerkt en ten onrechte geen gewicht toegekend aan de door de huurder ondertekende huurovereenkomst.

2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 oktober 2008 in zaak nr. 200707345/1), is de overtreder degene die het desbetreffende wettelijke voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden. Dat is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek heeft verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk heeft begaan, doch aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en derhalve als overtreder worden aangemerkt. Daarbij is in dit geval van belang dat, zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 augustus 2014 in zaak nr. 201309474/1/A1), van de eigenaar van een pand die dat verhuurt, mag worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het door hem verhuurde pand wordt gemaakt. De eigenaar kan als overtreder worden aangemerkt, indien hij wist, dan wel redelijkerwijs had kunnen weten dat het pand als hennepkwekerij werd gebruikt.

2.2. De rechtbank heeft terecht als uitgangspunt genomen dat voor de vraag of [appellante] als overtreder kan worden aangemerkt van belang is of zij wist dan wel redelijkerwijs had kunnen weten dat de woning als hennepkwekerij werd gebruikt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat van [appellante] mag worden gevergd dat zij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van de door haar verhuurde woning wordt gemaakt en dat zij dat ten onrechte niet heeft gedaan. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat [appellante] bij een eenvoudige inspectie van de woning had kunnen constateren dat de woning er onbewoond uitzag en er illegaal stroom werd afgetapt.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat ook van een niet professionele verhuurster, zoals [appellante], mag worden gevergd dat zij verifieert of de potentiële huurder voldoende gegevens heeft overgelegd om zijn identiteit en inkomsten aannemelijk te maken en of deze huurder de woning daadwerkelijk bewoont. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft [appellante] bij het aangaan van de huurovereenkomst geen deugdelijke controle ten aanzien van de betrouwbaarheid en identiteit van de huurder uitgevoerd. Op de huurovereenkomst staat geen adres van de huurder vermeld, de huur werd contant aan [appellante] betaald en [appellante] heeft nimmer om inkomensgegevens van de huurder verzocht dan wel geverifieerd of de huurder zich in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) op het adres van de woning heeft ingeschreven. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat, nu [appellante] heeft nagelaten te verifiëren of de potentiële huurder voldoende gegevens heeft overgelegd om zijn identiteit en inkomsten aannemelijk te maken en of deze huurder de woning daadwerkelijk bewoont, de overgelegde huurovereenkomsten en kwitanties niet kunnen afdoen aan de juistheid van de conclusie van het college dat [appellante] als overtreder kan worden aangemerkt. Uit de beslissing van de rechtbank volgt dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich tot op zekere hoogte over het gebruik van de woning heeft geïnformeerd en dat zij niet wist, dan wel redelijkerwijs had kunnen weten dat haar woning als illegale hennepkwekerij werd gebruikt. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college [appellante] op goede gronden als overtreder heeft aangemerkt.

Het betoog faalt.

3. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor het binnentreden van de woning geen machtiging als bedoeld in de Algemene wet op het binnentreden (hierna: Awbi) was vereist, nu er niemand op het adres stond ingeschreven in de GBA en de woning ook feitelijk onbewoond is aangetroffen.

3.1. Ingevolge artikel 5:27, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner het bestuursorgaan dat bestuursdwang toepast bevoegd tot het geven van een machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Awbi.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Awbi is voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner een schriftelijke machtiging vereist, tenzij en voor zover bij wet aan rechters, rechterlijke colleges, leden van het openbaar ministerie, burgemeesters, gerechtsdeurwaarders en belastingdeurwaarders de bevoegdheid is toegekend tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. De machtiging wordt zo mogelijk getoond.

Ingevolge het derde lid is een schriftelijke machtiging als bedoeld in het eerste lid niet vereist, indien ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen terstond in de woning moet worden binnengetreden.

3.2. Uit het besluit van 18 juli 2012 volgt dat de fraudespecialist van Stedin Netbeheer ter plaatse heeft geconstateerd dat door de elektrische installatie van de hennepkwekerij de situatie ter plaatse zeer gevaarlijk en onveilig was vanwege ernstig gevaar op brand en elektrocutie. Een onmiddellijk optreden werd op dat moment noodzakelijk geacht. Gelet daarop was voldaan aan de voorwaarden van artikel 2, derde lid, van de Awbi en is de rechtbank, daargelaten of er een machtiging als bedoeld in artikel 5:27, tweede lid, van de Awb was afgegeven, terecht tot de conclusie gekomen dat een machtiging in dit geval niet was vereist.

Het betoog faalt.

4. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte de termijn van drie maanden voor het op schrift stellen van de beslissing tot het toepassen van bestuursdwang niet onredelijk lang heeft geacht.

4.1. Ingevolge artikel 5:31, tweede lid, van de Awb kan, indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.

4.2. Zoals het college ter zitting heeft toegelicht, bestond er onduidelijkheid over wie de huurder van de woning was en moest onderzoek plaatsvinden naar de vraag wie als overtreder kon worden aangemerkt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is gebleken dat het college genoemde termijn daadwerkelijk heeft benut om informatie in te winnen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat de termijn van drie maanden voor het op schrift stellen van de beslissing in dit geval niet onredelijk lang is.

Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt ten slotte dat, nu niet vaststaat dat zij als overtreder kan worden aangemerkt, de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de beheerskosten en de BTW voor de ontmanteling van de hennepkwekerij terecht bij haar in rekening heeft gebracht.

5.1. Zoals hiervoor onder 2.2 is overwogen, heeft het college [appellante] terecht als overtreder aangemerkt. Om die reden heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang op [appellante] kon verhalen. Wat betreft de beheerskosten heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college deze bij [appellante] in rekening kon brengen, nu deze bestaan uit de kosten van salarissen van ambtenaren die waren belast met de voorbereiding, feitelijke uitvoering en begeleiding van de toegepaste bestuursdwang. Wat betreft het in rekening brengen van de BTW heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college deze bij [appellante] in rekening kon brengen en daarvoor terecht redengevend geacht dat de Dienst Stadsontwikkeling van de gemeente in deze zaak heeft gehandeld als onderneming. Reeds daarom is, anders dan [appellante] betoogt, artikel 7 van de Wet omzetbelasting 1968 hier niet van belang.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak dient, voor zover aangevallen en met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Altena

lid van de enkelvoudige kamer De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2015

531/828