Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2967

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-09-2015
Datum publicatie
23-09-2015
Zaaknummer
201501476/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:110, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2013 heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van een bijgebouw op het perceel [locatie 1] te Oostzaan.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1009
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501476/1/A1.

Datum uitspraak: 23 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Oostzaan,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 15 januari 2015 in zaak nr. 14/517 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oostzaan.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2013 heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van een bijgebouw op het perceel [locatie 1] te Oostzaan (hierna: bijgebouw respectievelijk perceel).

Bij uitspraak van 15 januari 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.H.J. van Riessen, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door A. Debie en mr. C.S. Schipper, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting verschenen [belanghebbende], bijgestaan door mr. X. Wentink-Quelle, advocaat te Amsterdam.

Overwegingen

1. [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie 2] te Oostzaan. Hij heeft vanaf zijn perceel rechtstreeks zicht op het bouwwerk op het perceel van [belanghebbende].

2. Het college heeft bij besluit van 31 augustus 2004 aan [belanghebbende] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een bijgebouw op het perceel, waarbij vrijstelling van het bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in hoofdzaak" (geldig tot 24 juni 2013) is verleend (hierna: bouwvergunning). Voor het bijgebouw is vergund de lengte van 16 m, breedte van 8,2 m en nokhoogte van 5,5 m. Het bijgebouw is in strijd met de bouwvergunning gebouwd met de lengte van 16,07 m, breedte van 8,29 m en nokhoogte van 5,85 m. [belanghebbende] heeft op 1 mei 2012 omgevingsvergunning aangevraagd met als doel het legaliseren van de afwijkende maatvoering van het bijgebouw.

3. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Oostzaan" (hierna: bestemmingsplan), vastgesteld op 24 juni 2013, rust op het perceel de bestemming "Wonen".

Ingevolge artikel 17.2.2., onder j, aanhef en onder 3, van de planregels mag de goothoogte en bouwhoogte van bijgebouwen maximaal 3 m respectievelijk 5 m bedragen.

Ingevolge artikel 35.1, aanhef en onder c, is het college bevoegd omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het plan voor afwijkingen van regels, gesteld ten aanzien van maten en percentages, mits die afwijkingen beperkt blijven tot ten hoogste 10% van de in het bestemmingsplan aangegeven maten en percentages.

4. Vast staat dat het bouwwerk in strijd is met het bestemmingsplan, aangezien de maximale bouwhoogte wordt overschreden. Teneinde het bouwwerk te legaliseren, heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo, omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college gebruik heeft kunnen maken van de afwijkingsbevoegdheid van het bestemingsplan, terwijl het bestemmingsplan pas recent in werking is getreden.

5.1. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college onrechtmatig heeft gehandeld door binnen zes maanden na de vaststelling van het bestemmingsplan omgevingsvergunning aan [belanghebbende] te verlenen, terwijl het college op dat moment reeds op de hoogte was van de aanvraag voor omgevingsvergunning, faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak 2 februari 2011, zaak nr. 201004810/1/H1) kan de inhoud van het bestemmingsplan, noch de omstandigheid dat het een recent bestemmingsplan betreft, afdoen aan de aan het college toekomende bevoegdheid van dat bestemmingsplan af te wijken. Aan het college kwam de bevoegdheid toe omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Anders dan [appellant] betoogt, is van onrechtmatig handelen door het college geen sprake.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid van het bestemmingsplan heeft kunnen afwijken. Daartoe voert hij aan dat het college door de onjuiste toepassing van het peil van een onjuiste omvang van de afwijking van het bijgebouw is uitgegaan, dat met de omgevingsvergunning een nog verdergaande afwijking van het bestemmingsplan wordt vergund dan met de bouwvergunning en dat de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte alleen ziet op 35 cm extra bovenop de reeds vergunde 5,5 m van het bijgebouw. Ten slotte betoogt [appellant] dat het bijgebouw tot een onaanvaardbare beperking van het gebruik van de aangrenzende gronden leidt, het zicht op de achterliggende landschappelijk waardevolle gronden ontneemt en zijn woon- en leefgenot beperkt.

6.1. Wat betreft het vaststellen van het peil voor het bepalen van de hoogte van het bijgebouw wordt ingevolge artikel 2.4. van de planregels de bouwhoogte gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 1.69 van de planregels is voor het peil bepalend:

a. indien op het land wordt gebouwd:

1. Voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

2. Voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.

b. indien op het water wordt gebouwd: de hoogte van de waterlijn.

6.2. Het bijgebouw staat op het achterste deel van het perceel en de hoofdtoegang grenst niet direct aan de weg. Ter zitting heeft [belanghebbende] verklaard dat het perceel in 1971 bij de bouw van de woning is opgehoogd. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college met toepassing van artikel 1.69, onder a, tweede lid, van de planregels, van het juiste peil is uitgegaan. Gelet op de tekst van deze bepaling is het peil gelegen ter hoogte van het opgehoogde grondvlak vóór de hoofdtoegang van het op te richten bouwwerk, het bijgebouw. Nu het bestemmingsplan geen nadere regels aan het begrip peil heeft verbonden, sluit artikel 1.69 van de planregels, anders dan [appellant] betoogt, niet uit dat het terrein wordt opgehoogd.

Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank voorts terecht overwogen dat het college, uitgaande van de reeds vergunde en gebouwde hoogte van het bijgebouw van 5,5 m, omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor de overschrijding van 35 cm en dat de ruimtelijke onderbouwing enkel betrekking heeft op de ‘extra’ 35 cm. Voorts leidt hetgeen [appellant] heeft betoogd over de onaanvaardbare beperking van het gebruik van de aangrenzende gronden, het zicht op de achterliggende landschappelijk waardevolle gronden en beperking van zijn woon- en leefgenot, niet tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt in de laatste plaats dat de rechtbank heeft miskend dat het college en de welstandscommissie in haar advies van 9 oktober 2012 (hierna: welstandsadvies) ten onrechte hebben overwogen dat sprake is van een wijziging van ondergeschikte betekenis.

7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, (uitspraak van 3 oktober 2012 in zaak nr. 201202738/1/A1), mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met redelijke eisen van welstand of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

7.2. Anders dan [appellant] betoogt, komt de welstandscommissie niet toe aan de toetsing van de omvang van het bouwplan. De welstandscommissie toetst het bouwplan aan de hand van de criteria in de welstandsnota aan redelijke eisen van welstand en heeft zich daarbij in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt, dan wel, indien het bouwplan daarvan afwijkt, die waaraan het college planologische medewerking wenst te verlenen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft het college het welstandsadvies aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag kunnen leggen.

Het betoog faalt.

8. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Borman w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2015

270-828.