Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2950

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-09-2015
Datum publicatie
16-09-2015
Zaaknummer
201309510/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2013:2768, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 21 juni 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister) de vreemdelingen opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: de terugkeerbesluiten) en tegen hen een inreisverbod uitgevaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309510/1/V2.

Datum uitspraak: 10 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdelingen],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 13 september 2013 in zaken nrs. 12/32275, 12/32276, 12/32277, 12/32278, 12/32279, 12/20859, 12/20860, 12/20861, 12/20862 en 12/20891 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 21 juni 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister) de vreemdelingen opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: de terugkeerbesluiten) en tegen hen een inreisverbod uitgevaardigd. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij onderscheiden besluiten van 26 september 2012 heeft de minister aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en hun opgedragen Nederland binnen vier weken te verlaten. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 13 september 2013 heeft de rechtbank het door de vreemdelingen ingestelde beroep tegen de afwijzingen van de aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel en de inreisverboden ongegrond verklaard en het beroep gericht tegen de terugkeerbesluiten van 21 juni 2012 niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. R.J.J. Flantua, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben de vreemdelingen zich nader uitgelaten.

Bij brieven van 7 november 2013 en 29 januari 2014 heeft de staatssecretaris de vreemdelingen opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en tegen hen een inreisverbod uitgevaardigd. Deze brieven zijn aangehecht.

Het hiertegen door de vreemdelingen bij de rechtbank ingestelde beroep heeft de rechtbank doorgezonden aan de Afdeling. Het beroepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet moet het hoger beroep geacht worden mede een beroep tegen de in de brieven van 7 november 2013 respectievelijk 29 januari 2014 vervatte opdracht dat de vreemdelingen de Europese Unie onmiddellijk dienen te verlaten te omvatten. Hiermee zijn echter geen andere, verderstrekkende, rechtsgevolgen ingetreden dan met de eerder tegen de vreemdelingen uitgevaardigde terugkeerbesluiten van 26 september 2012, nu de staatssecretaris daarmee niet eerdere aan de vreemdelingen gestelde vertrektermijnen heeft verkort. Die mededelingen kunnen derhalve niet worden aangemerkt als terugkeerbesluiten (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2012 in zaak nr. 201203301/1/V3 en de uitspraak van 28 november 2013 in zaak nr. 201209174/1/V2). Gelet hierop zijn de mededelingen dat de vreemdelingen de Europese Unie onmiddellijk dienen te verlaten geen besluiten als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb waartegen ingevolge artikel 8:1, eerste lid van de Awb beroep kon worden ingesteld. De Afdeling is derhalve kennelijk onbevoegd in zoverre van het beroep kennis te nemen.

4. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 20 juni 2013 in zaak nr. 201210774/1/V3, heeft het ontstaan van rechtmatig verblijf hangende een asielaanvraag tot gevolg dat de werking van een eerder uitgevaardigd inreisverbod tijdelijk wordt opgeschort. Zodra bij afwijzing van de asielaanvraag een nieuw terugkeerbesluit - waarin opnieuw is vastgesteld dat het verblijf van de vreemdeling illegaal is of illegaal wordt verklaard - wordt genomen, herleeft het eerder uitgevaardigde inreisverbod. Uitvaardiging van een nieuw inreisverbod met dezelfde duur als het eerdere inreisverbod is, gelet op de herleving van het eerdere inreisverbod, niet op rechtsgevolg gericht.

De staatssecretaris heeft eerder op 21 juni 2012 bij onderscheiden besluiten aan de vreemdelingen inreisverboden van twee jaren opgelegd. De werking van die inreisverboden is door de door de vreemdelingen nadien ingediende asielaanvragen tijdelijk opgeschort. Nu de staatssecretaris deze asielaanvragen bij besluiten van 26 september 2012 heeft afgewezen, zijn de inreisverboden van 21 juni 2012 herleefd. Gelet hierop en nu de bij brieven van 7 november 2013 respectievelijk 29 januari 2014 uitgevaardigde inreisverboden van dezelfde duur zijn als de eerdere inreisverboden, zijn de inreisverboden van 7 november 2013 respectievelijk 29 januari 2014 niet op rechtsgevolg gericht en om die reden niet aan te merken als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb waartegen ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb beroep kon worden ingesteld. De Afdeling is derhalve ook in zoverre kennelijk onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen de mededelingen van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 7 november 2013 en 29 januari 2014.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van Loon

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2015

664.