Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2923

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-09-2015
Datum publicatie
16-09-2015
Zaaknummer
201500516/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 november 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, [locatie 1] en [locatie 2] Klijndijk" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500516/1/R4.

Datum uitspraak: 16 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Klijndijk, gemeente Borger-Odoorn,

en

de raad van de gemeente Borger-Odoorn,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, [locatie 1] en [locatie 2] Klijndijk" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juli 2015, waar [appellant], in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door N.B. Harmsen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is als partij gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en G. Eising.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan maakt uitbreiding mogelijk van het [belanghebbende], gevestigd op het perceel [locatie 2] te Klijndijk. Het plan voorziet in mogelijkheden voor ongeveer 2.000 m² aan nieuwe bedrijfsbebouwing, bestaande uit twee nieuwe loodsen en een showroom. Aan deze gronden zijn de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - mechanisatiebedrijf" toegekend. Verder wordt ter plaatse een demonstratieterrein mogelijk gemaakt, waaraan de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - demonstratieterrein" zijn toegekend. Het plan voorziet voorts in een bedrijfsbestemming voor de meubelmakerij aan de [locatie 1].

Omvang van het geding

3. [appellant] woont op het perceel [locatie 3]. Het plangebied is daaromheen gelegen. Het beroep van [appellant] is gericht tegen de uitbreiding van het mechanisatiebedrijf aan de [locatie 2]. Ter zitting heeft [appellant] toegelicht dat zijn beroep zich niet richt tegen de bedrijfsbestemming voor de bestaande meubelmakerij aan de [locatie 1].

Akoestisch onderzoek

4. [appellant] voert aan dat de uitbreiding van het mechanisatiebedrijf leidt tot geluidsoverlast met als gevolg een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Hij voert aan dat de raad niet heeft kunnen uitgaan van het aan het plan ten grondslag gelegde akoestisch onderzoek, neergelegd in het rapport "Akoestisch onderbouwing Bestemmingsplanwijziging [locatie 2] te Klijndijk" van Kraaij Adviesbureau van 28 maart 2014 (hierna: het akoestisch rapport) en het aanvullend onderzoek van deze deskundige van 3 september 2014 (hierna: het aanvullend rapport). Daartoe stelt hij dat dit onderzoek ten onrechte uitgaat van het omgevingstype ‘gemengd gebied’ in de zin van de handreiking "Bedrijven en Milieuzonering, editie 2009, van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten" (hierna: VNG-handreiking). Het akoestisch onderzoek richt zich volgens [appellant] alleen op de activiteiten ter plaatse van de loodsen en de showroom en niet op de activiteiten op het demonstratieterrein en evenmin op andere activiteiten die in de buitenlucht plaatsvinden, zoals de verkeersbewegingen op de erfverharding. Voorts is in het akoestisch rapport volgens [appellant] ten onrechte ervan uitgegaan dat in de nieuwe bedrijfsgebouwen alleen stallingsactiviteiten zullen plaatsvinden, terwijl deze gebouwen volgens hem ook voor andere bedrijfsmatige activiteiten zullen worden aangewend. Ook gaat het akoestisch onderzoek ten onrechte ervan uit dat de werkzaamheden alleen plaatsvinden tussen 08:00 uur en 17:00 uur, terwijl ook bedrijfsactiviteiten plaatsvinden na 17:00 uur, aldus [appellant]. Ten slotte stelt [appellant] dat het akoestisch onderzoek onvoldoende rekening houdt met de toename van het verkeer van en naar het bedrijf door de voorziene uitbreiding.

4.1. De raad heeft voor de in het plan voorziene bedrijfsactiviteiten willen aansluiten bij de richtafstanden in de VNG-handreiking. Omdat niet wordt voldaan aan de richtafstand voor geluid, heeft de raad een akoestisch onderzoek laten verrichten. De raad stelt dat voor het berekenen van de geluidbelasting is uitgegaan van de representatieve bedrijfssituatie zoals deze is opgegeven door de initiatiefnemer. De raad stelt dat het akoestisch onderzoek zorgvuldig en op de juiste wijze tot stand is gekomen.

4.2. In paragraaf 4.8 van de plantoelichting is vermeld dat de raad bij de beoordeling van het plan en de daarin aan te houden afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies gebruik heeft gemaakt van de VNG-handreiking. Het mechanisatiebedrijf valt onder milieucategorie 3.1 op grond van de VNG-handreiking. In de plantoelichting is verder vermeld dat de raad zich op het standpunt stelt dat sprake is van een gemengd gebied en dat daarom de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. Dat betekent dat voor het mechanisatiebedrijf de volgende richtafstanden worden aangehouden: 10 meter voor het aspect geur, 0 meter voor het aspect stof, 30 meter voor het aspect geluid en 0 meter voor het aspect gevaar. Verder is in de plantoelichting vermeld dat de woning van [appellant] in de toekomstige situatie op minimaal 25 meter afstand ligt van het deel van het bedrijfsperceel van het mechanisatiebedrijf waar ook de bedrijfsactiviteiten zullen plaatsvinden. Gelet hierop wordt volgens de plantoelichting voldaan aan de richtafstanden voor de aspecten geur, stof en gevaar. Omdat niet is voldaan aan de richtafstand voor het aspect geluid, is volgens de plantoelichting nader akoestisch onderzoek verricht om te bezien of ook akoestisch gezien geen belemmering aanwezig is voor de beoogde uitbreiding. Op basis van dit onderzoek is geconcludeerd dat wordt voldaan aan de geluidrichtlijnen, aldus de plantoelichting.

4.3. In het akoestisch rapport en het aanvullend rapport is vermeld dat een berekening van de geluidbelasting is uitgevoerd naar aanleiding van een bestemmingsplanwijziging voor de [locatie 2] in Klijndijk. Het onderzoek heeft zich gericht op de berekening van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau vanwege de uitbreiding van het bedrijf met twee opslag- dan wel stallingloodsen en een showroom. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bedraagt volgens het onderzoek 49 dB(A) etmaalwaarde ter plaatse van de woning van [appellant]. Op de andere omliggende woningen is het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau 42 dB(A) etmaalwaarde of lager. Het maximale geluidniveau bedraagt volgens beide rapporten ten hoogste 65 dB(A) op de woning van [appellant] vanwege het rijden met landbouwmaterieel. Hiermee wordt volgens beide rapporten voldaan aan de geluidrichtlijnen uit de VNG-handreiking.

Voertuigen worden, zodra ze de inrichting hebben verlaten, direct opgenomen in het heersend verkeersbeeld. Toetsing aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) is volgens beide rapporten dan ook niet noodzakelijk.

4.4. Over het betoog van [appellant] dat het akoestisch rapport ten onrechte uitgaat van omgevingstype gemengd gebied overweegt de Afdeling het volgende.

Blijkens de VNG-handreiking wordt onder ‘gemengd gebied’ verstaan een gebied met een matige tot sterke functievermenging waarbij direct naast woningen andere functies voorkomen, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Dit begrip wordt gebruikt om richtafstanden aan te geven tussen een bedrijventerrein of bedrijfslocatie en een gebied met een variatie aan functies, zoals wonen, horeca en kleine bedrijvigheid. Indien de omgeving is aan te merken als gemengd gebied, kunnen de richtafstanden volgens de VNG-handreiking met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.

De raad heeft toegelicht dat het plangebied zich bevindt aan de doorgaande weg tussen de kernen Odoorn en Klijndijk. In de uitloop van deze kernen is ter hoogte van het plangebied sprake van een zodanige verdichting van bebouwing dat volgens de raad gesproken kan worden van lintbebouwing. In de directe nabijheid van het plangebied aan de Hoofdweg bevinden zich onder andere een landbouwbedrijf, een aspergekwekerij, een houthandel, een praktijk voor orthopedagogiek, een bloemenkwekerij en een metaalverwerkingsbedrijf. [appellant] heeft dit niet gemotiveerd betwist. Gelet op het voorgaande geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel de raad de omgeving ten onrechte heeft aangemerkt als gemengd gebied.

4.5. Over de beroepsgrond van [appellant] dat het akoestisch onderzoek zich alleen richt op de loodsen en de showroom en niet op het demonstratieterrein, overweegt de Afdeling dat in het aanvullend rapport ten opzichte van het akoestisch rapport als aanvulling het geluid afkomstig van het demonstratieterrein is meegewogen, zodat dit betoog feitelijke grondslag mist.

4.6. Over het betoog van [appellant] dat het akoestisch onderzoek geen rekening houdt met overige activiteiten in de buitenlucht en activiteiten naast stallingsactiviteiten in de nieuwe bedrijfsloodsen alsmede activiteiten die plaatsvinden na 17:00 uur, overweegt de Afdeling het volgende.

In het akoestisch onderzoek staat dat bij het bepalen van de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting als gevolg van de uitbreiding van het mechanisatiebedrijf is uitgegaan van de representatieve bedrijfssituatie. In het akoestisch rapport is onder paragraaf 4 "Beschrijving activiteiten" vermeld dat de werkzaamheden plaatsvinden tussen 08:00 uur en 17:00 uur en dat ten behoeve van de verkoop van materieel en materiaal per dag ongeveer vijftien bezoekers komen, zodat gerekend is met vijftien personenauto’s per dag aan verkeer. Tevens komt voor de levering van materieel en materiaal gemiddeld één vrachtwagen per week, die op het buitenterrein wordt gelost. Hierbij zal het materieel op eigen motor naar de loods/showroom rijden. Het laden en lossen neemt vijftien minuten in beslag. Daarnaast wordt rekening gehouden met het rijden van vijf landbouwvoertuigen in de dagperiode. In het aanvullend rapport is bovendien vermeld dat op het buitenterrein regelmatig demonstraties plaatsvinden van gazonmaaiers en dat ingebouwde GPS apparatuur wordt ingeregeld gedurende 0,5 uur in de dagperiode.

4.6.1. Ter zitting heeft [belanghebbende] in reactie op de stelling van [appellant] dat er activiteiten na 17:00 uur plaatsvinden, toegelicht dat bij storing aan een machine sporadisch reparatiewerkzaamheden na 17:00 uur zullen plaatsvinden, maar dat dit niet gangbaar is. Voorts wordt in de avond nu en dan het gras gemaaid, maar in die periode vinden verder geen bedrijfsactiviteiten plaats, aldus [belanghebbende]. Verder heeft de raad er op gewezen dat het geluid van bedrijfsactiviteiten afkomstig zal zijn van de locaties waar zich nu een veenschuur en sleufsilo’s bevinden en waar op grond van het vorige plan ook bedrijfsmatige activiteiten waren toegestaan en dat dit betekent dat geen sprake is van een onaanvaardbare toename van de geluidbelasting. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

4.7. Over het betoog van [appellant] dat door de uitbreiding van het bedrijf sprake is van een toename van inrichtingsgebonden verkeer, is door de raad toegelicht dat de Hoofdweg een prognose heeft van 5419 motorvoertuigen per etmaal in het jaar 2020 en dat, gezien het verwachte bestemmingsverkeer in het mechanisatiebedrijf zoals weergegeven in het akoestisch rapport, het bestemmingsverkeer van het mechanisatiebedrijf niet akoestisch herkenbaar is ten opzichte van het verkeer op de Hoofdweg. Verder is in het akoestisch rapport vermeld dat voertuigen zodra zij het mechanisatiebedrijf verlaten, direct worden opgenomen in het heersend verkeersbeeld. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat bij de beoordeling van de geluidbelasting onvoldoende rekening is gehouden met de toename van het verkeer van en naar het bedrijf als gevolg van de voorziene uitbreiding.

4.8. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad zich niet in redelijkheid op de uitkomsten daarvan heeft kunnen baseren. Onder genoemde omstandigheden heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan vanwege het aspect geluid niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant].

Grootschaligheid en karakter bedrijfsactiviteiten en alternatieve locatie

5. [appellant] betoogt dat het mechanisatiebedrijf gezien de grootschaligheid van zijn activiteiten en zijn ligging niet meer past in het landelijk gebied. Hij stelt dat het bedrijf beter past in stedelijk gebied, bijvoorbeeld op een bedrijventerrein. In dat kader voert hij onder meer aan dat het mechanisatiebedrijf ook detailhandel in niet-agrarische goederen verricht. Volgens hem is door de raad onvoldoende onderzocht of het bedrijf op een dergelijke locatie kan worden gevestigd.

5.1. De raad stelt dat het mechanisatiebedrijf al sinds de jaren ‘80 van de vorige eeuw aan de [locatie 2] is gesitueerd en dit bedrijf, gezien zijn activiteiten, in het landelijk gebied past. De raad stelt verder dat alternatieve locaties zijn onderzocht en dat is gebleken dat verplaatsing van het mechanisatiebedrijf niet wenselijk is.

5.2. Over het betoog van [appellant] dat het bedrijf beter past in stedelijk gebied en dit door de raad onvoldoende is onderzocht, overweegt de Afdeling het volgende.

5.3. In paragraaf 1.1 van de plantoelichting is vermeld dat het mechanisatiebedrijf al enige tijd kampt met ruimtegebrek. De machines die het bedrijf verkoopt en repareert zijn door de jaren heen steeds groter geworden. Hierdoor komen steeds meer machines buiten te staan. Door de weersomstandigheden verouderen deze machines snel, wat een negatieve bedrijfseconomische uitwerking heeft. Grote machines moeten soms op het bedrijfsterrein gemonteerd en gerepareerd worden omdat ze te groot zijn voor de huidige werkplaats. Dit is onwenselijk voor het welzijn van de monteurs. De huidige situatie is vanuit bedrijfseconomisch en arbotechnisch oogpunt volgens de plantoelichting gelet op voornoemde redenen niet gewenst.

Voorts is in paragraaf 2.4 van de plantoelichting vermeld dat het gebied is te omschrijven als agrarisch en dat de bebouwing zich kenmerkt door zowel de aanwezigheid van woningen als van bedrijven op agrarische grondslag. Verder is vermeld dat een landbouwmechanisatiebedrijf een bedrijf is gericht op het repareren en onderhouden van landbouwwerktuigen en landbouwmachines, waaronder tractoren en maaimachines, als servicefunctie voor de agrarische bedrijven in de omliggende regio, met daaraan verbonden verkoop van die producten en daarbij behorende onderdelen. [belanghebbende] voert volgens de plantoelichting ondersteunende werkzaamheden uit binnen elke tak van de agrarische sector. Functioneel gezien past een dergelijk bedrijf binnen deze omgeving. Dit was ook de belangrijkste reden waarom in 1989 is toegestaan om de bestemming van het perceel waarop het bedrijf is gevestigd te wijzigen van een agrarische bestemming naar een bedrijfsbestemming, aldus de plantoelichting.

5.4. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in de afweging te worden meegenomen. Uit de plantoelichting volgt dat de raad de voor- en nadelen van de vestiging op een bedrijventerrein in de besluitvorming heeft betrokken. Op het bedrijventerrein te Tweede Exloërmond is al een landbouwmechanisatiebedrijf aanwezig. Vestiging van een tweede mechanisatiebedrijf zou ertoe kunnen leiden dat het bestaan van beide bedrijven in gevaar zou kunnen komen, met als gevolg negatieve effecten voor de werkgelegenheid. Vestiging op het bedrijventerrein Borger is volgens de plantoelichting evenmin bespreekbaar. Een landbouwmechanisatiebedrijf dient goed bereikbaar te zijn voor landbouwtractoren en overig groot landbouwmaterieel. Het bedrijventerrein te Borger is voor landbouwvoertuigen goed bereikbaar vanuit de richtingen Rolde en Schoonloo, maar landbouwverkeer vanuit Gasselte, zal door het centrum van Borger moeten rijden, wat vanuit verkeerstechnisch oogpunt bezien een ongewenste situatie is. De plantoelichting vermeldt ten slotte dat verplaatsing van het landbouwmechanisatiebedrijf is aan te merken als een zeer grote vorm van kapitaalvernietiging.

Gelet op het voorgaande heeft de raad voldoende inzicht geboden in zijn afweging omtrent de voor- en nadelen van vestiging van het mechanisatiebedrijf op een alternatieve locatie. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad gelet daarop niet in redelijkheid ervoor heeft kunnen kiezen om uitbreiding van het mechanisatiebedrijf op de huidige locatie mogelijk te maken. De enkele omstandigheid dat ter plaatse ook detailhandel in niet-agrarische goederen plaatsvindt, betekent niet dat aan het belang van bereikbaarheid van de locatie voor groot landbouwmaterieel geen gewicht kan worden toegekend. Het betoog faalt.

Toegangsweg

6. [appellant] voert aan dat de raad niet heeft gewaarborgd dat de bestaande toegangsweg alleen nog gebruikt zal worden om de bedrijfswoning te bereiken. Verder stelt hij dat de nieuwe toegangsweg vlak langs zijn paardenbak loopt, waardoor deze paardenbak niet meer kan worden gebruikt vanwege mogelijk schrikgevaar voor de paarden.

6.1. De raad stelt dat de huidige toegangsweg naar het mechanisatiebedrijf op een afstand van ongeveer 6 meter van de woning van [appellant] ligt. Verder is deze toegangsweg smal en voor groot materieel slecht toegankelijk. De nieuwe toegangsweg zal op een afstand van ongeveer 25 meter van de woning van [appellant] worden voorzien. Deze toegangsweg zal breder worden, zodat het voor het verkeer naar het mechanisatiebedrijf veiliger is om te komen en te gaan.

6.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder f, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden onder meer bestemd voor verkeersdoeleinden in de vorm van ontsluitingswegen, paden, parkeervoorzieningen, waarbij tevens geldt dat de bedrijfsontsluiting ten behoeve van het mechanisatiebedrijf plaatsvindt ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bedrijfstoegangsweg".

Aan de gronden waarop de nieuwe toegangsweg is aangelegd, is de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bedrijfstoegangsweg" toegekend. De voorheen als toegangsweg tot het bedrijf gebruikte gronden zijn niet aldus aangeduid.

Blijkens de verbeelding, in samenhang bezien met artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder f, van de planregels is ontsluiting van het bedrijfsverkeer voor het mechanisatiebedrijf daarom alleen mogelijk ter plaatse van de nieuwe toegangsweg.

6.3. Voor zover [appellant] stelt dat het plan niet waarborgt dat dit bedrijfsverkeer geen gebruik zal maken van de huidige toegangsweg, overweegt de Afdeling dat dit een kwestie van handhaving betreft, hetgeen in deze procedure niet aan de orde kan komen. Het betoog faalt.

Voor zover [appellant] stelt dat het plan geen rekening houdt met mogelijk schrikgevaar voor zijn paarden, overweegt de Afdeling dat tussen de nieuwe toegangsweg en de paardenbak gronden zijn gelegen met daarop een bestaande groensingel. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de paarden zullen schrikken van het verkeer op de toegangsweg, te meer nu de paardenbak in de directe nabijheid van de Hoofdweg is gesitueerd. Het betoog faalt.

Lichthinder

7. [appellant] betoogt dat het plan leidt tot onaanvaardbare lichthinder in de nachtperiode.

7.1. In de plantoelichting is in paragraaf 4.8 vermeld dat de activiteiten in het plangebied in hoofdzaak gedurende de dag plaatsvinden. Daarnaast wordt het grootste deel van de werkzaamheden binnen uitgevoerd. De verlichting van het bedrijfsterrein wordt bij de verdere planvorming uitgewerkt. Daarbij wordt rekening gehouden met wettelijke richtlijnen om onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen. Voorts is blijkens de verbeelding en het "ruimtelijke kwaliteitsplan [locatie 2] Klijndijk" (hierna: het ruimtelijke kwaliteitsplan) op de grens van het perceel van [appellant] en het terrein van het mechanisatiebedrijf, waar de toegangsweg loopt en de bedrijfsactiviteiten zullen plaatsvinden, een bestaande groenhaag gesitueerd. [appellant] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat ten gevolge van het plan onaanvaardbare lichthinder zal optreden. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot ernstige lichthinder voor [appellant].

Uitzicht

8. [appellant] voert aan dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van zijn uitzicht over de Es.

8.1. De Afdeling overweegt dat geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht. Aan het perceel van het mechanisatiebedrijf zijn blijkens de verbeelding drie bouwvlakken zijn toegekend, waarvan één bouwvlak de bestaande bedrijfswoning naast de woning van [appellant] betreft. De overige twee bouwvlakken, waarop de nieuwe bedrijfsbebouwing is voorzien, liggen op een afstand van ongeveer 44 onderscheidenlijk 47 meter van de woning van [appellant]. Voorts is tussen deze beide bouwvlakken en de woning van [appellant] een bestaande groenhaag gesitueerd, waarmee de bedrijfspanden gedeeltelijk aan het zicht van [appellant] worden onttrokken. Gelet hierop en gezien de afstand van de woning van [appellant] tot de voorziene bedrijfsbebouwing bestaat geen grond voor het oordeel dat de realisatie van de nieuwe bedrijfspanden van het mechanisatiebedrijf leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het uitzicht van [appellant]. Het betoog faalt.

Planschade

9. [appellant] voert aan dat het plan leidt tot waardevermindering van zijn woning.

9.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Het betoog faalt. Voor zover [appellant] planschade vreest als gevolg van het plan overweegt de Afdeling dat de raad in dit verband terecht heeft gewezen op de mogelijkheid om op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening een aanvraag om tegemoetkoming in de planschade in te dienen.

Voor zover [appellant] met zijn verwijzing naar mogelijke planschade heeft beoogd de uitvoerbaarheid te betwisten, overweegt de Afdeling dat uit pagina 56 van de plantoelichting volgt dat de gemeente met de initiatiefnemer een planschadeverhaalovereenkomst heeft gesloten, van welke overeenkomst de raad een kopie als bijlage heeft overgelegd. [appellant] heeft in dit verband geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven aan de financieel-economische uitvoerbaarheid te twijfelen. Het betoog faalt.

Zienswijze

10. [appellant] betoogt dat de raad in reactie op zijn zienswijze niet is ingegaan op een aantal van zijn bezwaren.

10.1. Artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht verzet zich er niet tegen dat de raad zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Conclusie en proceskosten

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, griffier.

w.g. Kramer w.g. Van Steenbergen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2015

528-817.