Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2915

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-09-2015
Datum publicatie
16-09-2015
Zaaknummer
201500422/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 oktober 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Emerald 2014" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/961
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500422/1/R4.

Datum uitspraak: 16 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Delfgauw, gemeente Pijnacker-Nootdorp,

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Delfgauw, gemeente Pijnacker-Nootdorp,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Emerald 2014" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juli 2015, waar [appellant sub 2] en anderen, in de persoon van [gemachtigden], bijgestaan door mr. J. Hiemstra, advocaat te Delft, en de raad, vertegenwoordigd door R. van den Bosch en R. Broekhuijzen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Verder is als partij gehoord [partij].

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Eerdere procedure

2. In de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2014, in zaak nr. 201308058/1/R4, heeft de Afdeling het besluit van de raad van 30 mei 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Emerald" (hierna: het oorspronkelijke plan) vernietigd voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen - 1" dat betrekking heeft op het perceel aan de [locatie 1]. Tevens heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen twintig weken na verzending van die uitspraak een nieuw besluit te nemen ten aanzien van dat plandeel. De Afdeling heeft daarbij erop gewezen dat dit nieuw te nemen besluit desgewenst niet beperkt hoeft te blijven tot het perceel [locatie 1] en dat dit nieuwe besluit niet behoeft te worden voorbereid overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

De Afdeling kwam tot deze gedeeltelijke vernietiging omdat ter zitting naar voren was gekomen dat de raad zijn beslissing om af te zien van een afwijkingsbevoegdheid voor het realiseren van een dakopbouw voor de [locatie 1] uitsluitend had gebaseerd op de veronderstelling dat bewoners van de Tijdemanhove niet bereid waren om in te stemmen met de voorwaarde van het aangaan van een planschadevergoedingsovereenkomst. De Afdeling achtte deze omstandigheid geen dragende reden om af te zien van het opnemen van de afwijkingsbevoegdheid in het oorspronkelijke plan, omdat het niet verplicht is om gebruik te maken van een afwijkingsbevoegdheid. Naar het oordeel van de Afdeling had de raad dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom het oorspronkelijke plan ter plaatse niet in een afwijkingsbevoegdheid voor een dakopbouw kon voorzien.

Het plan

3. De raad heeft het plan ter voldoening aan de genoemde uitspraak vastgesteld. Het plan voorziet in een afwijkingsbevoegdheid voor een dakopbouw ten behoeve van de percelen [locaties] te Delfgauw.

Het beroep

4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen zijn woonachtig aan de Witmolen en de Pauwmolen. Deze straten bevinden zich in de directe nabijheid van het plangebied. Zij kunnen zich niet verenigen met de in artikel 3, lid 3.2, onder a, opgenomen afwijkingsbevoegdheid voor het bouwen van een dakopbouw. Zij voeren hiertoe het volgende aan.

5. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen stellen dat de raad in kennis is gesteld van een aanbiedingsnota op grond waarvan hij het plan heeft vastgesteld. De aanduiding "wetgevingszone - afwijkingsgebied 4", waarmee het mogelijk wordt gemaakt om met een omgevingsvergunning een derde bouwlaag door middel van een dakopbouw op de woning te realiseren, is op de verbeelding in de aanbiedingsnota ruim 10 m² kleiner dan dezelfde aanduiding op de vastgestelde verbeelding. Zij stellen dan ook dat de verbeelding afwijkt van de bedoeling van de raad.

5.1. De raad stelt dat de maatvoering van de aanduiding "wetgevingszone - afwijkingsgebied 4" is gebaseerd op een bouwplan dat is ingediend door bewoners van woningen aan de Tijdemanhove. De raad wijst erop dat gelet op dit bouwplan de afstand van de dakopbouwen tot de achtergevel ten minste 1,70 m moet bedragen en dat dit ruimer op de verbeelding is weergegeven. De raad verzoekt de Afdeling daarom zelf in de zaak te voorzien door op de verbeelding de aanduiding "wetgevingszone - afwijkingsgebied 4" zo te situeren dat deze in overeenstemming is met de afmetingen van de dakopbouw conform het genoemde bouwplan.

5.2. Nu de raad in zoverre erkent dat het plan meer mogelijk maakt dan hij heeft bedoeld, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

6. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat de raad bij de totstandkoming van het oorspronkelijke plan, vastgesteld op 30 mei 2013, naast het aspect planschade ook andere redenen had om geen dakopbouwen op de Tijdemanhove toe te staan. Volgens hen heeft de raad bij de zitting in het kader van de procedure tegen het oorspronkelijke plan ten onrechte naar voren gebracht dat de enige reden om geen dakopbouwen toe te staan was gelegen in het planschadeaspect. Zij wijzen in dat kader op het verslag van de raadsvergadering van 30 mei 2013. Uit dit verslag komt naar voren dat ook andere argumenten, waaronder de aantasting van het woongenot van de bewoners aan de Witmolen en de omstandigheid dat het niet bevorderlijk is voor de sociale cohesie tussen de bewoners, ten grondslag lagen aan het niet toestaan van dakopbouwen op de woningen aan de Tijdemanhove.

6.1. De Afdeling stelt voorop dat het onderhavige beroep zich richt tegen het plan dat is vastgesteld op 30 oktober 2014. Met dit plan heeft de raad ervoor gekozen om wel te voorzien in een regeling voor dakopbouwen. Wat er ook zij van de argumenten van de raad om geen dakopbouwen op de Tijdemanhove toe te staan ten tijde van de vaststelling van het oorspronkelijke plan, de Afdeling stelt voorop dat het oorspronkelijke plan een ander besluit betreft dan het bestreden plan en in zoverre buiten de omvang van dit geding valt.

7. [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat het plan in strijd is met artikel 3.1.6, eerste lid, onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Zij stellen dat een toelichting voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan geheel ontbreekt en dat geen sprake is van een ruimtelijke onderbouwing van de gemaakte keuzes.

7.1. Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, onder a, van het Bro, gaat een bestemmingsplan vergezeld van een toelichting, waarin een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen is neergelegd. De Afdeling stelt voorop dat uit artikel 3.1.6, eerste lid, onder a, van het Bro geen plicht voortvloeit om in de plantoelichting een uitputtende verantwoording voor de gemaakte keuzes op te nemen. Voor de onderbouwing van de gemaakte planologische keuzes verwijst de plantoelichting naar de plantoelichting van het oorspronkelijke plan. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat dit leidt tot strijd met artikel 3.1.6, eerste lid, onder a, van het Bro, aangezien het onderhavige plan een wijziging van een klein onderdeel van dat bestemmingsplan betreft. Het betoog faalt.

8. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen stellen dat het toestaan van dakopbouwen op de Tijdemanhove niet past binnen de stedenbouwkundige opzet van het onderhavige deel van de wijk Emerald. [appellant sub 2] en anderen verwijzen ter onderbouwing van dit standpunt naar het document ‘bestemmingsplan bouwlocatie Delfgauw, uitwerking deelplan 1a’, waarin deze stedenbouwkundige opzet is weergegeven.

8.1. De raad stelt dat de dakopbouwen geen afbreuk doen aan de stedenbouwkundige opzet van de wijk Emerald.

8.2. Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van het uitwerkingsplan "Bouwlocatie Delfgauw, uitwerking deelplan 1A", vastgesteld op 2 juni 1998, geen medewerking werd verleend aan een derde bouwlaag. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. De raad heeft ervoor gekozen om dakopbouwen toe te staan omdat sinds de vaststelling van het genoemde uitwerkingsplan op meerdere plaatsen in de gemeente Pijnacker-Nootdorp door bewoners de wens is geuit een dakopbouw te realiseren omdat bij deze bewoners, gelet op de huidige woningmarkt, de wens bestaat hun woning uit te breiden in plaats van te verhuizen naar een andere, grotere woning. Dit motief om dakopbouwen toe te staan acht de Afdeling op zichzelf niet onredelijk.

Voor zover [appellant sub 2] en anderen hebben betoogd dat het plan niet past binnen de stedenbouwkundige opzet van de wijk, overweegt de Afdeling het volgende. De raad heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat bewoners van de Tijdemanhove een bouwplan hebben ingediend voor het oprichten van een dakopbouw en dit bouwplan door een gemeentelijk stedenbouwkundige is beoordeeld. Aan het niet toestaan van dakopbouwen aan de Tijdemanhove lag volgens de raad niet het argument ten grondslag om voldoende inval van zonlicht en daglichttoetreding voor de woningen aan de Witmolen te waarborgen, maar een verschil in woningtypologie en openbare ruimtebeleving tussen de buitenkant en de binnenkant van deze woningen. De raad stelt voorop dat door de dakopbouwen dit verschil in woningtypologie en openbare ruimtebeleving wordt versterkt. De raad wijst erop dat slechts sprake is van een ondergeschikte dakopbouw, die zowel aan de voor- als aan de achterzijde terug ligt ten opzichte van de oorspronkelijke hoofdmassa van het gebouw. De dakopbouwen zijn bovendien door hun materialisatie herkenbaar als latere toevoeging. Hierdoor blijft het complex als eenheid herkenbaar, aldus de raad. Voorts wordt volgens de raad door een gefaseerde ontwikkeling geen afbreuk gedaan aan de oorspronkelijke stedenbouwkundige opzet. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan past binnen de stedenbouwkundige opzet van de wijk. Dat de afwijkingsbevoegdheid ertoe kan leiden dat sommige woningen zullen worden voorzien van een dakopbouw en andere niet, is inherent aan de omstandigheid dat een bestemmingsplan in beginsel alleen ontwikkelingen mogelijk kan maken en er niet toe kan verplichten bepaalde ontwikkelingen te realiseren. De raad heeft hierin in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om de bestreden afwijkingsbevoegdheid niet op te nemen in het bestemmingsplan. Het betoog faalt.

9. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen stellen dat het toestaan van dakopbouwen op de Tijdemanhove in strijd is met de Nota Dakopbouwen, omdat deze nota alleen uitbreiding van een reeds bestaande derde woonlaag mogelijk maakt.

9.1. De raad stelt dat de Nota Dakopbouwen in dit geval niet van toepassing is, omdat die alleen geldt in gevallen waarbij reeds bebouwing aanwezig is op de woonlaag waarop de dakopbouw wordt gerealiseerd.

9.2. In de inleiding van de Nota Dakopbouwen staat onder meer het volgende:

"De laatste tijd komen er meer aanvragen voor dakopbouwen. Het gaat hier meestal om aanvragen voor het bebouwen van dakterrassen. Deze aanvragen moeten nu worden geweigerd omdat de bestemmingsplannen er niet in voorzien en de standaardvoorschriften daarvoor geen andere regeling kennen. Om mogelijk te maken dat aan planologisch aanvaardbare plannen medewerking kan worden verleend, is er behoefte aan een beleidskader dat hierin voorziet. In beginsel is het bestemmingsplan het instrument om dakopbouwen mogelijk te maken. Tot het moment dat de bestemmingsplannen in een regeling voor dakopbouwen voorzien, moet het beleidskader voorzien in een toetsingskader op basis waarvan concrete aanvragen kunnen worden getoetst en afgehandeld."

Voorts is op pagina 4 van de Nota Dakopbouwen vermeld dat dakopbouwen alleen worden toegestaan op bouwlagen waar al bebouwing aanwezig is en dat dakopbouwen er dus niet toe kunnen leiden dat nieuwe bouwlagen ontstaan. Verder is vermeld dat deze vorm van bebouwing niet binnen de reikwijdte van de Nota Dakopbouwen valt en dat deze vorm van bebouwing alleen kan worden afgewogen bij de opstelling dan wel de vaststelling van een bestemmingsplan.

9.3. Over het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen dat het plan in strijd is met de Nota Dakopbouwen, overweegt de Afdeling dat de Nota Dakopbouwen, gelet op hetgeen in 9.2 is weergegeven, niet van toepassing is bij vaststelling van bestemmingsplannen waarbij een afweging wordt gemaakt over het mogelijk maken van nieuwe bouwlagen, zoals thans aan de orde. Gelet hierop faalt het betoog.

10. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat bij realisatie van de dakopbouwen de achteruitgang in bezonning op hun percelen zodanig is, dat sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat. Ter onderbouwing van dit standpunt is door [appellant sub 2] en anderen een bezonningsstudie overgelegd, opgesteld door [appellant], één van de appellanten. [appellant sub 1] wijst voorts op het verlies aan privacy bij het toestaan van de dakopbouwen.

10.1. De raad stelt dat ter bepaling van de bezonningseffecten aangesloten is bij de bezonningsnorm uit de Nota Dakopbouwen. De raad stelt dat de afname aan zonuren niet zodanig is dat sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat voor de bewoners aan de Witmolen. Verder is volgens de raad geen sprake van een onaanvaardbare afname van de privacy.

10.2. Wat betreft de gestelde achteruitgang in bezonning overweegt de Afdeling het volgende. In het kader van de totstandkoming van het oorspronkelijke plan heeft de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) met een rapport van april 2013 advies uitgebracht over twee van elkaar afwijkende planschaderisicoanalyses over de mogelijkheid tot het realiseren van dakopbouwen op de woningen aan de Tijdemanhove. In het advies wordt verwezen naar de bezonningsstudie die is opgenomen in het rapport "Planschaderisicoanalyse inzake het voorontwerpbestemmingsplan Emerald dat de mogelijkheid biedt tot het realiseren van dakopbouwen op (bestaande) woningen" van Oranjewoud van 30 augustus 2012. In deze bezonningsstudie is volgens de voor dergelijke studies gebruikelijke methode een vergelijking gemaakt tussen de bestaande situatie en de nieuwe situatie op de data 21 maart, 21 juni en 21 september op de tijdstippen 09:00 uur, 13:00 uur en 17:00 uur. De raad heeft op basis van de bezonningsstudie in redelijkheid kunnen concluderen dat de zonlichttoetreding tot de tuinen van de woningen aan de Witmolen in de nieuwe situatie ten opzichte van de bestaande situatie geen grote verschillen kent. De bezonningsstudie opgesteld door [appellant] leidt de Afdeling niet tot een ander oordeel, reeds omdat die studie niet de juistheid van de studie van Oranjewoud betwist, maar tot doel heeft het totale aantal uren te berekenen waarin afname van bezonning plaatsvindt.

10.3. Ten aanzien van het gestelde verlies aan privacy overweegt de Afdeling dat de raad onweersproken heeft gesteld dat reeds in de bestaande situatie vanuit de woningen aan de Tijdemanhove zicht bestaat op dan wel in de woningen en tuinen aan de Witmolen. Gelet hierop en gelet op de ligging van het plangebied in een woonwijk ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het toestaan van de dakopbouwen zal leiden tot een onevenredige beperking van de privacy van de bewoners van de Witmolen.

10.4. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat.

11. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen stellen dat als gevolg van de dakopbouwen de door hen ondervonden planschade hoger zal uitvallen dan 2%, wat eveneens in strijd is met de Nota Dakopbouwen.

11.1. De raad stelt dat het in de Nota Dakopbouwen opgenomen criterium dat planschade binnen het normaal maatschappelijk risico moet blijven niet is overgenomen. De raad stelt voorts dat rekening is gehouden met de mogelijkheid dat de planschade voor de bewoners hoger zal uitvallen dan 2% en dat om die reden een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen, waarmee de mogelijkheid bestaat eventuele tegemoetkomingen in planschade te verhalen op de initiatiefnemers.

11.2. De Afdeling overweegt dat, zoals hiervoor reeds overwogen, het beleidskader in de Nota Dakopbouwen niet van toepassing is bij vaststelling van bestemmingsplannen. Voorts bestaat geen grond voor de verwachting dat de waardevermindering van de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan op dit punt aan de orde zijn. Het betoog faalt.

12. [appellant sub 1] voert aan dat het plan in strijd is met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld. Hij wijst erop dat voor de woningen in de U-bocht aan de Tijdemanhove geen afwijkingsbevoegdheid voor dakopbouwen is opgenomen, maar voor de overige woningen aan de Tijdemanhove wel. Verder voert hij aan dat voor de woningen gelegen in de rechte delen van de Witmolen significante planschade ontstaat als gevolg van het plan, terwijl dit voor de woningen van de Witmolen gelegen in de bocht niet zo is.

12.1. De raad heeft toegelicht dat de omstandigheid dat aan de woningen gelegen in de bocht van de Tijdemanhove geen dakopbouwen zijn toegestaan het gevolg is van de uitkomst van de beoordeling van de bezonningseffecten. Deze beoordeling wijst volgens de raad uit dat bij het oprichten van dakopbouwen op de woningen in de bocht van de Tijdemanhove een onaanvaardbare schaduwhinder zal optreden op de woningen in de bocht van de Witmolen. De situatie voor de woningen in de bocht van de Tijdemanhove verschilt dan ook van de situatie van de woningen in de rechte delen, aldus de raad. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat, in weerwil van de uitkomsten van de bezonningsstudie, de conclusie van de raad dat als gevolg van dakopbouwen in de bocht van de Witmolen meer schaduwwerking optreedt bij naburige percelen dan bij de rechte delen, niet juist zou zijn. Verder is aannemelijk dat, zoals de raad stelt, het verschil in mogelijke planschade voor de woningen aan de Witmolen wordt veroorzaakt door het wel of niet toestaan van de dakopbouwen op de woningen in de Tijdemanhove, zodat dit verschil moet worden beschouwd als een rechtstreeks gevolg van het verschil in schaduwwerking van een dakopbouw op woningen in de bocht van de Tijdemanhove en woningen in het rechte deel. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft vastgesteld.

Conclusie

13. Gelet op hetgeen in overweging 5.2 is overwogen zijn de beroepen gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover op de verbeelding de aanduiding "wetgevingzone - afwijkingsgebied 4" is opgenomen.

14. Ten aanzien van het verzoek van de raad aan de Afdeling om zelf in de zaak te voorzien overweegt de Afdeling het volgende. De Afdeling stelt voorop dat de aanduiding "wetgevingzone - afwijkingsgebied 4" ruimer is dan de raad heeft beoogd. Uit de stukken blijkt echter onvoldoende duidelijk waar de exacte begrenzing van de aanduiding "wetgevingzone - afwijkingsgebied 4" ligt, zoals door de raad beoogd. Voorts valt niet uit te sluiten dat bewoners van de Tijdemanhove zich niet kunnen verenigen met de door de raad beoogde beperking van de genoemde aanduiding, aangezien daarmee hun bouwmogelijkheden voor een dakopbouw worden beperkt. De Afdeling acht het gelet hierop niet aangewezen zelf in de zaak te voorzien.

15. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om ten aanzien van het vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

Proceskosten

16. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 2] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 1] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp van 30 oktober 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Emerald 2014", voor zover daarin op de verbeelding de aanduiding "wetgevingzone - afwijkingsgebied 4" is opgenomen;

III. draagt de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp op om binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen omtrent de onder II genoemde aanduiding en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp tot vergoeding van bij [appellant sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van

a. € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 1];

b. € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 2] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, griffier.

w.g. Kramer w.g. Van Steenbergen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2015

528-817.