Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2900

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-09-2015
Datum publicatie
16-09-2015
Zaaknummer
201410567/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2014:6017, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2014 heeft het college aan Kinderopvang Bijdehandjes een omgevingsvergunning verleend voor het brandveilig gebruiken van het kinderdagverblijf aan de Valutaboulevard 9 te Amersfoort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2015/105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410567/1/A1.

Datum uitspraak: 16 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kinderopvang Bijdehandjes B.V, gevestigd te Kootwijkerbroek,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 november 2014 in zaak nr. 14/3107 in het geding tussen:

Kinderopvang Bijdehandjes

en

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2014 heeft het college aan Kinderopvang Bijdehandjes een omgevingsvergunning verleend voor het brandveilig gebruiken van het kinderdagverblijf aan de Valutaboulevard 9 te Amersfoort.

Bij uitspraak van 21 november 2014 heeft de rechtbank het door Kinderopvang Bijdehandjes daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Kinderopvang Bijdehandjes hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 augustus 2015, waar Kinderopvang Bijdehandjes, vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. W. Kok, advocaat te Barneveld, en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Maaijen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk in met het oog op de brandveiligheid bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën van gevallen.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, onder 1º van het Besluit omgevingsrecht worden als categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de wet aangewezen: het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk waarin dagverblijf zal worden verschaft aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar.

Ingevolge artikel 6.20, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 heeft een gebruiksfunctie een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535 met een omvang van de bewaking en een doormelding zoals aangegeven in bijlage 1 bij dit besluit, indien:

a. de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie of de totale gebruiksoppervlakte aan gebruiksfuncties van dezelfde soort in het gebouw voor zover die gebruiksfuncties op eenzelfde vluchtroute zijn aangewezen groter is dan de in deze bijlage aangegeven grenswaarde;

b. de hoogste vloer van een verblijfsruimte van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau hoger is gelegen dan op de in deze bijlage aangegeven grenswaarde, of

c. deze bijlage dit aanwijst zonder dat sprake is van een grenswaarde als hierboven bedoeld.

Uit de tabel in bijlage 1 bij het Bouwbesluit 2012 blijkt dat voor een gebouw voor kinderopvang voor kinderen jonger dan vier jaar een volledige omvang en bewaking van de bewaking volgens NEN 2535 is vereist indien:

- de gebruiksoppervlakte van het gebouw groter is dan 200 m², of

- de hoogste vloer van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau hoger is dan 1,5 meter. In dit laatste geval is ook doormelding volgens NEN 2535 en een inspectiecertificaat vereist.

Ingevolge artikel 1.3, eerste lid, behoeft aan een in hoofdstuk 2 tot en met 7 gesteld voorschrift niet te worden voldaan indien het bouwwerk of het gebruik daarvan anders dan door toepassing van het desbetreffende voorschrift ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt als is beoogd met de in die hoofdstukken gestelde voorschriften.

2. Kinderopvang Bijdehandjes betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte aan de verleende omgevingsvergunning de voorwaarde heeft verbonden dat het bouwwerk overeenkomstig artikel 6.20 van het Bouwbesluit 2012 dient te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met volledige bewaking en doormelding naar de Regionale Alarm Centrale. Hiertoe voert zij onder verwijzing naar de Gelijkwaardigheidsrapportage van Vlampunt van 17 oktober 2013 aan dat de door haar voorgestelde maatregelen een gelijkwaardige oplossing als bedoeld in artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012 bieden en dat te veel gewicht wordt toegekend aan de waarde van de doormelding aan de brandweer. Dit klemt temeer nu de brandweer van de Veiligheidsregio Utrecht de voorgestelde oplossing in vergelijkbare gevallen wel gelijkwaardig heeft geacht, aldus Kinderopvang Bijdehandjes. Voorts verwijst Kinderopvang Bijdehandjes naar een advies van 27 januari 2010 van de Adviescommissie praktijktoepassing brandveiligheidsvoorschriften waarin is aangegeven dat in geval van kinderopvang met jonge kinderen ook volstaan kan worden met minder kostbare voorzieningen, alsmede naar de kennispublicatie Bouwbesluit 2012 van Infopunt Veiligheid waarin is vermeld dat voor steeds meer gebruiksfuncties een rookmelder mag worden toegepast in plaats van een brandmeldinstallatie.

2.1. De eerste verdieping van het kinderdagverblijf, waar zich onder meer de slaapruimte voor maximaal twaalf kinderen bevindt, is hoger dan 1,5 meter. Weliswaar mag met de inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 voor meer gebruiksfuncties een rookmelder worden aangebracht in plaats van een brandmeldinstallatie, maar vast staat dat voor het kinderdagverblijf op grond van het Bouwbesluit 2012 een brandmeldinstallatie met volledige bewaking en doormelding volgens NEN 2535 is vereist.

De door Kinderopvang Bijdehandjes voorgestelde maatregelen houden kort weergegeven in dat in iedere ruimte van het kinderdagverblijf gekoppelde rookmelders conform NEN 2555 worden geplaatst en dat altijd een medewerker van het kinderdagverblijf op de eerste verdieping zal verblijven als daar kinderen slapen, dan wel aanwezig zijn. Deze medewerker zal bij een brandmelding direct aanvangen met de evacuatie, waarbij andere door de rookmelders gealarmeerde medewerkers zullen helpen. Een andere medewerker dan de medewerker op de eerste verdieping zal de brandweer en andere hulpdiensten alarmeren. Met dit alternatief voor de brandmeldinstallatie zal het kinderdagverblijf volgens de gelijkwaardigheidsrapportage volledig zijn ontruimd voordat de brandweer ter plaatse zal kunnen zijn, zodat een doormelding naar de brandweer geen meerwaarde heeft.

2.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat Kinderopvang Bijdehandjes niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar voorgestelde maatregelen in dit geval een gelijkwaardig alternatief bieden voor het vereiste van een brandmeldinstallatie met volledige bewaking en doormelding volgens NEN 2535. Het college heeft de door Kinderopvang Bijdehandjes voorgestelde maatregelen voorgelegd aan de brandweer van de Veiligheidsregio Utrecht (VRU). In het advies van 10 januari 2014 heeft de VRU geconcludeerd dat dit voorstel niet als gelijkwaardig alternatief voor het vereiste van een brandmeldinstallatie met een automatische doormelding kan worden geaccepteerd. Volgens het advies is een oplossing van bemensing ter vervanging van een wettelijk vereiste automatische doormelding van de brandmeldinstallatie een te kwetsbare schakel.

Anders dan Kinderopvang Bijdehandjes stelt, kan uit de toelichting bij artikel 6.20 van het Bouwbesluit 2012 niet worden afgeleid dat een doormelding aan de brandweer in dit geval geen meerwaarde heeft ten opzichte van de door haar voorgestelde maatregelen. In de toelichting bij artikel 6.20 is vermeld dat een doormelding vooral nodig is wanneer aanvullende ondersteuning van de brandweer noodzakelijk is om personen te redden in het geval de gebouwgebonden voorzieningen om de een of andere reden falen (uitgangspunt is en blijft dat een gebouw zonder hulp van de brandweer ontruimd moet kunnen worden). Dit is, aldus de toelichting, bijvoorbeeld het geval bij de celfunctie, de gezondheidszorgfunctie met bedgebied en bij kinderopvang waar meer dan zes kinderen slapen op een vloer gelegen hoger dan 1,5 m boven meetniveau. Uit deze toelichting is op te maken dat artikel 6.20 van het Bouwbesluit 2012 voor de hier aan de orde zijnde functie juist in een doormelding voorziet teneinde de risico's van het falen van gebouwgebonden voorzieningen te verkleinen. Gelet hierop heeft het college terecht van belang geacht dat in geval van brand de doormelding aan de brandweer verzekerd is. Het college heeft voldoende gemotiveerd waarom het de voorgestelde oplossing, waarbij de brand moet worden doorgebeld door een medewerker, in dit opzicht te kwetsbaar acht. Hierbij heeft het in aanmerking genomen dat nakoming van de eis om een brandmeldinstallatie te installeren beter te controleren is dan de naleving van organisatorische maatregelen en dat onder meer personeelsverloop en ziekte van medewerkers van invloed kunnen zijn op het welslagen van de voorgestelde maatregelen.

Voor zover Kinderopvang Bijdehandjes betoogt dat het college in vergelijkbare gevallen de voorgestelde maatregelen wel als een gelijkwaardige oplossing als bedoeld in artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012 aanmerkt, overweegt de Afdeling dat Kinderopvang Bijdehandjes dit beroep op het gelijkheidsbeginsel niet heeft onderbouwd en het college dit ter zitting gemotiveerd heeft weersproken, zodat het dient te worden verworpen. In het door Kinderopvang Bijdehandjes genoemde advies van de Adviescommissie praktijktoepassing veiligheidsvoorschriften van 27 januari 2010 wordt evenmin grond gevonden voor het oordeel dat de voorgestelde maatregelen in dit geval een gelijkwaardige oplossing zijn, reeds omdat dit advies ziet op een kleinschalig kinderdagverblijf dat is bestemd voor de opvang van maximaal zes kinderen.

Gelet op vorenstaande heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college zich niet heeft kunnen baseren op het advies van de VRU, dat ter zake deskundig moet worden geacht.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Deen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2015

604.