Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:290

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-02-2015
Datum publicatie
04-02-2015
Zaaknummer
201406110/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:4564, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 september 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: een VOG), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406110/1/A3.

Datum uitspraak: 4 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 juli 2014 in zaak

nr. 13/8298 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: een VOG), afgewezen.

Bij besluit van 19 november 2013 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juli 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 december 2014, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door F.E.I.H. Muijtjens LLM, werkzaam bij het ministerie, is verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014 in zaak nr. 201303672/1/A3 geoordeeld dat het betoog van [appellant], dat de staatssecretaris de weigering om een VOG af te geven niet in redelijkheid op de enkele verdenking van overtreding van de Opiumwet heeft kunnen baseren en de staatssecretaris aldus onzorgvuldig heeft gehandeld, niet slaagt. De in het JDS aangetroffen verdenking jegens [appellant] biedt de staatssecretaris voldoende grond om de afgifte van een VOG te weigeren. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het beroep van [appellant] op het beginsel 'geen straf zonder schuld' faalt, nu de weigering om een VOG af te geven geen strafsanctie is maar een preventief bestuursrechtelijk instrument, waarmee wordt voorkomen dat een risico voor de samenleving ontstaat.

2. De gronden van het hoger beroep zijn een letterlijke herhaling van de gronden die [appellant] in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden gemotiveerd verworpen, waarbij zij tot het oordeel is gekomen dat de staatssecretaris de weigering om een VOG af te geven bij besluit van 19 november 2013 terecht heeft gehandhaafd. [appellant] heeft in hoger beroep niet uiteengezet, dat en waarom het oordeel van de rechtbank onjuist is. Gelet hierop biedt hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geen grond voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Beerse

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2015

382-816.