Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2899

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-09-2015
Datum publicatie
16-09-2015
Zaaknummer
201502181/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 februari 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Herman Heijermanslaan" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/962
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502181/1/R6.

Datum uitspraak: 16 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Beverwijk,

2. [appellant sub 2], wonend te Beverwijk,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Beverwijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Herman Heijermanslaan" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 augustus 2015, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de raad, vertegenwoordig door mr. R.F.C. Kleine Deters, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een plan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in 59 woningen in Waterwijk. Het voorgaande bestemmingsplan "Broekpolder Beverwijk 2009" voorzag ter plaatse vrijwel uitsluitend in vrijstaande woningen. Het onderhavige plan voorziet in de mogelijkheid ook andere woningtypologieën te realiseren.

3. [appellant sub 1] en [appellant sub 2], die aan de Israël Queridolaan wonen, kunnen zich niet verenigen met het plan. Zij betogen dat de raad de zienswijzen onvoldoende bij de besluitvorming heeft betrokken. Volgens [appellant sub 2] is de procedure voorts onzorgvuldig verlopen, omdat de indieners van zienswijzen in een te laat stadium in de procedure in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze mondeling toe te lichten. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen verder dat het plan onaanvaardbare schaduwhinder zal veroorzaken. In dit verband voeren zij aan dat de mogelijkheid om een opbouw op de garages te realiseren niet in de bezonningsstudie is meegenomen. Tevens is de mogelijkheid om twee-onder-één-kap-woningen aaneengeschakeld te realiseren niet in de bezonningsstudie bezien. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren verder aan dat het plan zal leiden tot verstening, hetgeen volgens hen hun uitzicht zal aantasten. Om verdere verstening te voorkomen, stellen zij een aantal aanpassingen aan het plan voor. Zij menen onder andere dat het plan uitsluitend zou moeten voorzien in vrijstaande woningen en dat een trapveldje en speelvoorzieningen mogelijk moeten worden gemaakt. Tot slot voeren [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aan dat door de wethouder is toegezegd dat de wensen van de bewoners van de Israël Queridolaan zo veel mogelijk zouden worden gerespecteerd.

4. De raad heeft uiteengezet dat met het plan is beoogd flexibiliteit te behouden ten aanzien van de afmetingen en vormen van de bebouwing. Er is een bezonningsstudie verricht waarbij is uitgegaan van een worst case-scenario. In de belangrijkste zonperiode is er volgens de raad geen sprake van schaduwwerking. Wat betreft de voorstellen tot aanpassing van het plan heeft de raad uiteengezet dat de raad de voorstellen heeft bezien. Bij de vaststelling van het plan heeft de raad er niet voor gekozen alle in de zienswijzen naar voren gebrachte voorstellen over te nemen. Het plan zoals dat is vastgesteld is volgens de raad aanvaardbaar. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat geen toezegging is gedaan dat de wensen van de bewoners van de Israël Queridolaan in het plan zouden worden opgenomen. De toezegging had volgens de raad betrekking op het overbrengen van de wensen en gevoelens van de bewoners aan de projectontwikkelaar.

5. Aan een deel van de gronden in het plangebied is de bestemming "Wonen" toegekend. Aan de gronden in de nabijheid van de woningen Israël Queridolaan is voorts de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 1" toegekend. Aan de overige gronden met de bestemming "Wonen" is de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 2" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. hoofdgebouwen in de vorm van woningen;

b. aan huis verbonden beroepen;

c. tuinen en erven;

d. water;

e. parkeren.

Ingevolge lid 6.2.2, onder a, geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen dat deze uitsluitend in de vorm van grondgebonden woningen binnen een bouwvlak mogen worden gebouwd, mits wordt voldaan aan de in de tabel genoemde voorwaarden:

Voorwaarde specifieke bouwaanduiding - 1 specifieke bouwaanduiding - 2

Maximum aantal woningen 25 34

Toegestane woningtypes vrijstaand en twee-aaneen vrijstaand, twee-aaneen en aaneengebouwd

Maximale goothoogte 6 meter N.v.t.

Maximale bouwhoogte 10,5 meter 9 meter

Afdekking hoofdgebouw Uitsluitend met kap Uitsluitend plat

Hellingshoek kap minimaal 35 graden

maximaal 60 graden N.v.t.

Afstand tot zijdelingse perceelsgrens 3 meter aan ten minste één zijde van het hoofdgebouw 1,5 meter, vanaf eerste bouwlaag, aan ten minste één zijde van het hoofdgebouw

Maximale diepte van de woning N.v.t.

15 meter

6. Ingevolge lid 6.2.3 gelden voor het bouwen van aan-, uit- en bijgebouwen, alsmede overkappingen de volgende bepalingen:

a. het gezamenlijk oppervlak van aan-, uit- en bijgebouwen, alsmede overkappingen, mag bij bouwpercelen met een grootte tot 600 m² niet meer bedragen dan 50% van het achtererfgebied met een maximum van 60 m²;

b. het gezamenlijk oppervlak van aan-, uit- en bijgebouwen, alsmede overkappingen mag bij bouwpercelen groter dan 600 m² niet meer bedragen dan 10% van het bouwperceel met een maximum van 150 m²;

c. het gezamenlijk oppervlakte als bedoeld onder a., dan wel b. dient te worden verminderd met de oppervlakte van de aanwezige gebouwen op het voorerfgebied, met uitzondering van de erkers als bedoeld in 3.3.1;

d. de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer bedragen dan

3,00 meter;

e. de bouwhoogte van een aan- en uitbouw mag niet meer bedragen dan maximaal 0,25 meter boven de eerste verdiepingsvloer;

f. de goothoogte van een bijgebouw mag niet meer bedragen dan 3,00 meter;

g. de bouwhoogte van een bijgebouw mag niet meer bedragen dan 4,50 meter;

h. bijgebouwen dienen ten minste 2 meter achter de voorgevelrooilijn te worden gebouwd.

7. Met betrekking tot het betoog dat de raad de zienswijzen niet bij de beoordeling heeft betrokken, stelt de Afdeling vast dat uit de Nota zienswijzen volgt dat de zienswijzen zijn beantwoord en door de raad bij de vaststelling van het plan zijn betrokken. Naar aanleiding van de zienswijzen heeft de raad het plan op een aantal punten gewijzigd vastgesteld. Dat niet alle punten uit de zienswijzen zijn overgenomen, brengt niet met zich dat de raad de zienswijzen niet op een zorgvuldige wijze bij de besluitvorming heeft betrokken. Het betoog faalt.

8. Over het betoog dat de indieners van zienswijzen in een te laat stadium in de procedure de gelegenheid is geboden hun zienswijze mondeling toe te lichten, stelt de Afdeling vast dat indieners van zienswijzen in de gelegenheid zijn gesteld bij de commissievergadering in te spreken. Deze handelswijze is in overeenstemming met de gemeentelijke inspraakverordening. Voor zover [appellant sub 2] heeft betoogd dat hetgeen in de mondelinge toelichting naar voren wordt gebracht niet meer bij de afweging omtrent het plan kan worden betrokken, overweegt de Afdeling dat de commissievergadering plaatsvindt voor de vaststelling van het plan en dat de raadsleden in een eerder stadium reeds kennis hebben kunnen nemen van de inhoud van de zienswijzen. In het aangevoerde ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de procedure onzorgvuldig is verlopen. Het betoog faalt.

9. Ten aanzien van het betoog dat het plan leidt tot onaanvaardbare schaduwwerking stelt de Afdeling vast dat de maximale bouwhoogte van de woningen ter plaatse van de gronden met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 1" 10,5 m bedraagt. Ter plaatse van deze gronden zijn de woningtypen vrijstaand en twee-aaneen toegelaten. De maximale bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt 4,5 m. De woningen aan de Israël Queriodolaan zijn gelegen op een afstand van ongeveer 22 m van het dichtstbijzijnde bouwvlak. De afstand van de perceelsgrenzen tot aan het bouwvlak bedraagt ongeveer 14 m.

Ten behoeve van het plan is door Inbo een bezonningsstudie opgesteld. Dit is gedaan voor verschillende tijdstippen op 21 maart, 21 juni, 21 september en 21 december. In de bezonningsstudie is het worst case-scenario onderzocht, waarin de voorziene hoofdgebouwen zo veel mogelijk in de richting van de woningen aan de Israël Queridolaan zijn geprojecteerd. Uit de bezonningsstudie volgt dat uitsluitend in het voorjaar sprake is van beperkte schaduwhinder in de tuinen van de woningen aan de Israël Queriodolaan. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] erop hebben gewezen dat in de bezonningsstudie de mogelijkheid tot het realiseren van een kap op de garage en de mogelijkheid tot het aaneenschakelen van de voorziene twee-onder-één-kapwoningen niet is meegenomen, heeft de raad uiteengezet dat de schakeling van de woningen uitsluitend betrekking heeft op de garages. Nu de garages uitsluitend uit één bouwlaag mogen bestaan, heeft deze aaneenschakeling volgens de raad nauwelijks effect op de schaduwwerking. Dit geldt volgens de raad eveneens voor de kleine kap die op de garage mag worden gebouwd. Volgens de raad is het in dit geval aannemelijk dat uitsluitend de voorziene hoofdgebouwen met een maximale bouwhoogte van 10,5 m enige schaduwwerking zullen veroorzaken en zijn daarom de gevolgen daarvan onderzocht. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. In het aangevoerde ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat de bezonningsstudie niet aan de besluitvorming ten grondslag kon worden gelegd. Gelet op de bezonningsstudie heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare schaduwwerking. Het betoog faalt.

10. Met betrekking tot het betoog dat het plan leidt tot verlies aan uitzicht stelt de Afdeling vast dat aan de gronden in de nabijheid van de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] de aanduiding "specifieke bouwaanduiding 1" is toegekend. Ter plaatse van deze aanduiding mogen vrijstaande woningen en twee-onder-één-kapwoningen worden gerealiseerd. Aaneengesloten bebouwing is hier niet toegelaten. Voorts stelt de Afdeling vast dat het plangebied een braakliggend terrein in een verder volledig met woningbouw ingevuld gebied betreft. Gelet op deze omstandigheden en gezien de afstand van de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tot aan het bouwvlak van ongeveer 22 m, heeft de raad in redelijkheid een groter belang kunnen toekennen aan de ontwikkeling van de nieuwe woningen dan aan het behoud van uitzicht van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Het betoog faalt.

11. Over het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet aannemelijk hebben gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan zou voorzien in de voorstellen tot aanpassing die zij in hun zienswijzen naar voren hebben gebracht. Uit de door [appellant sub 2] bijgevoegde mailwisseling volgt dat de wethouder heeft toegezegd de projectontwikkelaar schriftelijk te verzoeken met het project om te gaan in geest van de wensen van de bewoners van de Israël Queridolaan. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Het betoog faalt.

12. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben gewezen op mogelijke alternatieve invullingen van het plangebied die volgens hen zullen leiden tot minder verstening, overweegt de Afdeling dat in deze procedure het bestemmingsplan zoals dat is vastgesteld ter beoordeling voorligt. Nu, zoals het uit vorenstaande volgt, de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding ziet voor het oordeel dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, bestaat thans geen aanleiding de door hen voorgestelde alternatieve invullingen van het plangebied te bespreken. Het betoog faalt.

13. De beroepen zijn ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Brand, griffier.

w.g. Koeman w.g. Brand

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2015

575.