Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2887

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-09-2015
Datum publicatie
16-09-2015
Zaaknummer
201401293/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 januari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401293/2/R1.

Datum uitspraak: 16 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Akersloot, gemeente Castricum,

en

de raad van de gemeente Castricum,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie]" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 november 2014, waar [appellant] en [persoon], beiden vertegenwoordigd door G.J. Veen, en de raad, vertegenwoordigd door H. Goverde en R. van den Haak, beiden in dienst bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende], vertegenwoordigd door [twee directeuren], bijgestaan door mr. O.H. Minjon, advocaat te Hoorn, als partij gehoord.

Bij tussenuitspraak van 18 februari 2015, in zaak nr. 201401293/1/R1, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 23 januari 2014 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 2 april 2015 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan "[locatie]" gewijzigd vastgesteld. Hiermee is het besluit van 23 januari 2014 vervangen.

[appellant] is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren te brengen. Van deze gelegenheid heeft hij geen gebruik gemaakt.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in overweging 10.7 en 10.8 van de tussenuitspraak geoordeeld dat in het besluit van 23 januari 2014 ten onrechte geurgevoelige objecten zijn toegestaan op minder dan 50 m afstand van de meest nabijgelegen bedrijfsstal van de veehouderij van [appellant], omdat dit leidt tot een beperking van zijn bedrijfsvoering, terwijl de raad dit niet heeft beoogd.

2. Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak is het beroep van [appellant] gegrond. Het besluit van 23 januari 2014 dient te worden vernietigd wegens strijd met 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voor zover daarin op minder dan 50 m afstand van de meest nabijgelegen bedrijfsstal van de veehouderij van [appellant] geurgevoelige objecten zijn toegestaan.

3. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na verzending van de tussenuitspraak het besluit met inachtneming van overweging 10.7 van de tussenuitspraak te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling, waarbij geurgevoelige objecten op minder dan 50 m afstand van de meest nabij gelegen bedrijfsstal van de veehouderij van [appellant] niet zijn toegestaan.

4. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 2 april 2015 het bestemmingsplan "[locatie]" gewijzigd vastgesteld. Daarbij heeft hij aan de gronden in het plangebied gelegen op minder dan 50 m afstand van het bouwvlak van de veehouderij van [appellant] de aanduiding "milieuzone - geurzone" toegekend, waarbinnen ingevolge de planregels geen nieuwe geurgevoelige objecten mogen worden opgericht.

5. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van Awb heeft een beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

6. [appellant] heeft naar aanleiding van het nieuwe besluit geen zienswijze ingediend. De Afdeling leidt hieruit af dat [appellant] geen bezwaren heeft tegen het besluit van 2 april 2015. Het van rechtswege ontstane beroep is ongegrond.

7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Castricum van 23 januari 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie]", voor zover daarin op minder dan 50 m afstand van de meest nabij gelegen bedrijfsstal van de veehouderij [appellant] geurgevoelige objecten kunnen worden opgericht;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Castricum van 2 april 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie]" ongegrond;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Castricum aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Bosnjakovic

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2015

410-821.