Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2885

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-09-2015
Datum publicatie
16-09-2015
Zaaknummer
201501488/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2015:183, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 augustus 2012 met kenmerk 2DQ2039 heeft de raad een aan [appellant] verleende toevoeging voor rechtsbijstand ingetrokken en het door de raad aan de voormalige rechtsbijstandverlener van [appellant] betaalde bedrag verminderd met de door [appellant] betaalde eigen bijdrage, ten bedrage van € 605,58, van [appellant] gevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501488/1/A2.

Datum uitspraak: 16 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 januari 2015 in zaken nrs. 14/3433,14/3434,14/3435 en 14/3436 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Raad voor Rechtsbijstand (lees: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2012 met kenmerk 2DQ2039 heeft de raad een aan [appellant] verleende toevoeging voor rechtsbijstand ingetrokken en het door de raad aan de voormalige rechtsbijstandverlener van [appellant] betaalde bedrag verminderd met de door [appellant] betaalde eigen bijdrage, ten bedrage van € 605,58, van [appellant] gevorderd.

Bij besluit van 11 september 2012 met kenmerk 2DQ9835 heeft de raad een aan [appellant] verleende toevoeging voor rechtsbijstand ingetrokken en het door de raad aan de voormalige rechtsbijstandverlener van [appellant] betaalde bedrag verminderd met de door [appellant] betaalde eigen bijdrage, ten bedrage van € 1.059,01, van [appellant] gevorderd.

Bij besluit van 12 september 2012 met kenmerk 2DS0367 heeft de raad een aan [appellant] verleende toevoeging voor rechtsbijstand ingetrokken en het door de raad aan de voormalige rechtsbijstandverlener van [appellant] betaalde bedrag verminderd met de door [appellant] betaalde eigen bijdrage, ten bedrage van € 272,85, van [appellant] gevorderd.

Bij besluit van 12 september 2012 met kenmerk 2DR6509 heeft de raad een aan [appellant] verleende toevoeging voor rechtsbijstand ingetrokken en het door de raad aan de voormalige rechtsbijstandverlener van [appellant] betaalde bedrag verminderd met de door [appellant] betaalde eigen bijdrage, ten bedrage van € 843,94, van [appellant] gevorderd.

Bij vier onderscheiden besluiten van 19 juni 2014 heeft de raad de door [appellant] tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 januari 2015 heeft de rechtbank de door [appellant] tegen de besluiten van 19 juni 2014 ingestelde beroepen ongegrond verklaard en de raad veroordeeld in de proceskosten in beroep van [appellant] tot een bedrag van € 730,50. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.J.W. Reijnders, werkzaam bij de raad, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De raad heeft bij onderscheiden besluiten van 16 september 2009 met kenmerk 2DQ2039, 27 oktober 2009 met kenmerk 2DQ9835, 27 november 2009 met kenmerk 2DR6509 en 21 december 2009 met kenmerk 2DS0367, na peiljaarverlegging, aan [appellant] op basis van zijn geschatte verzamelinkomen over 2009 vier toevoegingen voor rechtsbijstand verleend in verband met het voeren van verweer tegen ontslag, de weigering hem een uitkering toe te kennen en de toekenning van een uitkering met strafkorting. Bij controles in 2012 is de raad gebleken dat het door de belastingdienst definitief vastgestelde verzamelinkomen van [appellant] zowel in 2007 als in 2009 boven de wettelijke grens voor het toekennen van een toevoeging ligt. De raad heeft daarom bij de ambtshalve genomen besluiten van 31 augustus 2012 met kenmerk 2DQ2039, 11 september 2012 met kenmerk 2DQ9835 en 12 september 2012 met kenmerk 2DS0367 onderscheidenlijk kenmerk 2DR6509 (hierna gezamenlijk: de primaire besluiten) bepaald dat [appellant] met terugwerkende kracht geen recht had op toevoegingen voor rechtsbijstand en dat hij de door de raad aan zijn advocaat betaalde bedragen aan de raad moet betalen.

De raad heeft zich in de besluiten van 19 juni 2014 op het standpunt gesteld dat de primaire besluiten berusten op het door de inspecteur van de belastingdienst vastgestelde verzamelinkomen en vermogen van [appellant]. Daarbij heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van zwaarwegende omstandigheden die zich ertegen verzetten om de primaire besluiten in stand te laten. Voorts heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat, nu over deze conclusie redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is, de door [appellant] gemaakte bezwaren kennelijk ongegrond zijn en daarom afgezien van het horen van [appellant].

2. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) wordt onder inkomensgegeven verstaan: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Ingevolge artikel 34d, eerste lid, neemt het bestuur, indien het de aanvraag, bedoeld in artikel 34c, eerste lid, niet heeft afgewezen, indien een inkomensgegeven over het jaar van de aanvraag beschikbaar is dat afwijkt van het eerder toegepaste inkomensgegeven of het bedrag, bedoeld in artikel 34a, eerste lid, tweede volzin, en dat gevolg heeft voor het al dan niet verlenen van een toevoeging of de hoogte van de door de rechtzoekende verschuldigde eigen bijdrage, ambtshalve een besluit dat in de plaats komt van het eerder genomen besluit, bedoeld in artikel 34c, eerste lid, met dien verstande dat dit besluit niet van een hoger inkomensgegeven uitgaat dan zou zijn toegepast in het peiljaar, bedoeld in artikel 34a, eerste lid. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op het vermogen in het jaar van de aanvraag.

Ingevolge artikel 34f, eerste lid, is de rechtzoekende het bedrag dat in het kader van de verlening van rechtsbijstand door het bestuur is betaald aan de rechtsbijstandverlener verschuldigd aan het bestuur, indien de rechtzoekende op grond van het besluit, bedoeld in artikel 34d, eerste lid, geen recht heeft op de verlening van rechtsbijstand.

Ingevolge het tweede lid, vordert het bestuur het bedrag, bedoeld in het eerste lid, van de rechtzoekende, tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten.

Ingevolge het derde lid, houdt het bestuur rekening met de draagkracht van de rechtzoekende bij het vaststellen van de termijn of de termijnen waarbinnen moet worden betaald.

3. De rechtbank heeft overwogen dat de raad [appellant] in de gelegenheid had moeten stellen om te worden gehoord over de vraag of er zwaarwegende omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 34f, tweede lid, van de Wrb. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat de raad ten onrechte van het horen heeft afgezien en dat de besluiten van 19 juni 2014 in strijd met de artikelen 7:2, eerste lid, en 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn genomen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat, nu [appellant] in beroep niet heeft aangevoerd dat dergelijke zwaarwegende omstandigheden er zijn, niet aannemelijk is dat hij door het afzien van het horen is benadeeld. De rechtbank heeft daarom dit gebrek aan de besluiten van 19 juni 2014 met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de raad op onjuiste gronden de verleende toevoegingen voor rechtsbijstand heeft ingetrokken. Volgens hem zijn de toevoegingen voor rechtsbijstand in 2009 terecht toegekend. Hij voert aan per juli 2009 op staande voet te zijn ontslagen en dat aan hem vervolgens geen uitkering is toegekend. Daaraan voegt hij toe dat zijn gezin daarom in de tweede helft van 2009 moest leven van de helft van het jaarinkomen van zijn echtgenote ten bedrage van € 6.600,00 bruto. Volgens [appellant] kon hij in 2009 niet meer aan zijn financiële verplichtingen voldoen, waardoor hij moest lenen, en heeft deze situatie geduurd tot hem in maart/april 2010 een uitkering met strafkorting is toegekend. [appellant] voert aan dat deze situatie een zwaarwegende omstandigheid is, waaraan de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan.

4.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij geen ruimte heeft om af te wijken van de door de belastingdienst verstrekte inkomensgegevens van [appellant] over de jaren 2007 en 2009. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze inkomensgegevens onjuist zijn. De rechtbank heeft verder met juistheid overwogen dat de raad, gelet op artikel 34d, eerste lid, van de Wrb, terecht op grond van de door de belastingdienst verstrekte inkomensgegevens de eerder aan [appellant] verleende toevoegingen voor rechtsbijstand heeft ingetrokken. De rechtbank heeft voorts terecht geen aanleiding gezien voor een oordeel over de vraag of er zwaarwegende omstandigheden waren op grond waarvan de raad van de vordering van de aan de voormalige rechtsbijstandverlener van [appellant] betaalde bedragen zou moeten afzien, reeds omdat [appellant] op dit punt in beroep geen gronden heeft ingediend.

5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank, nu zij heeft geoordeeld dat de raad ten onrechte van het horen heeft afgezien, ten onrechte de beroepen niet gegrond heeft verklaard en de besluiten van 19 juni 2014 niet heeft vernietigd. [appellant] voert aan dat vernietiging van die besluiten een nieuwe behandeling in bezwaar mogelijk had gemaakt. De rechtbank had ook proceskosten moeten toekennen, aldus [appellant].

5.1. Indien de bestuursrechter met toepassing van artikel 6:22 van de Awb een gebrek in een besluit passeert, leidt dit niet tot een gegrond beroep en vernietiging van het gebrekkige besluit. [appellant] heeft niet onderbouwd aangegeven welk belang hij heeft bij de vernietiging van de besluiten van 19 juni 2104. De Afdeling acht met de rechtbank niet aannemelijk dat het niet vernietigen van deze besluiten voor hem nadelige financiële gevolgen kan hebben.

Gezien het voorgaande heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om de besluiten van 19 juni 2014 te vernietigen. De rechtbank heeft voorts overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht de raad veroordeeld tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 730,50.

Het betoog faalt.

6. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in bezwaar geen eenduidig verzoek om vergoeding van proceskosten heeft gedaan, kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel. [appellant] voert met juistheid aan dat in elk van de bezwaarschriften is verzocht om een kostenbesluit te nemen. Voor de raad bestond echter geen aanleiding besluiten te nemen tot vergoeding van kosten die [appellant] in verband met de behandeling van de bezwaren redelijkerwijs heeft moeten maken, reeds omdat de raad de primaire besluiten niet heeft herroepen.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, griffier.

w.g. Steendijk w.g. Oranje

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2015

507.