Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2876

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-09-2015
Datum publicatie
16-09-2015
Zaaknummer
201500180/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2014:8057, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 april 2013 heeft de korpschef van politie geweigerd [appellant] een verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen of munitie te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500180/1/A3.

Datum uitspraak: 16 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 december 2014 in zaak nr. 13/5820 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2013 heeft de korpschef van politie geweigerd [appellant] een verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen of munitie (hierna: een verlof) te verlenen.

Bij besluit van 18 september 2013 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en alsnog geweigerd [appellant] een verlof te verlenen.

Bij tussenuitspraak van 18 april 2014 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een gebrek in het besluit van 18 september 2013 te herstellen.

Bij beschikking van 16 mei 2014 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om het gebrek uiterlijk 24 juni 2014 te herstellen.

Bij brief van 24 juni 2014 heeft de staatssecretaris het besluit van 18 september 2013 nader gemotiveerd.

Bij uitspraak van 1 december 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 18 september 2013 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 augustus 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R.J. Schenkman, advocaat te Amstelveen, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. van den Boom, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (hierna: de Wwm) worden de in deze wet genoemde verloven geweigerd indien:

(…)

b. er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd;

c. er reden is om te vrezen dat daarvan dan wel van wapens of munitie misbruik zal worden gemaakt;

(…).

Ingevolge artikel 26, eerste lid, is het verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, is het eerste lid niet van toepassing op personen die houder zijn van een verlof als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, voor zover dit verlof reikt.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, wordt verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie, uitsluitend voor wapens en munitie behorend tot categorie III, door de korpschef verleend.

Ingevolge artikel 38, tweede lid, volgt de korpschef bij de uitvoering van deze wet de aanwijzingen van de minister.

De Circulaire Wapens en Munitie 2013 (hierna: de Circulaire) vormt een geheel van algemene aanwijzingen voor ambtenaren belast met de uitvoering van de wapenwetgeving.

Volgens onderdeel B, paragraaf 1.1, van de Circulaire zijn ‘vrees voor misbruik’ en ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ twee verschillende omschrijvingen voor in feite dezelfde situatie. Hetgeen hierna wordt opgemerkt over de invulling van het ‘vrees voor misbruik-criterium’ kan daarom analoog worden toegepast indien het de intrekking of weigering van een vergunning betreft om reden dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet (langer) kan worden toevertrouwd.

Volgens dit onderdeel, paragraaf 1.2, vormen wapens en munitie een potentieel ernstige bedreiging voor de veiligheid in de samenleving indien zij in handen komen van personen die onvoldoende betrouwbaar zijn om wapens en munitie voorhanden te hebben. Daarom wordt een restrictief beleid gevoerd waar het de toepassing van het criterium ‘geen vrees voor misbruik’ betreft. Degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie komt in een bijzondere positie te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt met zich mee dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde. Het weigeren dan wel intrekken van een verlof is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar is een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van het eerdergenoemde maatschappelijke belang, is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken (of gemaakte) uitzondering voldoende reden om een verlof niet te verlenen respectievelijk in te trekken. Het spreekt voor zich dat die twijfel gebaseerd moet zijn op een objectief toetsbare motivering.

Bij het onderzoek in verband met de vraag of vrees voor misbruik bestaat, kan gebruik worden gemaakt van informatie afkomstig uit de registers van de justitiële documentatie en van andere, politiële informatie, die afkomstig kan zijn uit verschillende bronnen. Vrees voor misbruik kan ook worden aangenomen op basis van andere, niet uit veroordelingen of transacties gebleken, omtrent betrokkene bekende feiten. In zijn algemeenheid geldt dat tegen een houder bestaande bezwaren, voor zover daarvan niet reeds blijkt uit veroordelingen of opgemaakte processen-verbaal, alsnog in een rapport dienen te worden vastgelegd.

In beginsel is het niet verantwoord om aan iemand die - door oorzaken van zowel interne als externe aard - onder sterke psychische druk staat, wat tot uitdrukking komt in een onvoorspelbaar gedragspatroon of bijvoorbeeld alcohol- en drugsmisbruik en waarbij de indruk bestaat dat de vergunninghouder zichzelf niet in de hand heeft, het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie toe te vertrouwen. Met de beschikking over een vuurwapen zou de vergunninghouder een gevaar zijn voor zichzelf en voor de openbare orde en veiligheid. Indien de aanvrager of vergunninghouder - in tegenstelling tot de korpschef - van mening is dat het voorhanden hebben van wapens en munitie wel aan hem kan worden toevertrouwd, dan dient hij dit aan te tonen middels een schriftelijke verklaring van een arts of psychiater. Uit deze verklaring moet duidelijk blijken dat de arts of psychiater bekend is met de problemen van betrokkene en dat deze niet of niet langer een belemmering vormen om aan betrokkene een vergunning te verlenen voor het voorhanden hebben van wapens, aldus die passage.

2. Bij besluit van 18 september 2013 heeft de staatssecretaris de weigering van de korpschef om aan [appellant] een verlof te verlenen gehandhaafd, omdat er aanwijzingen zijn die op zijn minst geringe twijfel doen ontstaan of het voorhanden hebben van wapens of munitie aan hem kan worden toevertrouwd. De staatssecretaris verwijst daartoe naar een mutatierapport van de politie en een mailbericht van een conrector van een middelbare school, waarin staat vermeld dat [appellant] in 2007 extreme uitlatingen heeft gedaan en dat destijds onder meer door psychologen is geconcludeerd dat [appellant] een ‘loner’ was, in een sociaal isolement zat, weinig binding had met zijn medeleerlingen, driftig en niet stressbestendig was.

[appellant] heeft hangende het beroep bij de rechtbank een onderzoeksrapport van psychiater R.L. Leta van 21 december 2013 overgelegd, waaruit blijkt dat de psychiater bekend is met de problemen die [appellant] in 2007 heeft ondervonden en heeft geconcludeerd dat geen psychiatrische stoornis, persoonlijkheidsstoornis of (gemaskeerde) psychopathische ontwikkeling bij [appellant] kan worden vastgesteld. De psychiater achtte bij betrokkene niet een verhoogd risico, actueel en in de voorzienbare toekomst, aanwezig indien hij een vuurwapen zou bezitten ten behoeve van de schietsport.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank de staatssecretaris opgedragen nader te motiveren waarom de psychische gesteldheid van [appellant], gelet op dit rapport, vorenbedoelde twijfel oplevert.

Bij brief van 24 juni 2014 heeft de staatssecretaris vervolgens gemotiveerd te kennen gegeven dat, gelet op dit rapport, [appellant] kennelijk geen psychische stoornis heeft. Niettemin geven de extreme uitlatingen en het gedrag van [appellant] de staatssecretaris voldoende reden voor vorenbedoelde twijfel.

De rechtbank heeft na vernietiging van het besluit van 18 september 2013 aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van dit besluit in stand te laten, omdat de staatssecretaris in zijn brief van 24 juni 2014 voldoende heeft gemotiveerd waarom er reden is voor twijfel.

3. [appellant] voert aan dat de rechtbank, door de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, heeft miskend dat het rapport van de psychiater een recent beeld geeft van zijn persoon en dat de staatssecretaris heeft nagelaten om te motiveren waarom aan zijn uitlatingen in 2007 meer waarde wordt toegekend dan aan de uitkomsten van dit rapport. [appellant] voert verder aan dat hij voldoet aan de toekomstige wettelijke eis dat een aanvrager van een wapenverlof meewerkt aan een onderzoek op grond waarvan kan worden beoordeeld of er een verhoogde kans op vrees voor misbruik is.

[appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn huidige maatschappelijke betrokkenheid. Hij verwijst hiertoe naar een artikel dat is verschenen in het studentenblad ‘Folia Magazine’ van september 2013 over zijn lidmaatschap bij het Korps Nationale Reserve en naar een mailbericht van zijn sergeant bij dit korps. Hieruit blijkt volgens hem dat er geen vrees voor misbruik is.

3.1. In de Circulaire is als uitgangspunt neergelegd dat degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie in een bijzondere positie komt te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Het weigeren van verlof is volgens de Circulaire een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van dit maatschappelijk belang, is blijkens de Circulaire daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken uitzondering voldoende reden om verlof niet te verlenen respectievelijk in te trekken, mits deze twijfel objectief toetsbaar is.

3.2. Voor zover [appellant] aanvoert dat het rapport van de psychiater een recent beeld geeft van zijn persoon, heeft hij niet onderkend dat de staatssecretaris de weigering van een verlof na de tussenuitspraak, gelet op dit rapport, niet langer heeft gebaseerd op zijn psychische gesteldheid. Dat de psychische gesteldheid van [appellant] niet in de weg staat aan de verlening van een verlof, laat onverlet dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er andere aanwijzingen zijn die op zijn minst geringe twijfel doen ontstaan aan het verantwoord zijn van de te maken uitzondering op het verbod om wapens of munitie voorhanden te hebben. De staatssecretaris heeft, gelet op de niet-limitatieve opsomming in de Circulaire van feiten waarop vrees van misbruik kan worden gebaseerd, daartoe redengevend mogen achten dat [appellant] in 2007 op achttienjarige leeftijd een foto van een Koreaanse jongen, die in datzelfde jaar meerdere mensen had doodgeschoten op een school in de Verenigde Staten, als zijn ‘avatar’ op MSN Messenger heeft gebruikt. [appellant] heeft voorts op MSN Messenger het bericht geplaatst dat hij niet op een doordeweekse dag in een school zou schieten, maar in een volle aula tijdens een diploma-uitreiking. Verder heeft hij berichten geplaatst met de teksten "Al Qaida leider dood" en "fuck Amerika" na de dood van een Al Qaida-leider. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt mogen stellen dat deze uitingen van bewondering van ernstige geweldsdelicten en extreme uitlatingen, welke bij de regionale inlichtingendienst bekend zijn en waarvan melding is gemaakt in een mutatierapport van de politie, niet passen bij een toekomstig verlofhouder. De staatssecretaris heeft in de maatschappelijke betrokkenheid van [appellant], welke door zijn lidmaatschap bij het Korps Nationale Reserve wordt bevestigd, geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat de twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken uitzondering op het verbod om wapens of munitie voorhanden te hebben daarmee thans geheel is weggenomen.

In aanmerking genomen dat de staatssecretaris bij brief van 24 juni 2014 genoegzaam heeft gemotiveerd dat er aanwijzingen zijn die twijfel doen ontstaan of het voorhanden hebben van wapens of munitie aan [appellant] kan worden toevertrouwd en de omstandigheid dat artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwm imperatief is geformuleerd, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 18 september 2013 in stand kunnen laten.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Larsson-van Reijsen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2015

344.