Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2873

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2015
Datum publicatie
09-09-2015
Zaaknummer
201503244/1/R2 en 201503244/3/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van26 februari 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Omgeving Arrisveld" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503244/1/R2 en 201503244/3/R2.

Datum uitspraak: 4 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op de beroepen, in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Winterswijk,

2. [appellant sub 2], wonend te Winterswijk,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Winterswijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van26 februari 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Omgeving Arrisveld" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 14 juli 2015, waar [appellant sub 1], bijgestaan door [gemachtigde], werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, [appellant sub 2], in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R.E.M. Lankveld, G.J. Verzijden en R. Nijland, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plan maakt de aanleg van een nieuwe verbindingsweg met rotonde tussen de Groenloseweg en het Beatrixpark in Winterswijk mogelijk. De overige gronden binnen het plangebied worden conserverend bestemd.

Formele bezwaren

4. [appellant sub 1] betoogt dat in de publicatie van het vastgestelde plan in de Staatscourant staat dat het definitieve bestemmingsplan is te raadplegen op ruimtelijke plannen.nl via code NL.IMRO.0294.BP1409BGARRISVELD1-VA01 maar dat een plan met die code niet is te raadplegen en dat op ruimtelijke plannen aan het plan code NL.IMRO.0294.BP1402SGARRISVELD-VA01 is toegekend. [appellant sub 1] betoogt dat gelet hierop geen digitale versie van het vastgestelde bestemmingsplan aanwezig is en dat het bestemmingsplan niet van kracht is.

5. [appellant sub 1] betoogt dat in de genoemde publicatie van het vastgestelde plan is verzuimd te melden dat in november 2014 aanvullend natuuronderzoek is uitgevoerd en dat dit deel uitmaakt van de bijlagen van het bestemmingsplan.

6. De beroepsgronden hebben betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kunnen reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheden kunnen dan ook geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit. De betogen falen.

Nut en noodzaak

7. [appellant sub 1] betoogt dat de noodzaak voor de aanleg van de verbindingsweg voor louter een betere ontsluiting van het Streekziekenhuis Koningin Beatrix niet is aangetoond. Hij betoogt dat het verkeerskundig onderzoek dat aan de besluitvorming ten grondslag ligt is gedateerd. Tevens betoogt [appellant sub 1] dat met het plan tevens is beoogd een toekomstig bedrijventerrein in het gebied te ontsluiten maar dat dat onvermeld is gebleven.

8. [appellant sub 2] betoogt dat de aanleiding voor het plan uitsluitend was om voor de ambulance een alternatieve route mogelijk te maken.

9. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat met het plan is beoogd om een juridische basis te scheppen voor een nieuwe verkeersafwikkeling van en naar het Streekziekenhuis Koningin Beatrix omdat de huidige verkeersafwikkeling niet goed functioneert. Een bestemmingsplan plan dat een uitbreiding van het bedrijventerrein waar [appellant sub 1] op doelt mogelijk maakt is in voorbereiding, maar vormt geen onderdeel van het voorliggende plan. Het ontsluiten van dat terrein is ook niet voorzien in het plan.

10. Aan het besluit ligt een verkeersonderzoek uit 2010 ten grondslag. Uit dit verkeersonderzoek uit 2010 is gebleken dat al geruime tijd de verkeersafwikkeling ter plaatse niet goed is en dat die moet worden verbeterd, ook om de afwikkeling van het verkeer inclusief de ambulance van en naar het Streekziekenhuis mogelijk te maken. Omdat het onderzoek dateert uit 2010 heeft de raad de actualiteit van de behoefte toegelicht. Aan de hand van verkeersgegevens tot 2014 heeft de raad toegelicht dat de probleemanalyse uit het verkeersonderzoek uit 2010 en de voorgestelde oplossingen nog steeds actueel zijn. De voorgestelde maatregelen zijn enigszins aangepast aan de gewijzigde verkeersituatie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in het licht van deze toelichting niet gebleken dat het gehanteerde verkeersonderzoek onvoldoende actueel zou zijn en dat de raad zich daarom bij de vaststelling van het plan niet op dit document had mogen baseren.

11. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad op de hiervoor genoemde gronden nut en de noodzaak van de voorziene verbindingsweg in redelijkheid aanwezig kunnen achten. Het betoog faalt.

Flora en fauna

12. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan. Het wegtracé doorsnijdt de Hoge Es en daardoor ontstaat schade aan de natuur. Een in november 2014 afgerond natuuronderzoek heeft niet ter inzage gelegen bij het ontwerpbestemmingsplan, terwijl dat wel had gemoeten. [appellant sub 1] betoogt dat de uitkomsten van de natuuronderzoeken die de raad aan het plan ten grondslag heeft gelegd voor wat betreft de uitkomsten ten aanzien van de vleermuizen niet deugdelijk zijn en verwijst in dat verband naar conclusies in het rapport "Uitbreiding Beatrixpark Masterplan Winterswijk" van Staring Advies uit 2006. Bovendien stelt [appellant sub 1] dat sprake is van onjuistheden in het natuuronderzoek uit november 2014 voor zover dat betreft de tijdstippen van de onderzoeken die in het gebied hebben plaatsgevonden, omdat niet duidelijk is of er ochtendbezoeken hebben plaatsgevonden.

13. De raad stelt dat gelet op de uitkomsten van de natuuronderzoeken de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat.

14. De raad heeft na het ter inzage leggen van het ontwerp-plan met bijlagen aanleiding gezien nader onderzoek te laten verrichten. Het rapport van november 2014 kon dan ook niet bij het ontwerp ter inzage worden gelegd. Het aanvullend natuuronderzoek van november 2014 heeft bij het vaststellingsbesluit zowel analoog als digitaal ter inzage gelegen.

15. De vragen of voor de uitvoering van de bestemmingsplannen een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad de plannen niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van de plannen in de weg staat.

16. Het onderzoeksbureau Staring Advies heeft in februari 2014 een Quickscan natuurtoets Arrisveld in Winterswijk uitgevoerd. Aan de hand van de resultaten van deze quickscan is geconcludeerd dat voor wat betreft onder meer vleermuizen aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Staring Advies heeft in november 2014 aanvullend onderzoek verricht. Ten aanzien van vleermuizen is in het daarop betrekking hebbende rapport geconcludeerd dat het onderzoeksgebied voor de daar voorkomende vleermuissoorten als gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en mogelijke watervleermuis van beperkt belang is. Bij ingrepen in de aanwezige groenstructuren verdwijnen geen verblijfplaatsen. Het onderzoeksgebied is verder niet essentieel van belang als foerageergebied voor vleermuizen. Hierdoor zijn de ingrepen niet ontheffingsplichtig en hoeven geen compenserende en mitigerende maatregelen getroffen te worden, aldus het rapport.

17. De uitkomsten uit het rapport "Uitbreiding Beatrixpark Masterplan Winterswijk" waar [appellant sub 1] op wijst dateren uit 2006, hebben betrekking op een ander tracé dat niet in procedure is gebracht en de huidige onderzoeksopzet wijkt af van de in 2006 gehanteerde opzet. Ten aanzien van de gestelde onduidelijkheid met betrekking tot de ochtendbezoeken heeft de raad toegelicht dat het onderzoek is uitgevoerd conform het vleermuisprotocol 2013 en dat ochtendbezoeken niet nodig waren, omdat geen sprake is van zwermen rond zomer- of kraamverblijven en het gaat om een klein overzichtelijk onderzoeksgebied. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze bevindingen onjuist zijn en het door de raad aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde onderzoek onjuist of onvolledig is te achten.

18. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van de bestemmingsplannen in de weg staat. Het betoog faalt.

Geluid

19. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vrezen dat het plan ter plaatse van hun woningen leidt tot geluidoverlast met name omdat de afstand tot de aan te leggen rotonde gering is.

20. De raad stelt dat het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde geluidrapport, dat is gebaseerd op wettelijke vastgestelde geluidnormen, heeft aangetoond dat er geen belemmering uit dat oogpunt valt te verwachten.

21. Gelet op de omstandigheid dat uit het opgestelde geluidrapport blijkt dat de berekende geluidbelasting vanwege het wegverkeer onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB blijft, ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan ter hoogte van de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet leidt tot een onaanvaardbare geluidhinder.

Tracékeuze nieuwe weg/locatie rotonde

22. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de raad onvoldoende heeft bezien of de rotonde op grotere afstand van hun woningen kan worden gesitueerd, hetgeen leidt tot een minder ingrijpende ingreep in het landschap ter plaatse van de Hoge Es en leidt tot minder (geluids)overlast voor omwonenden.

23. Ten aanzien van het betoog dat er onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar een alternatieve locatie, overweegt de voorzieningenrechter dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. De raad heeft bij de tracékeuze met rotonde verschillende locaties in aanmerking genomen en daarbij de gevolgen voor het landschap en voor omwonenden en de kosten betrokken. Resultaat van deze afweging is dat een ligging ten westen van de [locatie 1] een grote impact heeft op het landschap omdat een groter deel van het open gebied wordt doorsneden en dat dat kostbaarder is gezien de extra weglengte die noodzakelijk is. Tussen de percelen [locatie 2] en [locatie 1] is gezocht naar de optimale locatie in verband met de vanuit een oogpunt van veiligheid, overzichtelijkheid en berijdbaarheid gewenste haakse aansluiting van de naar de rotonde leidende wegen. De nieuwe weg is ten zuiden van de Hoge Es zo geprojecteerd dat de impact op de natuur zo beperkt mogelijk wordt gehouden. Door deze keuze kan aan de westzijde ook de bestaande bomenrij behouden blijven. Naar aanleiding van de tracékeuze is ook natuuronderzoek en geluidsonderzoek verricht waaruit is gebleken dat er geen belemmeringen zijn te verwachten. Onder deze omstandigheden heeft de raad in redelijkheid voor het tracé in het plan kunnen kiezen. Het betoog faalt.

Tenslotte

24. Wat [appellant sub 2] heeft aangevoerd ten aanzien van een handhavingszaak uit 2012 en een verzoek om invoering van een maximaal snelheid betreft aspecten die in de onderhavige procedure niet aan de orde kunnen komen, aangezien uitsluitend het besluit tot vaststelling van het plan voorligt.

25. De beroepen zijn ongegrond.

26. Gelet hierop bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

27. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen ongegrond;

II. wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Ouwehand

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2015

224.