Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2858

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2015
Datum publicatie
09-09-2015
Zaaknummer
201504174/1/R6 en 201504174/2/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 maart 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Vivero, Langeraarseweg 12 en Landgoed Langeraar" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504174/1/R6 en 201504174/2/R6.

Datum uitspraak: 31 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op de beroepen, in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop,

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Nieuwkoop,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Vivero, Langeraarseweg 12 en Landgoed Langeraar" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A en appellant sub 1B] en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld hebben [appellant sub 2] en anderen, onder wie ook [appellant sub 1A en appellant sub 1B], de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 augustus 2015, waar [appellant sub 1A en appellant sub 1B] en [appellant sub 2] en anderen, allen bij monde van [appellant sub 1A], vergezeld door onder anderen [personen] en [appellant sub 2], en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.J.R. van Binsbergen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en T. Amesz, A.C.J. Niekel en mr. S.M. Bakker, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Partijen hebben toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plan maakt de bouw van in totaal maximaal 168 woningen aan de noordoostzijde van de kern Langeraar mogelijk. De hoofdontsluitingsweg van het plangebied is voorzien op de Langeraarseweg ter hoogte van Langeraarseweg 12. [appellant sub 1A en appellant sub 1B] en [appellant sub 2] en anderen wonen allen aan de Langeraarseweg in de nabijheid van de voorziene hoofdontsluitingsweg.

4. [appellant sub 2] en anderen betogen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de ontsluiting van het plangebied. Zij voeren hiertoe aan dat de raad alternatieve wijzen van ontsluiting onvoldoende heeft onderzocht en wijzen op een door hen aangedragen variant waarin het plangebied rechtstreeks op de Vriezenweg wordt ontsloten. Bij deze variant worden, anders dan bij de door de raad gekozen variant, de Langeraarseweg en het reeds overbelaste kruispunt met de Geerweg ontlast. Voorts voeren zij aan dat de door de raad gekozen wijze van ontsluiting leidt tot een verkeersonveilige situatie op de Langeraarseweg. Weliswaar heeft de gemeentelijke Verkeerscommissie deze wijze van ontsluiting beoordeeld, maar aan deze beoordeling ligt onvoldoende onderzoek ten grondslag, aldus [appellant sub 2] en anderen. Daarenboven voeren [appellant sub 1A en appellant sub 1B] aan dat de verplaatsing van de oversteekplaats voor fietsers zal leiden tot gevaarlijke situaties aangezien fietsers in de nieuwe situatie direct langs het parkeerterrein van de huisartsenpraktijk zullen rijden.

4.1. Aan het plan ligt een analyse van de mogelijkheden voor de ontsluiting van het plangebied ten grondslag. In deze variantenstudie zijn de voor- en nadelen van zes mogelijke wijzen van ontsluiting van het plangebied beoordeeld. Op grond van de variantenstudie heeft de raad gekozen voor de ontsluiting ter plaatse van Langeraarseweg 12. Volgens de raad wijzigt bij deze variant de stedenbouwkundige structuur van het plan niet, terwijl tegen deze variant, anders dan tegen de overige varianten, verder geen overwegende bezwaren bestaan. Wat betreft de door [appellant sub 2] en anderen genoemde variant heeft de raad zich in het bijzonder op het standpunt gesteld dat de aanleg van een dergelijke ontsluitingsweg door open polderlandschap ongewenst is en dat de wegbeheerder van de Vriezenweg zich verzet tegen een rechtstreekse ontsluiting van het plangebied op deze weg.

De voorziene ontsluiting ter plaatse van de Langeraarseweg 12 is op 3 maart 2014 besproken door de gemeentelijke Verkeerscommissie, waarin onder anderen afgevaardigden van politie, brandweer en Veilig Verkeer Nederland en andere verkeersdeskundigen zitting hebben. De Verkeerscommissie is akkoord gegaan met de voorgestelde ontsluiting van het plangebied onder een aantal voorwaarden die de wijze van uitvoering van de ontsluiting betreffen. Daarnaast heeft de Verkeerscommissie een aantal suggesties gedaan. De voorwaarden en suggesties zijn door het gemeentebestuur overgenomen en op een tekening verwerkt. Deze tekening is op 19 mei 2014 besproken in de Verkeerscommissie, waarbij nog een aantal aanvullende uitvoeringsmaatregelen zijn voorgesteld. Vervolgens heeft de raad bij besluit van 19 maart 2015 de grens van de bebouwde kom op de Langeraarseweg overeenkomstig de door de Verkeerscommissie akkoord bevonden tekening verplaatst.

4.2. De raad dient bij de keuze van de bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van die alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. In de variantenstudie zijn de voor- en nadelen van zes mogelijke wijzen van ontsluiting van het plangebied beoordeeld. De Verkeerscommissie heeft vervolgens een advies uitgebracht dat ertoe strekt dat de door de raad gekozen wijze van ontsluiting op een verkeersveilige wijze kan worden uitgevoerd indien een aantal uitvoeringsmaatregelen wordt getroffen. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de variantenstudie en het advies van de Verkeerscommissie niet in redelijkheid aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Hierbij is van belang dat [appellant sub 2] en anderen niet hebben aangegeven wat nader onderzoek had kunnen bijdragen aan het advies van de Verkeerscommissie dat de beoogde ontsluiting op een verkeersveilige wijze kan worden uitgevoerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad dan ook op basis van de variantenstudie in redelijkheid kunnen kiezen voor de voorziene ontsluitingsweg ter plaatse van Langeraarseweg 12 en zich daarbij op grond van het advies van de Verkeerscommissie op het standpunt kunnen stellen dat deze ontsluiting op een verkeersveilige wijze kan worden gerealiseerd.

Voorts heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op de Langeraarseweg, voor zover gelegen binnen de bebouwde kom, al rekening gehouden moet worden met in- en uitrijdend verkeer en langsrijdende fietsers. In de omstandigheid dat in de nieuwe situatie vanwege de verkeersveilige ontsluiting van het plangebied op de Langeraarseweg de fietsoversteekplaats wordt verplaatst en fietsers in de nieuwe situatie langs het parkeerterrein van de huisartsenpraktijk zullen rijden, heeft de raad naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen aanleiding hoeven zien om van de voorziene ontsluiting van het plangebied af te zien.

Het betoog faalt.

5. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de ontsluiting van het plangebied op de Langeraarseweg zal leiden tot een onaanvaardbare toename van het aantal motorvoertuigbewegingen op de Langeraarseweg. Weliswaar heeft de raad onderzoek laten doen naar de bestaande en de verwachte verkeersintensiteit op de Langeraarseweg, maar dit onderzoek is niet representatief, aldus [appellant sub 2] en anderen. Als redenen noemen zij dat de tellingen zijn gedaan in de week voor de zomervakantie, waarin het droog en zonnig was, en dat slechts eenmaal is geteld. Verder wordt in het rapport van een aantal onjuiste aannames uitgegaan, zoals de aanname dat de Langeraarseweg (noord) de hoofdontsluiting vormt voor 50% van de gehele kern Langeraar; vanwege de versmalde Langeraarseweg (zuid) maakt meer dan 50% van de inwoners van de kern Langeraar gebruik van de Langeraarseweg (noord), aldus [appellant sub 2] en anderen. Daarnaast zijn toekomstige ontwikkelingen in het dorp, waaronder de ontwikkeling van Langeraar-West, niet in het onderzoek betrokken. De raad heeft dit onderzoek dan ook niet aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen, aldus [appellant sub 2] en anderen. Wat betreft de aanvaardbaarheid van de verwachte verkeersintensiteit wijzen zij er verder op dat de raad heeft moeten overgaan tot een verandering van de wegcategorisering voor een deel van de Langeraarseweg, hetgeen erop wijst dat de verwachte verkeersintensiteit niet aanvaardbaar is. [appellant sub 1A en appellant sub 1B] voeren daarnaast aan dat de verwachte verkeersintensiteit ertoe zal leiden dat zij nauwelijks nog hun perceel kunnen afrijden, hetgeen met name voor de huisartsenpraktijk van [appellant sub 1B] bezwaarlijk is.

5.1. De raad heeft voor het bepalen van de verkeerseffecten van de verplaatsing van sportvereniging Altior en het effect van de nieuwe wijk op het wegennet van Langeraar onderzoek laten doen door BonoTraffics BV. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het memo "Verkeersonderzoek Langeraar, effect verplaatsing sportvereniging Altior en effect nieuwe wijk" van 20 oktober 2014 (hierna: het BonoTraffics-memo). Voor het memo is de bestaande verkeersintensiteit op 6 locaties vastgesteld door mechanische verkeerstellingen. De verkeersproductie van de voorziene 168 woningen is berekend op basis van de CROW-publicatie "verkeersgeneratie woon- en werkgebieden". De bestaande intensiteit vermeerderd met de nieuwe verkeersproductie is vergeleken met de maximale intensiteit volgens het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan in samenhang met de ASVV 2004 op de wegen in Langeraar. In het BonoTraffics-memo wordt geconcludeerd dat de verplaatsing van sportvereniging Altior en de realisatie van de nieuw te ontwikkelen woningen op basis van de 30 km categorisering geen problemen opleveren voor het onderliggend wegennet van Langeraar. Op het noordelijke deel van de Langeraarseweg worden 3.300 motorvoertuigen per etmaal verwacht, terwijl volgens de ASVV 2004 de indicatieve maximale intensiteit op dit type wegen 5.000-6.000 motorvoertuigen per etmaal is. Het in het centrum van Langeraar gelegen woonerfgedeelte van de Langeraarseweg krijgt als woonerf in de toekomstige situatie 2.500 motorvoertuigen per etmaal te verwerken. De intensiteit komt daarmee weliswaar net boven de indicatieve maximale intensiteit volgens de ASVV 2004 van 2.400 motorvoertuigen per etmaal te liggen, maar het CROW geeft daarbij aan dat de stedenbouwkundige en verkeerskundige inrichting van groter belang voor de verkeersveiligheid zijn dan de intensiteit. Gelet op de inrichting van het woonerfgedeelte van de Langeraarseweg, wordt 2.500 motorvoertuigen per etmaal dan ook als acceptabel beoordeeld. De inrichting is optimaal om de snelheid van het gemotoriseerde verkeer te verminderen en 2.500 motorvoertuigen per etmaal zorgt niet voor een dusdanige drukte dat de oversteekbaarheid van de straat in gevaar komt.

5.2. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op grond van het BonoTraffics-memo op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toename van het aantal verkeersbewegingen op de Langeraarseweg als gevolg van het plan aanvaardbaar is. Dat de verkeerstellingen eenmalig in de week voor de zomervakantie zijn gedaan en dat in het onderzoek tot uitgangspunt is genomen dat de Langeraarseweg (noord) de hoofdontsluiting vormt voor 50% van de inwoners van de kern Langeraar, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de resultaten van dit onderzoek hierdoor zodanig afwijken van hetgeen redelijkerwijs is te verwachten dat de raad dit onderzoek niet in redelijkheid aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de verwachte intensiteit van 3.300 motorvoertuigbewegingen per etmaal voor de Langeraarseweg (noord) ruim binnen de indicatieve maximale intensiteit van 6.000 motorvoertuigbewegingen valt. Gelet hierop heeft de raad in de omstandigheid dat het afrijden van percelen langs de Langeraarseweg door de toename van de verkeersintensiteit mogelijk lastiger wordt, geen aanleiding hoeven zien van de voorziene ontsluiting op de Langeraarseweg af te zien. Daarnaast dient voor de ontwikkeling van Langeraar-West nog een ruimtelijk besluit te worden genomen, waarbij de verkeersgevolgen van dat ruimtelijke besluit in dat verband zullen moeten worden onderzocht. Dat de raad uit een oogpunt van verkeersveiligheid heeft besloten de grens van de bebouwde kom te verplaatsen, kan evenmin het oordeel rechtvaardigen dat de toename van de verkeersintensiteit om die reden als onaanvaardbaar moet worden beschouwd. Het betoog faalt.

6. [appellant sub 1A en appellant sub 1B] betogen dat de voorkeursgrenswaarde reeds ruimschoots wordt overschreden en dat de toename van het verkeer en het continu remmen en optrekken van motorvoertuigen tot een onaanvaardbare toename van het geluidbelasting zal leiden.

6.1. De raad heeft bij de voorbereiding van het plan akoestisch onderzoek laten doen naar de geluidbelasting vanwege wegverkeer als gevolg van het plan. De uitkomsten van dit onderzoek zijn beschreven in het door Oranjewoud opgestelde rapport "Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai woningbouw Langeraar Oost" van 26 november 2013 en het door AnteaGroup opgestelde addendum hierop van 19 september 2014. Op grond van deze onderzoeken concludeert de raad dat de toename van de geluidbelasting ter plaatse van de woningen van [appellant sub 1A en appellant sub 1B] maximaal 0,5 dB is. [appellant sub 1A en appellant sub 1B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de akoestisch onderzoeken onjuistheden of leemten in kennis bevatten. Gelet op deze maximale toename van 0,5 dB is de voorzieningenrechter van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van een onaanvaardbare toename van de geluidbelasting geen sprake is. Het betoog faalt.

7. [appellant sub 1A en appellant sub 1B] betogen dat de voorziene dijkwoningen ter plaatse van Langeraarseweg 12 leiden tot een aantasting van hun privacy en uitzicht. Zij voeren aan dat dit voorkomen had kunnen worden door de woningen verder naar achteren te plaatsen, waardoor bovendien de verkeersituatie ter plaatse van de hoofdontsluitingsweg overzichtelijker wordt.

7.1. De kortste afstand tussen de woningen van [appellant sub 1A en appellant sub 1B] en de voorziene woningen bedraagt ongeveer 27 meter. De goot- en bouwhoogte van de voorziene woningen is maximaal 10 meter. Weliswaar zal de in het plan voorziene woningbouw leiden tot enige aantasting van de privacy en het uitzicht van [appellant sub 1A en appellant sub 1B], maar gelet op de voornoemde afstand en goot- en bouwhoogten is deze aantasting naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zodanig dat de raad daaraan een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen. Daarbij is van belang dat het een stedelijke omgeving betreft en dat de raad heeft toegelicht dat de voorziene woningen ter plaatse van Langeraarseweg 12 niet verder van de weg af kunnen worden geplaatst omdat in dat geval te weinig ruimte resteert om het voorziene aantal woningen te realiseren. Daarnaast heeft de raad in redelijkheid in zijn afweging kunnen betrekken dat in de voorziene situatie de woningen aan beide zijden van de weg op min of meer gelijke afstand van de weg komen te liggen, hetgeen een evenwichtige uitstraling van de Langeraarseweg ten goede komt. Het betoog faalt.

8. Wat betreft het betoog van [appellant sub 2] en anderen dat onvoldoende is gewaarborgd dat naast de ontwikkeling van Vivero en Langeraarseweg 12 ook het in het plan voorziene landgoed Langeraar zal worden aangelegd, overweegt de voorzieningenrechter dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer is gesloten die de door [appellant sub 2] en anderen bedoelde waarborgen bevat. Het aangevoerde bevat geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening gehouden was dergelijke waarborgen tevens in het plan op te nemen. Het betoog faalt.

9. De beroepen zijn ongegrond.

10. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Boer, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Boer

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2015

745.