Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2854

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2015
Datum publicatie
09-09-2015
Zaaknummer
201409407/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 april 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellant] over 2009 herzien vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409407/1/A2.

Datum uitspraak: 9 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 oktober 2014 in zaak nr. 12/2997 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellant] over 2009 herzien vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 2 april 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 oktober 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 april 2012 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven. Het verzoek van [appellant] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] en de Belastingdienst/Toeslagen hebben nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de minister van Veiligheid en Justitie op het hogerberoepschrift van [appellant] gereageerd.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. B.J.G.L. Jaeger, advocaat te Amsterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, aldaar werkzaam, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Aan het, in bezwaar gehandhaafde, besluit van 20 april 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [persoon] moet worden aangemerkt als toeslagpartner van [appellant] en [appellant] niet heeft gereageerd op het verzoek stukken toe sturen waaruit blijkt dat hij in 2009 inkomsten uit arbeid of winst uit onderneming had, studeerde of een uitkering ontving in combinatie met een reïntegratietraject of inburgeringscursus, als bedoeld in artikel 6 van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko).

2. De rechtbank heeft het besluit van 2 april 2012 vernietigd vanwege een motiveringsgebrek en de rechtsgevolgen van dit besluit in stand gelaten omdat uit de aanslag inkomstenbelasting van [appellant] over 2009 volgde dat het verzamelinkomen op nihil was vastgesteld. Volgens de rechtbank voldeed [appellant] daarmee niet aan de in artikel 6 van de Wko gestelde voorwaarden om aanspraak te maken op kinderopvangtoeslag.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij in 2009 geen inkomsten had en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. [appellant] verwijst daarbij naar het door hem overgelegde nadere stuk, de beschikking inkomstenbelasting van de inspecteur van de Belastingdienst van 6 mei 2015, waaruit blijkt dat zijn verzamelinkomen over 2009 gewijzigd is vastgesteld op € 6.400,00.

3.1. Naar aanleiding van het nadere stuk heeft de Belastingdienst/Toeslagen bij besluit van 26 juni 2015 het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellant] over 2009, op basis van het in de beschikking vermelde inkomen van € 6.400,00, gewijzigd vastgesteld op € 6.951,00. Naar ter zitting is vastgesteld, zijn partijen met elkaar in overleg over de hoogte van dit bedrag en ligt dit nieuwe besluit niet ter beoordeling voor. Het betoog behoeft geen verdere bespreking.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om de Belastingdienst/Toeslagen te veroordelen tot betaling van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, heeft afgewezen. Door te overwegen dat tussen de ontvangst van het bezwaarschrift op 28 april 2011 en het besluit van 2 april 2012 minder dan een jaar is verstreken, heeft de rechtbank uitsluitend de duur van de bestuurlijke fase in haar oordeel betrokken, terwijl zij ook de duur van de rechterlijke fase hierin had moeten betrekken, aldus [appellant].

4.1. De vraag of de redelijke termijn is overschreden wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene.

Het primaire besluit is vóór 1 februari 2014 bekendgemaakt. De rechtbank heeft daarom terecht niet de gewijzigde rechtspraak toegepast, zoals die is neergelegd in de uitspraak van 29 januari 2014 in zaak nr. 201302106/1/A2, maar de termijnen toegepast die de Afdeling vóór die uitspraak hanteerde. Zij heeft daarbij echter ten onrechte slechts beoordeeld of het besluit van 2 april 2012 is genomen binnen een redelijke termijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 december 2008 in zaak nr. 200802629/1, dient bij de beoordeling van de redelijke termijn de duur van de procedure als geheel in aanmerking te worden genomen. Voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar mag duren, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren.

[appellant] voert terecht aan dat in gevallen zoals deze, waarin in beroep is aangevoerd dat de redelijke termijn is geschonden, de rechtbank daarover op basis van de voormelde voor de behandeling van het bezwaar en beroep gestelde termijnen haar oordeel dient te geven. Bij deze beoordeling is uitgangspunt dat de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep tezamen niet meer dan drie jaar mag duren en vertraging in bezwaar door voortvarendheid in beroep kan worden gecompenseerd.

Nu het bezwaarschrift van [appellant] op 28 april 2011 door de Belastingdienst/Toeslagen is ontvangen en tussen die datum en de uitspraak van de rechtbank van 10 oktober 2014 een periode van drie jaar en ruim vijf maanden is verstreken, was de redelijke termijn ten tijde van de aangevallen uitspraak met ruim vijf maanden overschreden. Deze termijnoverschrijding dient voor rekening van de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) te komen, nu de behandeling van het beroep twee jaar en bijna vier maanden heeft geduurd, terwijl de behandeling van het bezwaar door de Belastingdienst/Toeslagen minder dan een jaar in beslag heeft genomen.

Uitgaande van een tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, brengt dit mee dat [appellant] jegens de minister van Veiligheid en Justitie recht heeft op een vergoeding voor immateriële schade van € 500,00.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is afgewezen.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling zelf op het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn beslissen. De Afdeling zal op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de minister van Veiligheid en Justitie veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,00 aan [appellant] als vergoeding voor de door hem geleden immateriële schade.

6. De minister van Veiligheid en Justitie dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

7. Een redelijke toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb brengt met zich dat het door [appellant] in hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier van de Raad van State aan hem wordt terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 oktober 2014 in zaak nr. 12/2997, voor zover het verzoek om schadevergoeding is afgewezen;

III. veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie om aan [appellant] een vergoeding voor immateriële schade van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro) te betalen;

IV. veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 246,00 (zegge: tweehonderdzesenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.

w.g. Wortmann w.g. De Vlieger-Mandour

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2015

615.