Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2841

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2015
Datum publicatie
09-09-2015
Zaaknummer
201502428/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 januari 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Vakantiepark Boschvoort, Koeveringsedijk Sint-Oedenrode" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2015/2627
JOM 2015/955
JM 2015/163 met annotatie van M.H. Blokvoort
OGR-Updates.nl 2015-0212
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502428/1/R3.

Datum uitspraak: 9 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

[appellant], wonend te Sint-Oedenrode,

en

de raad van de gemeente Sint-Oedenrode,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Vakantiepark Boschvoort, Koeveringsedijk Sint-Oedenrode" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. D. van de Weerdt, en de raad, vertegenwoordigd door C. van den Bogaard, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is ter zitting, [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als belanghebbende gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Op het vakantiepark Boschvoort aan de Koeveringsedijk te Sint-Oedenrode staan thans tien vakantieverblijven. Het plan voorziet in een uitbreiding tot 36 vakantiebungalows en zeventien campingplaatsen. [appellant] woont op een afstand van ongeveer 30 m van het plangebied.

4. In de uitspraak van 23 mei 2014 in zaken nrs. 201400224/1/R3 en 201400224/2/R3 heeft de voorzieningenrechter het eerdere bestemmingsplan "Vakantiepark Boschvoort te Sint-Oedenrode", waarin een uitbreiding van het vakantiepark werd mogelijk gemaakt, vernietigd.

5. [appellant] voert aan dat de uitgangspunten die de raad heeft gehanteerd bij de berekening van de verwachte verkeersgeneratie als gevolg van het plan niet juist zijn. Verder voert [appellant] aan dat niet duidelijk is hoeveel motorvoertuigbewegingen per etmaal er voor de medewerkers van het vakantiepark moeten worden mee gerekend.

5.1. Ter onderbouwing van de verwachte verkeersgeneratie als gevolg van het plan verwijst de raad in zijn verweerschrift naar de kencijfers in publicatie 317 van het CROW "kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" van oktober 2012. Voor een camping wordt hierin gerekend met 0,4 motorvoertuigbewegingen per standplaats per etmaal en voor bungalowparken met 2,8 motorvoertuigbewegingen per bungalow per etmaal. Dit betekent dat het aantal te verwachten motorvoertuigbewegingen voor 17 campingplaatsen en 36 bungalows ongeveer 107,6 per etmaal is. Het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal dat moet worden meegerekend voor de medewerkers van het park is volgens de raad verwaarloosbaar. Er zullen ten hoogste 3 tot 4 werknemers tegelijkertijd op het park aanwezig zijn. De toename van de verkeersintensiteiten op het omliggende wegennet is volgens de raad relatief gering. Het plan zal volgens de raad gelet hierop geen ernstige verkeersoverlast tot gevolg hebben.

5.2. De raad heeft voor de berekening van de verwachte verkeersgeneratie als gevolg van het plan gebruik kunnen maken van de kencijfers in de CROW-publicatie. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de door de raad gehanteerde uitgangspunten onjuist zijn. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal dat voor de medewerkers van het park moet worden meegerekend verwaarloosbaar is. Gelet op bovenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het extra verkeer als gevolg van het plan zal leiden tot ernstige verkeersoverlast.

Het betoog faalt.

6. [appellant] voert aan dat de raad wat betreft de gevolgen van het plan voor het verkeer ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de grootschalige mestverwerker die in de nabijheid van het vakantiepark zal komen. In een advies van het Bureau Gezondheid, Milieu en Veiligheid van de GGD Brabant/Zeeland van 1 mei 2014 is vermeld dat er als gevolg van de mestverwerker 156 zware transporten per dag zijn te verwachten. Volgens [appellant] zal de Koeveringsedijk, die langs het vakantiepark loopt, een belangrijke toevoerroute voor de mestverwerker zijn, omdat die weg geschikt is voor zwaar verkeer. De randweg is volgens hem niet geschikt voor zware transporten.

6.1. De Afdeling is van oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan voldoende rekening heeft gehouden met de voorziene mestverwerker. Hiertoe is van belang dat de raad heeft toegelicht dat de verwachte verkeersgeneratie van de mestverwerker 42 verkeersbewegingen per etmaal bedraagt. De 156 transporten per dag waar [appellant] op wijst betreffen incidentele transporten die eenmaal per jaar voorkomen in verband met de aanvoer van maïs. Verder is van belang dat de raad heeft toegelicht dat het verkeer van en naar de mestverwerker voornamelijk gebruik zal maken van de randweg en niet langs het vakantiepark zal rijden. Deze randweg is volgens de raad geschikt voor de transporten.

Het betoog faalt.

7. [appellant] voert aan dat in het plan ten onrechte geen maximale oppervlakte voor het terras ten behoeve van de horecavoorziening is opgenomen. Gezien de samenhang van het plan met het Masterplan Vlagheide, waarin de recreatieve ontwikkeling van het gebied is voorzien, kan het terras volgens [appellant] een grote verkeersaantrekkende werking hebben.

7.1. In de planregels is opgenomen dat de horeca op het vakantiepark ondergeschikt dient te zijn aan de hoofdfunctie en dat de omvang niet meer mag bedragen dan 50 m2. Gelet op de beperkte omvang van de horecafunctie heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen onaanvaardbare overlast is te verwachten. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad in het plan een maximale oppervlakte voor het terras had moeten opnemen. Wat betreft het Masterplan Vlagheide heeft de raad toegelicht dat er nog planologische procedures zullen volgen over de daarin opgenomen nieuwe ontwikkelingen en dat daarin de verkeersaantrekkende werking van die plannen zal worden beoordeeld. [appellant] kan in die procedures zijn bezwaren tegen die plannen naar voren brengen.

Het betoog faalt.

8. [appellant] voert aan dat de parkeernorm van 1,5 parkeerplaats per recreatiewoning te laag is. Voorts wordt deze norm volgens hem niet gehaald. Volgens [appellant] zijn in het plan 75 parkeerplaatsen voorzien, terwijl er volgens de norm van 1,5 parkeerplaats per recreatiewoning 80 parkeerplaatsen gerealiseerd zouden moeten worden.

8.1. De raad heeft in redelijkheid de minimumnorm van 1,5 parkeerplaats per recreatiewoning kunnen hanteren. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onvoldoende zou zijn. Volgens de toelichting bij het plan zal er bij zesentwintig recreatiewoningen plaats zijn voor een eigen parkeerplaats voor de deur. Daarnaast is er ruimte voor een parkeerterrein bij de ingang van het vakantiepark. Anders dan [appellant] meent is hierop volgens de toelichting geen plaats voor 49, maar voor 54 parkeerplaatsen. Volgens de toelichting komen er derhalve 80 parkeerplaatsen, zodat de norm van 1,5 per recreatiewoning wordt gehaald. Het plan biedt voldoende ruimte voor de aanleg van deze parkeerplaatsen.

Het betoog faalt.

9. [appellant] voert aan dat de conclusie in het akoestisch onderzoek van DPA Cauberg-Huygen B.V. van 25 augustus 2014, dat zijn woon- en leefklimaat door het plan niet zal worden aangetast, geen stand kan houden. In het onderzoek wordt ervan uitgegaan dat geen huisdieren zijn toegestaan op het kampeerveld en dat het na 23.00 uur stil zal zijn. Het zwembad is volgens het onderzoek van 09.00 uur tot 17.00 uur geopend. Dit is volgens [appellant] echter niet in het plan geborgd. Verder is de stelling in het onderzoek dat vooral ouderen in het park zullen recreëren volgens [appellant] niet onderbouwd. Voorts zal het speelveld volgens hem in de zomermaanden intensiever en gedurende een langere periode worden gebruikt dan waarvan in het onderzoek wordt uitgegaan. Ook het uitgangspunt in het onderzoek dat er per bungalow en per parkeerplaats twee motorvoertuigbewegingen per etmaal zullen plaatsvinden is volgens hem onjuist.

9.1. De raad stelt dat op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening een exploitatievergunning moet worden aangevraagd om het park te mogen exploiteren. De openingstijden en andere regels die op het vakantiepark zullen gelden worden opgenomen in de voorwaarden van die vergunning. Verder zal een beheerder worden aangesteld die toezicht houdt op de naleving van de regels op het vakantiepark.

9.2. De raad heeft er in redelijkheid voor kunnen kiezen om de openingstijden van het zwembad en het huishoudelijk reglement niet in het plan vast te leggen. In de voorwaarden van de exploitatievergunning zullen openingstijden worden opgenomen. Hiermee worden deze voldoende verzekerd. Bij het akoestisch onderzoek konden de openingstijden van het zwembad en het huishoudelijk regelement als uitgangspunt worden gebruikt. Dit geeft een representatief beeld van het toegestane gebruik. Gelet op de voorzieningen die het park biedt bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat in het akoestisch onderzoek er niet vanuit kon worden gegaan dat vooral ouderen met kinderen op het vakantiepark zullen recreëren. De enkele stelling van [appellant] dat het speelveld intensiever zal worden gebruikt en er te weinig motorvoertuigbewegingen per parkeerplaats en per bungalow in het onderzoek zijn berekend biedt voorts onvoldoende grond voor het oordeel dat de in het onderzoek gehanteerde uitgangspunten onjuist zijn.

Het betoog faalt.

10. [appellant] voert aan dat nu binnen het bestemmingsvlak "recreatie" overal gebouwd mag worden onvoldoende duidelijk is welke hinder het plan voor hem zal veroorzaken. Volgens [appellant] moet in het plan worden vastgelegd waar het zwembad, de horeca, de receptie, de campingwinkel en het parkeerterrein gesitueerd mogen worden. Voorts dient volgens [appellant], gelet op de inhoud van het akoestisch onderzoek, in het plan te worden opgenomen dat de oppervlakte van het zwembad maximaal 100 m2 mag bedragen.

10.1. In het inrichtingsplan zijn het zwembad, de horeca, de receptie, de campingwinkel en het parkeerterrein gesitueerd in de zuidoostelijke hoek van het plangebied. In het akoestisch onderzoek, waarin wordt geconcludeerd dat het plan wat betreft het aspect geluid niet zal leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omwonenden, is deze inrichting van het plangebied als uitgangspunt genomen. In de verbeelding van het plan zijn echter geen aanduidingen voor de verschillende onderdelen van het plan opgenomen. [appellant] voert derhalve terecht aan dat voormelde functies van het vakantiepark in het hele plangebied mogen komen en gelet daarop niet is geborgd dat het plan wat betreft het aspect geluid geen onaanvaardbare gevolgen zal hebben voor zijn woon- en leefklimaat. In het geval voormelde functies op een andere plek in het plangebied komen is immers niet uitgesloten dat dit zal leiden tot onaanvaardbare geluidshinder. Het plan is in zoverre onzorgvuldig voorbereid. Voorts voert [appellant] terecht aan dat in het plan niet is vastgelegd dat de oppervlakte van het zwembad maximaal 100 m2 mag bedragen, hoewel hier in het akoestisch onderzoek van wordt uitgegaan. In het plan had de maximale oppervlakte van het zwembad moeten worden vastgelegd.

Het betoog slaagt.

11. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond.

12. Voor zover partijen hebben verzocht toepassing te geven aan de in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb gegeven bevoegdheid, ziet de Afdeling geen aanleiding om met toepassing van deze bepaling in dit geval zelf in de zaak te voorzien. Hierbij is van belang dat niet is uitgesloten dat derdebelanghebbenden daardoor in hun belangen zouden kunnen worden geschaad.

13. Met het oog op een spoedige beëindiging van het geschil ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen om binnen 18 weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De raad dient daartoe in het plan vast te leggen waar het zwembad, de horeca, de receptie, de campingwinkel en het parkeerterrein mogen komen. Indien daarbij wordt gekozen voor een andere inrichting van het plangebied dan waarvan in het akoestisch onderzoek wordt uitgegaan dient een aanvullend akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Voorts dient de maximale oppervlakte van het zwembad in het plan te worden vastgelegd. Afdeling 3.4 van de Awb behoeft bij de voorbereiding van het nieuwe besluit niet opnieuw te worden toegepast. De raad dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

14. De Afdeling ziet aanleiding om de hierna vermelde voorlopige voorziening te treffen om onomkeerbare ontwikkelingen te voorkomen.

15. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. draagt de raad van de gemeente Sint-Oedenrode op om binnen 18 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- in het plan vast te leggen waar het zwembad, de horeca, de receptie, de campingwinkel en het parkeerterrein mogen komen, en

- de maximale oppervlakte van het zwembad in het plan vast te leggen, en

- de Afdeling en [appellant] de uitkomst mede te delen en het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

II. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Sint-Oedenrode van 29 januari 2015, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Vakantiepark Boschvoort, Koeveringsedijk Sint-Oedenrode".

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.J.R.R. Brock, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Brock

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2015

603.