Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2836

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2015
Datum publicatie
09-09-2015
Zaaknummer
201409644/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 oktober 2014, kenmerk 2013-007037, heeft de raad het bestemmingsplan "Verwoldseweg 26a Laren" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Waterwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2015/295 met annotatie van D. van der Meijden
JOM 2015/941
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409644/1/R2.

Datum uitspraak: 9 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Lochem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2014, kenmerk 2013-007037, heeft de raad het bestemmingsplan "Verwoldseweg 26a Laren" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft Stichting Belangen Ruitersport Laren een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juni 2015, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door mr. T.D. Rijs, advocaat te Zutphen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. H. van Veldhuisen, werkzaam bij de maatschap voor Ruimtelijke Ordening, en J. Mook, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Stichting Belangen Ruitersport Laren, vertegenwoordigd door G.H. Braakman, gehoord.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

3. Het plan maakt een nieuwe rijhal bij de bestaande manege op het perceel aan de Verwoldseweg 26a te Laren (hierna: het perceel) mogelijk. Daartoe is in de verbeelding aan het perceel de bestemming "Sport" en de functieaanduiding "manege" toegekend. Voorts is ter plaatse van de voorziene rijhal de bouwaanduiding "specifieke bouwaanduiding - nieuw" toegekend. Het perceel wordt begrensd door de Verwoldseweg aan de noordzijde, een bos- en natuurgebied aan de oostzijde, agrarische gronden aan de zuidzijde en aan de westzijde een woonperceel van twee van de appellanten.

Ingetrokken beroepsgrond

4. Ter zitting hebben [appellant] en anderen de beroepsgrond dat de Omgevingsvisie Gelderland van 9 juli 2014 ten onrechte niet bij de besluitvorming is betrokken, ingetrokken.

Procedureel

5. [appellant] en anderen betogen dat de raad hun aanvullende zienswijze bij brief van 17 juni 2014 omtrent de effecten van het plan op de waterhuishouding in het gebied ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.

5.1. Op 18 maart 2014 hebben [appellant] en anderen een pro forma zienswijze naar voren gebracht onder aankondiging van een aanvulling van de gronden. Bij brief van 25 maart 2014 heeft de raad [appellant] en anderen in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken de binnen de wettelijke termijn ingebrachte niet nader toegelichte bezwaren alsnog van gronden te voorzien. Op 8 april 2014 hebben [appellant] en anderen van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Voorts hebben zij bij brief van 17 juni 2014 een aanvullende zienswijze naar voren gebracht. Uit de stukken, waaronder het verweerschrift, blijkt dat de raad de aanvullende zienswijze buiten beschouwing heeft gelaten, omdat deze ruim buiten de daarvoor gestelde termijn bij de raad naar voren is gebracht.

Vaststaat dat [appellant] en anderen tijdig bij de raad een zienswijze tegen het gehele plan kenbaar hebben gemaakt. Vervolgens hebben zij bij brief van 17 juni 2014, derhalve na afloop van de wettelijke termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen en buiten de bij brief van de raad van 25 maart 2014 gegeven termijn van twee weken tot aanvulling van gronden, de zienswijze nader aangevuld. Hetgeen in deze brief is aangevoerd omtrent de effecten van het plan op de waterhuishouding in het gebied kan naar het oordeel van de Afdeling worden aangemerkt als nadere onderbouwing van de tijdig bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Daarbij komt dat deze nadere onderbouwing niet zodanig laat is ingediend dat de raad om die reden niet behoefde in te gaan op de in de desbetreffende brief geuite aanvullende zienswijze. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit in zoverre in strijd met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, nu aannemelijk is dat [appellant] en anderen en andere belanghebbenden door deze schending niet zijn benadeeld. Daartoe wordt overwogen dat de raad in het verweerschrift en ter zitting alsnog inhoudelijk op de effecten van het plan op de waterhuishouding is ingegaan en [appellant] en anderen de mogelijkheid hebben gehad om hierop te reageren en daarvan ook gebruik hebben gemaakt, en dat andere belanghebbenden terzake geen zienswijze hebben ingediend. In overweging 14 van deze uitspraak zal de beroepsgrond omtrent de effecten van het plan op de waterhuishouding en het door de raad ingenomen standpunt met betrekking tot het aspect waterhuishouding worden besproken.

Inhoudelijk

Provinciale Ruimtelijke Verordening Gelderland

6. [appellant] en anderen betogen dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 2 van de Ruimtelijke Verordening Gelderland van 9 januari 2013 (hierna: de Verordening). Zij voeren hiertoe aan dat de voorziene bebouwing op het perceel ten behoeve van de nieuwe rijhal niet is toegestaan op grond van artikel 2, lid 2.2, van de Verordening en niet is voldaan aan de afwijkingsvoorwaarde als bedoeld in artikellid 2.3, aanhef en onder a, van de Verordening. Volgens [appellant] en anderen gaat het niet om bebouwing die functioneel is gebonden aan het buitengebied, nu gelet op de aan het perceel toegekende bestemming "Sport" de manege geen recreatieve functie heeft.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de voorziene bebouwing op het perceel ten behoeve van een nieuwe rijhal niet in strijd is met de bepalingen in de Verordening.

6.2. Ingevolge artikel 2, lid 2.2, van de Verordening is in een bestemmingsplan nieuwe bebouwing ten behoeve van wonen en werken slechts toegestaan:

a. binnen bestaand stedelijk gebied,

b. binnen de woningbouwcontour van de Stadsregio Arnhem-Nijmegen,

c. binnen de zoekrichting woningbouw van de Stadsregio Arnhem-Nijmegen, mits 90% van de woningen worden gebouwd in de betaalbare huur en/of koopsector, met dien verstande dat voor de gemeente Doesburg een percentage van 70 geldt,

d. binnen de zoekzones bedrijventerreinen van de Stadsregio Arnhem-Nijmegen,

e. binnen de zoekzones wonen en werken uit de Streekplanuitwerking Zoekzones stedelijke functies en landschappelijke versterking, zoals opgenomen in bijlage 8.

Ingevolge artikellid 2.3, aanhef en onder a, kan in afwijking van het bepaalde in 2.2 in een bestemmingsplan nieuwe bebouwing ten behoeve van wonen en werken tevens mogelijk worden gemaakt indien de nieuwe bebouwing functioneel gebonden is aan het buitengebied.

6.3. Vaststaat dat het perceel niet is gelegen binnen een gebied dat is aangewezen op grond van artikel 2, lid 2.2, onder a tot en met e, van de Verordening. Op grond van artikel 2, lid 2.3, aanhef en onder a, van de Verordening kan nieuwe bebouwing ten behoeve van wonen en werken tevens mogelijk worden gemaakt indien de nieuwe bebouwing functioneel gebonden is aan het buitengebied. In paragraaf 3.1 van de toelichting van de Verordening is onder andere vermeld dat onder functioneel aan het buitengebied gebonden bebouwing in ieder geval wordt verstaan bebouwing voor recreatie. Wat onder bebouwing voor recreatie wordt verstaan, volgt niet uit deze toelichting. Uit de toelichting volgt wel dat de Verordening het reeds vastgestelde ruimtelijk beleid, waaronder de Structuurvisie, in regels vastlegt, zodat voor de uitleg van de Verordening kan worden teruggevallen op de Structuurvisie. Blijkens de Structuurvisie wordt een manege beschouwd als niet-agrarische bedrijvigheid die nodig is voor of verwant is aan landbouw, bosbouw, natuurbeheer en recreatie in het buitengebied. Nu het exploiteren van een manege in de Structuurvisie is aangemerkt als een niet-agrarische bedrijvigheid die nodig is voor of verwant is aan onder meer recreatie, heeft de raad de nieuwe rijhal ten behoeve van de bestaande manege terecht aangemerkt als bebouwing voor recreatie die functioneel aan het buitengebied is gebonden als bedoeld in de Verordening. Het betoog van [appellant] en anderen dat aan het perceel de bestemming "Sport" is toegekend, doet hier niet aan af. De raad heeft er in dit verband op gewezen dat in zoverre wordt aangesloten bij de landelijke standaard voor bestemmingsplannen 2012, waarin een manege bij de bestemming "Sport" wordt ondergebracht. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de voorziene bebouwing op het perceel ten behoeve van een nieuwe rijhal in strijd is met de bepalingen in de Verordening.

Het betoog faalt.

Flora- en faunawet

7. [appellant] en anderen betogen dat de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat, nu uit het gedane onderzoek blijkt dat in het onderzochte gebied jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen van de huismus aanwezig zijn. Volgens [appellant] en anderen zullen deze vaste rust- en verblijfplaatsen van de huismus als gevolg van het plan worden verstoord en vernield en daartoe kan volgens hen geen ontheffing worden verleend.

Daarnaast betogen zij dat het gedane onderzoek bestaande uit een veldonderzoek ter plaatse van de voorziene rijhal onvoldoende is geweest. Hiertoe voeren zij aan dat ook de vleermuis in het plangebied voorkomt en dat het plan negatieve gevolgen zal hebben voor deze soort. Voorts voeren zij aan dat ten onrechte niet het gehele perceel is onderzocht op de aanwezigheid van andere soorten dan de huismus en de vleermuis. Zij stellen dat uit eigen waarneming is gebleken dat in het gebied andere beschermde soorten voorkomen.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bezwaren van [appellant] en anderen met betrekking tot het flora en fauna onderzoek ingevolge artikel 8:69a van de Awb geen bespreking behoeven, omdat deze niet tot vernietiging van het bestreden besluit kunnen leiden.

Voorts brengt de raad naar voren dat de bebouwing waar zich mogelijk nesten bevinden niet zal worden verwijderd zolang de nesten nog in gebruik zijn. Daarbij zullen in de nabijheid van het onderzochte gebied nestkasten worden geplaatst om de huismussen te stimuleren van de vervangende nesten gebruik te maken voordat de bouw van de nieuwe rijhal zal plaatsvinden.

7.2. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

7.3. Het betoog van [appellant] en anderen strekt tot vernietiging van het bestreden besluit op de grond dat het plan binnen de planperiode van in beginsel tien jaar niet uitvoerbaar is vanwege het in strijd met de Ffw verstoren en vernielen van jaarrond beschermde nesten van de huismus. In zoverre beroepen [appellant] en anderen zich, ter onderbouwing van hun stelling dat het plan in zoverre niet uitvoerbaar is, dan ook op de strijdigheid met de Ffw. De ingeroepen normen uit de Ffw strekken tot bescherming van plant- en diersoorten en hun nesten en vaste rust- of verblijfplaatsen. Het daadwerkelijke belang waarin [appellant] en anderen dreigen te worden geraakt als gevolg van het plan, is het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving. Gezien de geringe afstand tussen het perceel en de woningen van [appellant] en anderen is niet uit te sluiten dat onder andere de huismus in de directe leefomgeving van de woningen [appellant] en anderen voorkomt. Gelet hierop zijn hun belangen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving in dit geval zo verweven met de algemene belangen die de Ffw beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Ffw kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Artikel 8:69a van de Awb staat in zoverre dan ook niet aan een mogelijke vernietiging van het bestreden besluit in de weg.

7.4. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan binnen de planperiode van in beginsel tien jaar in de weg staat.

7.5. Ingevolge artikel 11 van de Ffw is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

7.6. Ten behoeve van het plan is onderzoek verricht naar het voorkomen van beschermde planten- en diersoorten op het perceel. In dit verband heeft op 21 december 2012 veldonderzoek plaatsgevonden. Voorts is een bureaustudie verricht waarbij gebruik is gemaakt van de meest recente verspreidingsgegevens van soorten. De resultaten zijn neergelegd in het rapport "Quick scan flora en fauna" van 8 januari 2013 (hierna: quickscan), opgesteld door SAB Arnhem, in opdracht van Stichting Belangen Ruitersport Laren. Hierbij zijn de soortgroepen vogels, landzoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, insecten, ongewervelde dieren en planten in kaart gebracht. Het onderzoek is uitgevoerd ter plaatse van de voorziene bebouwing ten behoeve van de nieuwe rijhal. Strikt beschermde soorten, met uitzondering van de huismus, zijn niet in het onderzochte gebied aangetroffen. Weliswaar is niet het gehele perceel onderzocht, maar de Afdeling ziet mede gelet op de aard en omvang van het perceel in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het onderzoek naar deze soorten reeds hierom onvolledig zou zijn. Daarbij komt dat [appellant] en anderen geen gegevens hebben overgelegd die op enigerlei wijze aannemelijk maken dat er vaste rust- en verblijfplaatsen van andere soorten dan de huismus op het perceel aanwezig zijn. De enkele stelling dat zij ter plaatse andere soorten waarnemen, acht de Afdeling in dit verband onvoldoende.

Het betoog faalt in zoverre.

7.7. Ten aanzien van de vleermuis is in de quickscan vermeld dat in de omgeving van het onderzochte gebied vleermuizensoorten voorkomen. Voorts blijkt uit de quickscan dat geen vaste rust- en verblijfplaatsen van de vleermuis zijn aangetroffen in de te kappen bomen en de zuidelijke gevel van de bestaande rijhal, waar de voorziene rijhal tegenaan wordt gebouwd. Daarnaast zijn lijnelementen en daarmee belangrijke vliegroutes van vleermuizen volgens de quickscan niet aanwezig in het onderzochte gebied. Deze uitkomsten van de quickscan hebben [appellant] en anderen niet betwist. Weliswaar voorziet het plan naast de nieuwe rijhal in de realisering van parkeerplaatsen, lichtmasten en een beplantingsstrook, maar gezien de bestaande situatie op het perceel met een manege met bijbehorende rijbak, lichtmasten en parkeerplaatsen bestaan in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanknopingspunten voor de verwachting dat het voorliggende plan een negatief effect heeft op de vliegroutes, verblijfplaatsen of het foerageergebied van vleermuizen. Gelet hierop staat de Ffw wat betreft de vleermuis niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan binnen de planperiode van in beginsel tien jaar in de weg.

Het betoog faalt ook in zoverre.

7.8. Ten aanzien van de huismus is in de quickscan vermeld dat in de zuidelijke gevel van de bestaande rijhal op twee plekken mogelijk nesten van deze soort aanwezig zijn. De nesten van de huismus zijn jaarrond beschermd. Gelet hierop worden in de directe omgeving van de bestaande bebouwing in meer geschikt gebied alternatieve broedplaatsen, zoals nestkasten, gerealiseerd en wordt de bestaande bebouwing waar geen nesten aanwezig zijn ongeschikt gemaakt voor broedplaatsen, zodat de mussen van de alternatieve broedplaatsen gebruik zullen gaan maken. Hiermee wordt volgens de raad voorkomen dat er in strijd met de Ffw wordt gehandeld.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 februari 2012, zaak nr. 201104809/1/T1/A3; www.raadvanstate.nl), kunnen slechts die maatregelen die zien op het voorkomen dat de in de artikel 11 van de Ffw opgenomen verboden worden overtreden, worden betrokken bij de beoordeling of één van de in dat artikel opgenomen verboden wordt overtreden. De raad heeft toegelicht dat slechts een gedeelte van de zuidelijke gevel van de bestaande manege zal worden verwijderd. Voorts heeft de raad toegelicht dat de bebouwing waar zich mogelijk nesten bevinden niet zal worden verwijderd alvorens een ecoloog heeft bezien of de nesten nog in gebruik zijn. Zolang die nesten nog in gebruik zijn, heeft de raad toegelicht dat die nesten niet zullen worden aangetast, met ook alle consequenties voor het ter plaatse niet mogen uitvoeren van werken en werkzaamheden van dien. Het plaatsen van nestkasten in de nabijheid van het onderzochte gebied wordt gedaan om de huismussen te stimuleren van de vervangende nesten gebruik te maken en aldus hun huidige nesten te verlaten. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat door het treffen van voornoemde maatregelen - het plaatsen van nestkasten in de nabijheid van het onderzochte gebied en het aldus stimuleren dat huismussen van deze vervangende nesten gebruik zullen gaan maken en het niet mogen uitvoeren van werken en werkzaamheden ter plaatse van in gebruik zijnde nesten van huismussen - overtreding van het verbod van artikel 11 van de Ffw wordt voorkomen en dat de Ffw wat betreft de huismus niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan binnen de planperiode van in beginsel tien jaar in de weg staat.

Het betoog faalt.

Bodem- en archeologisch onderzoek

8. [appellant] en anderen betogen dat bij de voorbereiding van het plan ten onrechte alleen een bodemonderzoek heeft plaatsgevonden op de plek waar de nieuwe rijhal is voorzien. Volgens hen had de bodemkwaliteit van het gehele perceel onderzocht moeten worden, nu verplaatsing van de bestaande bebouwing op het perceel is toegestaan en het plan ondergronds bouwen tot vier meter diepte mogelijk maakt.

Voorts betogen zij dat de raad bij de voorbereiding van het plan ten onrechte geen archeologisch onderzoek heeft uitgevoerd, waardoor niet vast staat dat het plan in zoverre uitvoerbaar is. Hiertoe voeren zij aan dat het plan bodemverstorende activiteiten mogelijk maakt, terwijl onvoldoende vast staat dat deze activiteiten kunnen worden verricht vanwege de mogelijk op het perceel aanwezige waardevolle archeologische monumenten.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de beroepsgronden van [appellant] en anderen met betrekking tot het bodem- en archeologische onderzoek ingevolge artikel 8:69a van de Awb geen bespreking behoeven, omdat deze niet tot vernietiging van het bestreden besluit kunnen leiden.

8.2. Ingevolge artikel 38a van de Monumentenwet 1988, voor zover hier van belang, houdt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

8.3. [appellant] en anderen beroepen zich op de normen neergelegd in de Wet bodembescherming (hierna: Wbb). De normen uit de Wbb strekken tot bescherming van de kwaliteit van de bodem. Voorts strekt het betoog tot vernietiging van het bestreden besluit op de grond dat het plan niet uitvoerbaar is vanwege het in strijd met artikel 38a, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 achterwege laten van een archeologisch onderzoek. In zoverre beroepen [appellant] en anderen zich, ter onderbouwing van hun stelling dat het plan in zoverre niet uitvoerbaar is, dan ook op de strijdigheid met artikel 38a, eerste lid, van de Monumentenwet 1988. Dit artikel strekt in het bijzonder tot het behoud van monumenten van archeologie. Voor [appellant] en anderen gaat het echter om het belang dat zij gevrijwaard blijven van de uitbreiding van de manege in de nabijheid van hun gronden en de daarmee gepaard gaande mogelijke aantasting van hun woon- en leefklimaat. De normen uit de Wbb en artikel 38a van de Monumentenwet 1988 strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van de daadwerkelijke belangen waarvoor [appellant] en anderen in deze procedure bescherming zoeken. Daargelaten of de beroepsgronden wat betreft de bodemkwaliteit en de archeologische waarden zouden slagen, laat de Afdeling deze beroepsgronden dan ook buiten beschouwing nu zij, gelet op artikel 8:69a van de Awb, er niet toe kunnen leiden dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd.

Bescherming van landschappelijke waarden

9. [appellant] en anderen betogen dat de op het perceel aanwezige landschappelijke waarden onvoldoende worden beschermd. Hiertoe voeren zij aan dat, anders dan de raad heeft beoogd, het plan binnen de bestemming "Sport" niet voorziet in de bescherming van de aanwezige landschappelijke waarden door middel van een vergunningplicht voor het kappen van houtopstanden en het roeren van de grond. Daarnaast voeren zij aan dat binnen de bestemming "Sport" geen regels zijn gesteld ten behoeve van de aan het perceel toegekende aanduidingen "reconstructiewetzone - verwevingsgebied", "overige zone - landschapstype essenlandschap" en "overige zone - essen en enken".

9.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder b, van de planregels zijn de voor "Sport" aangewezen gronden bestemd voor de instandhouding en ontwikkeling van de landschapstypen en hun kernkwaliteiten zoals beschreven in artikel 10.2 van de planregels.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1, gelden ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied" voor intensieve veehouderijen specifieke regels. Deze specifieke regels zijn opgenomen in bestemmingen waarvoor ze gelden.

Ingevolge artikellid 10.2, onder 10.2.1, is het beleid ter plaatse van de aanduiding "overige zone - landschapstype essenlandschap" gericht op de instandhouding en de ontwikkeling van het essenlandschap met de volgende kernkwaliteiten: microreliëf in de vorm van grote essen en steilranden, perceelrandbeplanting, houtwallen en houthakbosjes, onregelmatige verkaveling, grillige wegenstructuur, oude boerderijen en open essen en enken.

Ingevolge artikellid 10.2, onder 10.2.2, is in de desbetreffende bestemmingen aangegeven of er bij het verlenen van afwijkingen of aanlegvergunningen en bij wijziging van het bestemmingsplan aan het beleid onder 10.2.1 moet worden getoetst en op welke wijze dit moet geschieden.

Ingevolge lid 10.3 is het beleid ter plaatse van de aanduiding "overige zone - essen en enken" gericht op het open houden van de essen en enken en gelden specifieke regels. Deze regels zijn opgenomen in de bestemmingen waarvoor ze gelden.

9.2. De raad brengt naar voren dat in het plan binnen de bestemming "Sport" abusievelijk geen vergunningplicht voor het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is opgenomen ter bescherming van de landschappelijke waarden. Gelet hierop heeft de raad niet bestemd hetgeen hij heeft beoogd te bestemmen, waardoor het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het betoog slaagt in zoverre.

9.3. Voorts heeft de raad naar voren gebracht dat met voornoemde aanduidingen de landschapstypen en hun kernkwaliteiten worden ontwikkeld en in stand gehouden. De Afdeling stelt vast dat de in artikel 10 opgenomen regeling verwijst naar andere bestemmingen en de daarbinnen geldende regels. Voorts staat vast dat binnen de bestemming "Sport" niet is voorzien in een planregeling voor de instandhouding en ontwikkeling van de landschapstypen en hun kernkwaliteiten zoals beschreven in artikel 10, lid 10.1, 10.2 en 10.3 van de planregels. Zoals in overweging 9.2 is weergegeven heeft de raad toegelicht dat binnen de bestemming "Sport" abusievelijk geen vergunningplicht voor het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is opgenomen ter bescherming van de landschappelijk waarden zoals genoemd in artikel 10, lid 10.2, van de planregels. Gelet op het vorenstaande komt aan de aanduidingen "reconstructiewetzone - verwevingsgebied", "overige zone - landschapstype essenlandschap" en "overige zone - essen en enken" geen betekenis toe. Hierdoor heeft de raad niet bestemd hetgeen hij heeft beoogd te bestemmen. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het betoog slaagt ook in zoverre.

10. Voorts brengen [appellant] en anderen naar voren dat op de gronden aan de noordoostzijde van het perceel erfrandbeplanting aanwezig is, bestaande uit een beukenhaag die in zuidelijke richting overgaat in een struweel van inheemse loofbomen en struiken. Zij betogen dat nu voornoemde gronden niet worden gebruikt ten behoeve van de manege, aan deze gronden ten onrechte een sportbestemming is toegekend. Volgens [appellant] en anderen worden de landschappelijke waarden van deze gronden vanwege de sportbestemming onvoldoende beschermd.

10.1. De raad heeft toegelicht dat voornoemde gronden in het voorgaande plan reeds een sportbestemming hadden. Voorts stelt de raad dat op grond van het Inrichtings- en beheerplan waarnaar artikel 3, lid 3.3, onder a, van de planregels verwijst, is verzekerd dat de landschappelijke waarde van de erfrandbeplanting aan de noordoostzijde van het perceel behouden blijft.

10.2. Vaststaat dat de erfrandbeplanting aan de noordoostzijde van het perceel - anders dan de voorziene groenstrook aan de zuidzijde en de bestaande heg aan de westzijde - niet in het Inrichtings- en beheerplan is ingekleurd. Weliswaar is in het Inrichtings- en beheerplan ter plaatse van de erfrandbeplanting aan de noordoostzijde van het perceel "bestaand bos" vermeld, maar aan deze zijde van het perceel lijkt het te gaan om een luchtfoto van de reeds ter plaatse bestaande situatie. Gelet hierop heeft de raad onvoldoende gemotiveerd dat met het Inrichtings- en beheerplan is verzekerd dat de landschappelijke waarde van de erfrandbeplanting aan de noordoostzijde van het perceel behouden blijft. Dat voornoemde gronden in het voorgaande plan reeds een sportbestemming hadden, maakt dit niet anders.

Het betoog slaagt.

Landschappelijke inpassing

11. [appellant] en anderen betogen dat het Inrichtings- en beheerplan waarnaar artikel 3, lid 3.3, onder a, van de planregels verwijst, onvoldoende is voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de voorziene bebouwing. Daartoe voeren zij aan dat het Inrichtings- en beheerplan weliswaar voorziet in beplanting aan de zuidzijde van de perceelsgrens, maar dat niet is vermeld welk formaat beplanting aan deze zijde van de perceelsgrens minimaal zal moeten worden aangebracht. Daarbij komt dat deze beplanting is voorzien op gronden met een agrarische bestemming die niet in eigendom zijn van de initiatiefnemer van het plan. Voorts worden de nieuwe rijhal en de voorziene beplanting aan de zuidzijde van het perceel gerealiseerd op open gronden die kenmerkend zijn voor het waardevolle essen- en enkenlandschap. Daarnaast voorziet het Inrichtings- en beheerplan volgens [appellant] en anderen niet in voldoende afschermende wegbeplanting die het zicht op de manege en de voorziene ontwikkeling vanaf de Verwoldseweg vermindert.

11.1. De raad stelt dat de voorziene rijhal vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is omdat in een goede landschappelijke inpassing van het perceel aan de rand van de enk is voorzien, waarbij de kernkwaliteiten van het essenlandschap worden versterkt.

11.2. In de plantoelichting is vermeld dat het perceel deel uitmaakt van het zogenaamde essenlandschap. Het essenlandschap kenmerkt zich volgens de plantoelichting door glooiende akkers met een open karakter gecombineerd met kleinschalige landschapselementen zoals hagen, houtwallen, lanen en bosschages aan de randen van dit landschap. De raad heeft toegelicht dat het perceel aan de rand van de Larense Enk ligt. Dit landschap kenmerkt zich onder andere door bebouwing die is gesitueerd aan de weg met daarachter een open landschap.

11.3. Vast staat dat op het perceel reeds een manege, bestaande uit onder meer een overdekte rijhal en een buitenbak, aanwezig is. De bestaande manege is landschappelijk ingepast door een bestaande haag van ongeveer twee meter hoog aan de westzijde van het perceel en erfrandbeplanting aan de noordoostzijde van het perceel. De nieuwe rijhal is deels voorzien ter plaatse van de bestaande buitenbak. Niet in geschil is dat ter plaatse van de bestaande buitenbak geen kenmerkende landschapselementen aanwezig zijn. De bestaande buitenbak grenst aan de open agrarische gronden aan de zuidzijde van het perceel. Nu de nieuwe rijhal wordt gerealiseerd op een gedeelte van de gronden die voor de buitenbak worden gebruikt, voorziet het plan niet in uitbreiding van de manege ten koste van open agrarische gronden. Om de in het plan voorziene nieuwe rijhal landschappelijk in te passen zal tevens erfrandplanting aan de zuidzijde van het perceel worden aangelegd zoals weergegeven in het Inrichtings- en beheerplan. De raad heeft toegelicht dat deze voorziene beplanting in het bijzonder is bedoeld om de overgang tussen de manege en de open agrarische gronden buiten het perceel te accentueren. Uit de plantoelichting en het Inrichtings- en beheerplan dat als bijlage 1 bij de planregels is gevoegd, volgt dat aan de zuidzijde van het perceel nieuwe inheemse boom- en struiksoorten zullen worden aangelegd ter bescherming van het essenlandschap. Weliswaar blijkt uit het Inrichtings- en beheerplan niet welk formaat deze beplanting heeft, maar [appellant] en anderen hebben niet gesteld dat het Inrichtings- en beheerplan voorziet in onjuiste beplanting om de overgang tussen de manege en de open agrarische gronden buiten het perceel met beplanting te accentueren. Verder heeft de raad toegelicht dat wegbeplanting, anders dan perceelbeplanting, geen kernkwaliteit van het essenlandschap is. Daarbij komt dat de bestaande bebouwing, waaronder de rijhal met een goot- en bouwhoogte van 2,3 onderscheidenlijk 7,4 meter, vanaf de Verwoldseweg thans duidelijk zichtbaar is. De voorziene rijhal met een maximale goot- en bouwhoogte van 3 onderscheidenlijk 9 meter wordt gesitueerd achter de bestaande rijhal, waardoor de voorziene rijhal mede gelet op de in het buitengebied aanwezige agrarische bedrijfsgebouwen volgens de raad ter plaatse passend is.

Gelet op het voorgaande bestaat in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voorziet in een zorgvuldige landschappelijke inpassing waarbij de kernkwaliteiten van het essen- en enkenlandschap worden versterkt.

Het betoog faalt.

11.4. Ten aanzien van het betoog dat de in het Inrichtings- en beheerplan opgenomen beplanting aan de zuidzijde van het perceel is voorzien op gronden die niet in eigendom zijn van de initiatiefnemer van het plan, heeft de raad naar voren gebracht dat de strook met de beoogde toekomstige aanplant aan de zuidzijde van het perceel abusievelijk niet geheel op het perceel van initiatiefnemer is gesitueerd. De raad heeft in dit verband toegelicht dat hij heeft beoogd om de in het Inrichtings- en beheerplan opgenomen strook met beplanting aan de zuidzijde van het perceel binnen de bestemming "Sport" te situeren. Gelet hierop heeft de raad niet bestemd hetgeen hij heeft beoogd te bestemmen, waardoor het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Dit betoog slaagt.

Milieuhinder

12. Volgens [appellant] en anderen is onvoldoende aangetoond dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van hun woningen is gegarandeerd. Hiertoe betogen zij dat de aan te houden afstand van de voorziene manegeactiviteiten tot de dichtstbijzijnde woning op het naastgelegen perceel Verwoldseweg 26 ten onrechte minder is dan de 50 meter in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten 2009 (hierna: VNG-brochure).

Voorts betogen [appellant] en anderen dat in het akoestisch onderzoek ‘Paardensportvereniging St. Steffenrijders. Uitbreiding accommodatie Verwoldseweg 26a te Laren’ van 27 augustus 2014, in opdracht van Paardenvereniging St. Steffenrijders opgesteld door Alcedo B.V. (hierna: het akoestisch onderzoek) ten onrechte geen rekening is gehouden met een maximale invulling van de planologische mogelijkheden. Zij voeren hiertoe aan dat in het akoestisch onderzoek geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat verplaatsing van de reeds bestaande bebouwing op het perceel en het realiseren van parkeerplaatsen ten behoeve van de manege op het gehele perceel is toegestaan. Voorts is het toegestane gebruik van het perceel voor wedstrijden of andere hippische evenementen in de planregels niet begrensd, waardoor in het akoestisch onderzoek ten onrechte is uitgegaan van een in aard en omvang beperkt aantal evenementen. Daarnaast brengen [appellant] en anderen naar voren dat het akoestisch onderzoek niet uitgaat van een worstcasescenario. Voorts zijn in de berekeningen van het akoestisch onderzoek ten onrechte geen puntbronnen voor geluid opgenomen ter plaatse van de aan de noordzijde van het perceel voorziene parkeerplaatsen nabij de woning aan de Verwoldseweg 26 en is in het akoestisch onderzoek volgens hen geen rekening gehouden met cumulatie van geluidhinder. In dit verband brengen [appellant] en anderen naar voren dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte is aangesloten bij het toetsingskader van het Activiteitenbesluit milieubeheer, dat onder andere stemgeluid van bezoekers niet betrekt bij het berekenen van de geluidbelasting van de gevel van de omliggende woningen.

12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de richtafstanden in de VNG-brochure onvoldoende zijn toegespitst op de onderhavige situatie waarin dierenverblijven op het perceel niet zijn toegestaan. Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht dat hij het gebied ter plaatse van de manege en de omliggende woningen heeft aangemerkt als gemengd gebied als bedoeld in de VNG-brochure, nu de omgeving ter plaatse van de manege verschillende functies kent.

Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat het betoog van [appellant] en anderen dat verplaatsing van de bestaande bebouwing op het perceel en het realiseren van parkeerplaatsen ten behoeve van de manege op het gehele perceel is toegestaan, gelet op de planregels feitelijke grondslag mist. Voorts brengt hij naar voren dat aan het perceel de aanduiding "manege" is toegekend en niet een aanduiding voor een evenemententerrein.

12.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.22, van de planregels wordt onder manege verstaan: een bedrijf dat is gericht op het lesgeven in paardrijden en daarvoor paarden en/of pony’s houdt, in combinatie met een of meer van de volgende hiermee samenhangende activiteiten of voorzieningen: ondersteunende horeca (kantine en foyer e.d.), verenigingsaccommodatie, en het houden van wedstrijden en of andere hippische evenementen.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a en c, zijn de voor "Sport" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "manege" bestemd voor een manege met uitzondering van dierenverblijven, met de bijbehorende terreinen, bebouwing en voorzieningen waaronder begrepen lichtmasten, parkeervoorzieningen, kantinevoorzieningen, kleedkamers en verenigingsaccommodatie.

Ingevolge artikellid 3.2, onder 3.2.1, sub a, mag de oppervlakte van de bestaande bebouwing niet verder worden uitgebreid.

Ingevolge sub b is in afwijking van het bepaalde onder a, ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - nieuw" de bouw van een nieuwe rijhal toegestaan met een maximale oppervlakte van 2.800 m2.

Ingevolge artikellid 3.3, onder a, is het gebruik van de nieuwe rijhal ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - nieuw" uitsluitend toegestaan als de voor "Sport" aangewezen gronden worden ingericht en in stand gehouden volgens het Inrichtings- en beheerplan zoals opgenomen in Bijlage 1.

12.3. Ten aanzien van het betoog van [appellant] en anderen dat het plan niet voldoet aan de richtafstanden uit de VNG-brochure, overweegt de Afdeling het volgende. In paragraaf 5.4 van de plantoelichting is vermeld dat de raad bij de beoordeling van het plan en de daarin aan te houden afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies gebruik heeft gemaakt van de richtafstanden uit VNG-brochure. In de VNG-brochure wordt voor een manege voor het aspect geur een richtafstand van 50 meter tot gevoelige objecten aanbevolen en voor het aspect stof en geluid een richtafstand van 30 meter. Voorts staat in de VNG-brochure dat de richtafstanden bij voorkeur worden aangehouden tussen bedrijven en de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’. Indien de omgeving is aan te merken als gemengd gebied, kunnen de richtafstanden volgens de VNG-brochure met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Dit betekent dat in gemengd gebied voor een manege een afstand van 30 meter tot gevoelige objecten wordt aanbevolen.

Het begrip gemengd gebied wordt in de VNG-brochure als volgt omschreven: "Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied".

12.4. Aan de gronden ten behoeve van de manege is de bestemming "Sport" en de functieaanduiding "manege" toegekend. De manege ligt in het buitengebied, net buiten het dorp Laren. Het gebied waarin de manege is gesitueerd, ligt langs de provinciale weg N332. Voorts zijn in de directe omgeving van de manege agrarische bedrijven gevestigd. Gelet op deze diverse functies heeft de raad de omgeving naar het oordeel van de Afdeling kunnen aanmerken als gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstand tussen de manege en de woningen van [appellant] en anderen 30 meter bedraagt.

12.5. De naastgelegen woning aan de Verwoldseweg 26 ligt op een afstand van minder dan 10 meter van het perceel. De andere woningen van [appellant] en anderen liggen op meer dan 30 meter van het perceel. De raad heeft gemotiveerd uiteengezet dat hoewel voor de woning aan de Verwoldseweg 26 niet wordt voldaan aan voornoemde richtafstanden uit de VNG-brochure het plan aanvaardbaar is, nu niet is gebleken dat de manege in de bestaande situatie tot ernstige hinder leidt. In dat verband heeft de raad toegelicht dat in het plan, anders dan in het voorgaande plan, is uitgesloten dat op het perceel dieren mogen worden gehouden en dat de voorziene bebouwing ten behoeve van de nieuwe rijhal zal leiden tot een vermindering van hinder van de manegeactiviteiten, omdat een groot deel van de activiteiten in de buitenlucht zal plaatsvinden in de voorziene rijhal.

Daarmee heeft de raad er blijk van gegeven dat hij de situatie op het perceel heeft beoordeeld en het woon- en leefklimaat voor omwonenden bij die beoordeling heeft betrokken. [appellant] en anderen hebben voor het aspect geur en stof niet aannemelijk gemaakt dat de manege na uitbreiding een zodanig ernstige hinder tot gevolg heeft dat de raad daaraan een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen. Voor de beoordeling van de geluidbelasting als gevolg van het plan heeft de raad aan het plan een akoestisch onderzoek ten grondslag gelegd.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de bestaande situatie op het perceel en de in het plan voorziene uitbreiding in dit onderzoek als uitgangspunt is genomen. In dit onderzoek is uitgegaan van een representatieve bedrijfsvoering van de manege bestaande uit het lesgeven in paardrijden en het houden van wedstrijden of andere hippische evenementen tot een maximum van twaalf dagen per jaar ter plaatse van de bestaande rijhal, de voorziene rijhal en de buitenbak na uitbreiding van de manege. De raad heeft in dit verband toegelicht dat zowel de bestaande situatie als de voorziene uitbreiding op het perceel in het Inrichtings- en beheerplan is vastgelegd, waardoor volgens hem gelet op het bepaalde in artikel 3, lid 3.3, onder a, van de planregels in het akoestisch onderzoek kon worden uitgegaan van de in het Inrichtings- en beheerplan neergelegde situering van de bebouwing en de parkeerplaatsen. Gelet op het voorgaande is in het akoestisch onderzoek rekening gehouden met het parkeren van auto’s en paardentrailers aan de oostzijde van het perceel, met het geluid van aankomende en vertrekkende auto’s en trailers, met het laden en lossen, het harken van de buitenbak met een tractor, stemgeluid van de instructeur tijdens het lesgeven in de buitenbak, het hinniken van paarden in de buitenbak, het praten en roepen door bezoekers en het gebruik van een omroepinstallatie en het luiden van een bel op wedstrijddagen.

Wat betreft het betoog van [appellant] en anderen dat verplaatsing van de reeds op het perceel aanwezige bebouwing en het realiseren van parkeerplaatsen ten behoeve van de manege op het gehele perceel op grond van de planregels is toegestaan, overweegt de Afdeling het volgende. Hoewel op grond van artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, sub a, van de planregels de oppervlakte van de bestaande bebouwing niet verder mag worden uitgebreid, betekent dit niet dat, anders dan de raad stelt, verplaatsing van de op het perceel aanwezige bebouwing niet is toegestaan. Voorts zijn de voor "Sport" aangewezen gronden op grond van artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder c, van de planregels onder meer bestemd voor de bij de manege behorende voorzieningen zoals parkeervoorzieningen. Voor zover de raad verwijst naar de in artikel 3, lid 3.3, onder a, van de planregels opgenomen voorwaardelijke verplichting, heeft hij niet onderkend dat deze verplichting pas ingaat bij verwezenlijking van de nieuwe rijhal en de ingebruikname daarvan. Zelfs als de verplichting om het perceel in te richten volgens het Inrichtings- en beheerplan is gekoppeld aan de bouw van de nieuwe rijhal, heeft de raad miskend dat zolang de nieuwe rijhal niet wordt gebouwd de reeds op het perceel aanwezige bebouwing en parkeerplaatsen anders dan zoals opgenomen in het Inrichtings- en beheerplan op het gehele perceel zijn toegestaan. Het verplaatsen van de op het perceel aanwezige bebouwing en het situeren van parkeerplaatsen anders dan aan de oostzijde van het perceel kan mogelijk gevolgen hebben voor de geluidbelasting van de gevel van de woning aan de Verwoldseweg 26. In het akoestisch onderzoek is hiermee geen rekening gehouden.

Voorts is in het akoestisch onderzoek uitgegaan van het houden van wedstrijden of andere hippische evenementen tot een maximum van twaalf dagen per jaar. In dit verband heeft de raad toegelicht dat van dit uitgangspunt kon worden uitgegaan nu de hoofdactiviteit van de manege is gericht op het lesgeven in paardrijden. Het houden van wedstrijden en of andere hippische evenementen is volgens de raad op grond van artikel 1, lid 1.22, van de planregels ondergeschikt aan het lesgeven in paardrijden. Anders dan de raad stelt, volgt naar het oordeel van de Afdeling uit voornoemde planregel en dan in het bijzonder de zinsnede "in combinatie met" niet dat het houden van wedstrijden of andere hippische evenementen ondergeschikt is aan het lesgeven in paardrijden. Gelet hierop is op grond van de planregels niet verzekerd dat op de manege maximaal twaalf dagen per jaar wedstrijden of andere hippische evenementen van een bepaalde omvang zullen worden gehouden. In het akoestisch onderzoek is ook hiermee geen rekening gehouden.

Verder blijkt uit de invoergegevens van het akoestisch onderzoek dat de in het onderzoek betrokken geluidbronnen, behoudens het rijden met een tractor met sleep, in de berekeningen niet zijn gesitueerd op de perceelsgrens van de woning aan de Verwoldseweg 26. Voorts is in het akoestisch onderzoek vermeld dat rekening is gehouden met de omstandigheid dat tijdens wedstrijden of andere hippische evenementen geen muziek ten gehore zal worden gebracht. Onduidelijk is waarom de raad in redelijkheid van deze uitgangspunten in het akoestisch onderzoek heeft kunnen uitgaan.

Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd dat het akoestisch onderzoek niettemin aan het plan ten grondslag kon worden gelegd.

Het betoog slaagt in zoverre.

12.6. Voorts blijkt uit het akoestisch onderzoek dat de geluidbelasting van de gevel van de omliggende woningen na uitbreiding van de manege is getoetst aan de richtwaarden voor een landelijke omgeving en de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Weliswaar blijven bepaalde geluidbronnen, waaronder het stemgeluid van bezoekers, bij het berekenen van de geluidbelasting op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer buiten beschouwing, maar in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze geluidbronnen niet zijn meegenomen in de toetsing aan de richtwaarden voor een landelijk omgeving.

Ten aanzien van het betoog van [appellant] en anderen dat in het akoestisch onderzoek geen puntbronnen zijn opgenomen ter plaatse van de aan de noordzijde van het perceel voorziene parkeerplaatsen nabij de woning aan de Verwoldseweg 26, overweegt de Afdeling dat uit het akoestisch onderzoek blijkt dat ter plaatse van deze parkeerplaatsen rekening is gehouden met het manoeuvreren van auto’s. Dit betoog van [appellant] en anderen mist derhalve feitelijke grondslag.

Het betoog faalt in zoverre.

Parkeren

13. [appellant] en anderen betogen dat met de in het plan voorziene uitbreiding van de manege het aantal bezoekers zal toenemen met als gevolg dat het aantal benodigde parkeerplaatsen toeneemt. Volgens hen heeft de raad niet onderbouwd dat het plan voorziet in een aanvaardbare parkeersituatie zowel tijdens het lesgeven in paardrijden als tijdens wedstrijden of andere hippische evenementen. Daarbij komt dat volgens [appellant] en anderen in het plan niet is gewaarborgd dat voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd en in stand gehouden.

13.1. In de plantoelichting is vermeld dat het perceel zo wordt ingericht dat structureel 52 ruime parkeerplaatsen van 8,5 bij 2,5 meter op het perceel beschikbaar zijn voor bezoekers van de manege met auto’s met paardentrailers. In artikel 3, lid 3.3, onder a, van de planregels is gewaarborgd dat de nieuwe rijhal pas in gebruik mag worden genomen indien de 52 ruime parkeerplaatsen zijn gerealiseerd volgens het Inrichtings- en beheerplan zoals opgenomen in bijlage 1 bij de planregels. Het aantal van 52 parkeerplaatsen berekent de raad aan de hand van de CROW-parkeerkencijfers. Het CROW hanteert als uitgangspunt 0,3 parkeerplaats per paard. Bij het lesgeven in paardrijden zijn volgens de raad in de bestaande situatie ongeveer 24 paarden per avond aanwezig. In de plantoelichting is vermeld dat de nieuwe rijhal wordt gerealiseerd zodat ook bij slechtere weersomstandigheden kan worden gereden. Weliswaar is niet uitgesloten dat het gebruik van de manege en het aantal bezoekers met paard voor het normale gebruik van de manege vanwege de uitbreiding mogelijk zal toenemen, maar [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze toename zodanig zal zijn dat dit zal leiden tot een onaanvaardbare parkeersituatie voor het normale gebruik van de manege. Hierbij betrekt de Afdeling dat het plan niet voorziet in een toename van het aantal paardenboxen en dat de nieuwe rijhal is voorzien op een gedeelte van de bestaande buitenbak.

Bij de wedstrijden of andere hippische evenementen zijn volgens de raad in de bestaande situatie ongeveer 30 paarden gedurende de dag aanwezig. Daarbij volgt uit de plantoelichting dat bij wedstrijden rekening is gehouden met 30 auto’s van bezoekers en 5 auto’s van organisatoren. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de wedstrijden of andere hippische evenementen bepalend zijn voor de benodigde parkeerplaatsen op het perceel. Vaststaat dat de wedstrijden en andere hippische evenementen in het plan niet zijn beperkt tot een bepaalde omvang. Voorts heeft de raad niet aannemelijk gemaakt dat wedstrijden of andere hippische evenementen met een omvang van meer dan 30 paarden na uitbreiding van de manege niet mogelijk zijn. Gelet hierop heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd dat ook van ongeveer 30 paarden gedurende de dag, 30 auto’s van bezoekers en 5 auto’s van organisatoren kan worden uitgaan bij uitbreiding van de manege met de nieuwe rijhal. De raad heeft derhalve onvoldoende gemotiveerd dat het plan voorziet in een aanvaardbare parkeersituatie tijdens wedstrijden of andere hippische evenementen.

Het betoog slaagt in zoverre.

13.2. Het voorgaande geldt niet voor de jaarlijkse Tripalon wedstrijd. Tijdens de jaarlijkse Tripalon wedstrijd bestaat volgens de plantoelichting een grotere behoefte aan parkeerplaatsen dan de permanent beschikbare 52 ruime parkeerplaatsen op eigen terrein. Op deze dag wordt gebruik gemaakt van particuliere gronden nabij het manegeterrein en van het nabijgelegen evenemententerrein, waardoor ook op die dagen voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn. [appellant] en anderen hebben niet gemotiveerd betwist dat deze gronden hiertoe niet beschikbaar zouden zijn.

Het betoog faalt in zoverre.

Waterhuishouding

14. [appellant] en anderen betogen dat de effecten op de waterhuishouding als gevolg van het plan niet deugdelijk zijn onderbouwd. In dat verband voeren zij aan dat de watertoetstabel onjuist is ingevuld, omdat daarin wordt uitgegaan van een toename van het verharde oppervlak met meer dan 500 m2 maar minder dan 2.500 m2. Nu het verharde oppervlak als gevolg van de bebouwing ten behoeve van de nieuwe rijhal en de voorziene parkeerplaatsen met meer dan 2.500 m2 toeneemt, had volgens [appellant] en anderen in plaats van een verkorte watertoets een uitgebreide watertoets moeten worden verricht.

Voorts betogen zij dat de verplichting tot het treffen van maatregelen op het perceel niet deugdelijk in het plan is gewaarborgd.

14.1. De raad stelt zich primair op het standpunt dat deze beroepsgronden van [appellant] en anderen ingevolge artikel 8:69a van de Awb geen bespreking behoeven, omdat deze niet tot vernietiging van het bestreden besluit kunnen leiden.

Voorts stelt de raad dat in de planregels is gewaarborgd dat het plan geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding in het plangebied en de omgeving.

14.2. Het belang van [appellant] en anderen als omwonenden is gelegen in het voorkomen van wateroverlast op hun percelen. Zij beroepen zich terzake op een norm die betrekking heeft op hetgeen een goede ruimtelijke ordening vereist uit het oogpunt van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Nu het plan gevolgen kan hebben voor de waterhuishouding in het plangebied en de omgeving, betreft dit een aspect van een goede ruimtelijke ordening die mede strekt tot de bescherming van hun belangen. Artikel 8:69a van de Awb staat in zoverre dan ook niet aan een mogelijke vernietiging van het bestreden besluit in de weg.

14.3. Ingevolge artikel 3, lid 3.3, onder b, van de planregels is het gebruik van de nieuwe rijhal ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - nieuw" uitsluitend toegestaan als op de voor "Sport" aangewezen gronden voldoende infiltratievoorzieningen worden gerealiseerd en in stand gehouden.

14.4. In de waterparagraaf van de plantoelichting is vermeld dat het verharde oppervlak als gevolg van het plan niet met meer dan 2.500 m2 toeneemt. Ten aanzien van deze invulling van de waterparagraaf heeft het Waterschap Rijn en IJssel schriftelijk een positief advies uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. In dit advies heeft het waterschap de kanttekening gemaakt dat wat betreft de effecten op de waterhuishouding vanwege hemelwater als gevolg van het plan een infiltratievoorziening van minimaal 10 mm dient te worden aangelegd en dat bij de toepassing van infiltratiekratten een inhoud van 100 m3 is vereist. De raad heeft toegelicht dat dit advies van het waterschap zal worden uitgevoerd, waardoor het plan geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding in het plangebied en de omgeving.

Niet in geschil is dat het verharde oppervlak als gevolg van het plan met in ieder geval 2.800 m2 toeneemt. Uit de waterparagraaf volgt dat indien het verharde oppervlak als gevolg van het plan met meer dan 2.500 m2 toeneemt, een uitgebreide watertoets noodzakelijk is. Het waterschap heeft weliswaar in een aanvullend schrijven van 2 februari 2015 aangegeven dat een toename van het verharde oppervlak met 2.800 m2 niet leidt tot een andersluidend wateradvies, maar naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat het verharde oppervlak als gevolg van het plan, mede gelet op de voorziene parkeerplaatsen, met maximaal 2.800 m2 toeneemt. Gelet hierop heeft de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding in het plangebied en de omgeving. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Het betoog slaagt in zoverre.

14.5. Voorts is in artikel 3, lid 3.3, onder b, van de planregels het advies van het waterschap, dat een infiltratievoorziening van minimaal 10 mm dient te worden aangelegd en dat bij de toepassing van infiltratiekratten een inhoud van 100 m3 is vereist, niet deugdelijk gewaarborgd. Daartoe wordt overwogen dat het realiseren van de infiltratievoorzieningen op grond van voornoemde planregels is gekoppeld aan het gebruik van de nieuwe rijhal, terwijl in het bijzonder de bouw daarvan gevolgen heeft voor de waterhuishouding op het perceel en in de omgeving. Daarbij komt dat uit voornoemde planregel en dan in het bijzonder de zinsnede "voldoende infiltratievoorzieningen" niet volgt dat op het perceel de door het waterschap geadviseerde infiltratievoorzieningen worden gerealiseerd. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit ook in zoverre in strijd met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Het betoog slaagt ook in zoverre.

Specifieke planregels

15. Voor zover [appellant] en anderen vrezen dat het plan negatieve gevolgen heeft voor hun woon- en leefklimaat vanwege de in het plan geboden mogelijkheid tot ondergronds bouwen tot 4 meter diepte, overweegt de Afdeling dat [appellant] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat dit plan, dat voorziet in een uitbreiding van een bestaande manege, vanwege de mogelijkheid tot ondergronds bouwen leidt tot onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat. Hierbij betrekt de Afdeling dat de oppervlakte van de bestaande bebouwing ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, sub a, van de planregels niet verder mag worden uitgebreid en derhalve ook niet ondergronds. Voorts is de oppervlakte van de nieuwe rijhal ingevolge de planregels beperkt tot maximaal 2.800 m2.

Het betoog faalt.

16. [appellant] en anderen betogen dat verplaatsing van de op het perceel aanwezige lichtmasten op grond van de planregels is toegestaan. Dit heeft de raad volgens hen ten onrechte niet onderkend. Daarnaast betogen zij dat het Inrichtings- en beheerplan voorziet in het plaatsen van twee nieuwe lichtmasten terwijl de oppervlakte van de bestaande bebouwing ingevolge de planregels niet verder mag worden uitgebreid.

16.1. Ingevolge artikel 1, lid 1.7, van de planregels wordt onder bebouwing verstaan: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a en c, zijn de voor "Sport" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "manege" bestemd voor een manege met uitzondering van dierenverblijven, met de bijbehorende terreinen, bebouwing en voorzieningen waaronder begrepen lichtmasten.

Ingevolge artikellid 3.2, onder 3.2.1, sub a, mag de oppervlakte van de bestaande bebouwing niet verder worden uitgebreid.

Ingevolge artikellid 3.2, onder 3.2.2, sub a, geldt voor verlichting zoals aangeduid in het bij deze regels behorende Inrichtings- en beheerplan een maximale bouwhoogte van 8 meter.

16.2. De raad heeft ter zitting toegelicht dat aan de oostzijde van het perceel twee nieuwe lichtmasten zullen worden geplaatst en de overige lichtmasten die zijn ingetekend op het Inrichtings- en beheerplan reeds zijn vergund en geplaatst. Dit standpunt hebben [appellant] en anderen niet bestreden. Uit artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.2, sub a, van de planregels volgt dat de maximale bouwhoogte van lichtmasten op het perceel is geregeld, maar niet de situering daarvan. Voor zover de raad wat betreft de situering van de lichtmasten verwijst naar de in artikel 3, lid 3.3, onder a, van de planregels opgenomen voorwaardelijke verplichting om het perceel in te richten en in stand te houden volgens het Inrichtings- en beheerplan, heeft de raad niet onderkend dat deze verplichting pas ingaat bij verwezenlijking van de nieuwe rijhal en de ingebruikname daarvan. Zelfs als de verplichting om het perceel in te richten volgens het Inrichtings- en beheerplan is gekoppeld aan de bouw van de nieuwe rijhal, heeft de raad miskend dat zolang de nieuwe rijhal niet wordt gebouwd de reeds op het perceel aanwezige lichtmasten anders dan zoals opgenomen in het Inrichtings- en beheerplan op het gehele perceel zijn toegestaan. Gelet hierop heeft de raad bij de vaststelling van het plan miskend dat verplaatsing van de op het perceel aanwezige lichtmasten op grond van de planregels is toegestaan. Het verplaatsen van deze lichtmasten kan mogelijk gevolgen hebben voor het woon- en klimaat van [appellant] en anderen. Voorts heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd dat de oppervlakte van de op het perceel aanwezige bebouwing, behoudens de voorziene rijhal, niet verder wordt uitgebreid met het oprichten van de voorziene lichtmasten.

Het betoog slaagt.

17. [appellant] en anderen betogen dat de in het plan geboden mogelijkheid om voor de voorgevelrooilijn een hekwerk met een hoogte van twee meter te plaatsen in strijd is met gemeentelijk beleid en een goede ruimtelijke ordening.

17.1. De raad heeft toegelicht dat deze mogelijkheid in het plan is opgenomen omdat bij de manege geen toezicht aanwezig is. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid het belang van veiligheid heeft kunnen laten prevaleren boven het belang van omwonenden bij het voorkomen van de ruimtelijke uitstraling die een dergelijk hekwerk heeft op de omgeving. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] en anderen het betoog dat het plaatsen van een hekwerk met een hoogte van twee meter voor de voorgevelrooilijn in strijd is met gemeentelijk beleid, niet nader hebben onderbouwd.

Het betoog faalt.

Financiële uitvoerbaarheid

18. [appellant] en andere betwisten de financiële uitvoerbaarheid van het plan, nu zij door het plan schade lijden. Daarbij is volgens [appellant] en anderen ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt dat het plan voor de initiatiefnemer binnen de planperiode financieel uitvoerbaar is.

18.1. In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financiële uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

De enkele stelling dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet is aangetoond, omdat [appellant] en anderen stellen recht te hebben op een tegemoetkoming in planschade, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat eventuele aanspraken op planschade zodanig hoog zullen zijn dat deze op voorhand aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan. De raad heeft toegelicht dat de met de ontwikkeling gepaard gaande kosten, waaronder eventuele planschadekosten, worden gedragen door de initiatiefnemer. [appellant] en anderen hebben geen begin van bewijs geleverd op grond waarvan de raad in redelijkheid had moeten inzien dat de initiatiefnemer financieel niet in staat is het plan binnen de planperiode van in beginsel tien jaar uit te voeren.

Het betoog faalt.

18.2. [appellant] en anderen betogen dat bij de vaststelling van het plan ten onrechte geen rekening is gehouden met hun belangen bij het voorkomen van negatieve effecten als gevolg van het plan, zoals het verlies van uitzicht, geluid-, licht- en stofhinder en verstoring van de aanwezige fauna. Deze negatieve effecten zullen leiden tot waardedaling van hun woningen, aldus [appellant] en anderen.

18.3. Uit de zienswijzennota volgt dat het plan mede naar aanleiding van de zienswijze van [appellant] en anderen is aangepast. Het betoog dat bij vaststelling van het plan geen rekening is gehouden met hun belangen, slaagt dan ook niet.

Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellant] en anderen betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

Het betoog faalt.

Exploitatieplan

19. [appellant] en anderen betogen dat ten onrechte is afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan, nu sprake is van een aangewezen bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en het verhaal van de kosten van de grondexploitatie niet anderszins is verzekerd.

19.1. Ingevolge artikel 6.12, eerste lid, van de Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, kan de gemeenteraad, in afwijking van het eerste lid, bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, indien het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is.

Ingevolge artikel 8.2, vijfde lid, wordt als belanghebbende bij een besluit als bedoeld in artikel 6.12, eerste en tweede lid, in elk geval aangemerkt degene die een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de in het desbetreffende besluit opgenomen gronden, of die eigenaar is van die gronden.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

19.2. De Afdeling stelt vast dat de raad gelet op hetgeen is overwogen in hoofdstuk 7 van de ook van het vaststellingsbesluit deel uitmakende plantoelichting bij de vaststelling van het bestemmingsplan heeft besloten geen exploitatieplan vast te stellen. Het beroep van [appellant] en anderen is in zoverre gericht tegen het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro.

Indien de raad in dit geval een exploitatieplan zou hebben vastgesteld, zouden [appellant] en anderen niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij de desbetreffende onderdelen van het exploitatieplan. Daartoe is van belang dat [appellant] en anderen geen eigenaren zijn van de gronden in het exploitatiegebied en evenmin een grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vijfde lid, van de Wro hebben gesloten met betrekking tot gronden in het exploitatiegebied. Gelet hierop en nu ook anderszins niet is gebleken van belangen van [appellant] en anderen die rechtstreeks betrokken zouden zijn bij de vaststelling van de genoemde onderdelen van een exploitatieplan, kunnen zij evenmin worden aangemerkt als belanghebbenden bij het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro. Het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van de raad tot het niet vaststellen van een exploitatieplan is niet-ontvankelijk.

Conclusie

20. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder overwegingen 9.2, 9.3, 11.4, 14.4 en 14.5 ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder overwegingen 10.2, 12.5, 13.1 en 16.2 ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Opdracht

21. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen twintig weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen en daarbij:

- met inachtneming van rechtsoverweging 9.2 en 9.3 te voorzien in een passende planregeling ten behoeve van de bescherming van de landschappelijke waarden, waaronder ook de betreffende landschapstypen en kernkwaliteiten, op het perceel Verwoldseweg 26a te Laren;

- met inachtneming van rechtsoverweging 11.4 te voorzien in een groenstrook met erfrandbeplanting binnen de bestemming "Sport" aan de zuidzijde van het perceel;

- met inachtneming van rechtsoverweging 14.4 alsnog te bezien wat de gevolgen van het plan zijn voor de waterhuishouding in het plangebied en de omgeving en zonodig in zoverre te voorzien in een passende planregeling ter zake;

- met inachtneming van rechtsoverweging 14.5 te voorzien in een passende planregeling ten behoeve van het aspect waterhuishouding;

- met inachtneming van rechtsoverweging 10.2 alsnog toereikend te motiveren dat in het plan voldoende is verzekerd dat de landschappelijke waarde van de erfrandbeplanting aan de noordoostzijde van het perceel behouden blijft, dan wel in zoverre te voorzien in een passende planregeling;

- met inachtneming van rechtsoverweging 12.5 alsnog toereikend te motiveren dat de geluidbelasting ter plaatse van de woningen van [appellant] en anderen als gevolg van het plan aanvaardbaar is, dan wel in zoverre te voorzien in een passende planregeling;

- met inachtneming van rechtsoverweging 13.1 alsnog toereikend te motiveren dat de parkeersituatie tijdens wedstrijden of andere hippische evenementen als gevolg van het plan aanvaardbaar is, dan wel in zoverre te voorzien in een passende planregeling;

- met inachtneming van rechtsoverweging 16.2 alsnog toereikend te motiveren dat het verplaatsen van de op het perceel aanwezige lichtmasten niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en klimaat van [appellant] en anderen alsmede te motiveren dat de oppervlakte van de bestaande bebouwing niet verder wordt uitgebreid met het oprichten van de voorziene lichtmasten, dan wel in zoverre te voorzien in een passende planregeling.

Het nieuwe besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden. Bij de voorbereiding van het besluit tot wijziging van het plan hoeft afdeling 3.4 van de Awb niet opnieuw te worden toegepast.

Schorsing plan

22. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling op dat de bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juni 2015 in zaak nr. 201409644/1/R2 (www.raadvanstate.nl) getroffen voorlopige voorziening, niet is vervallen en nog steeds geldt.

Proceskosten

23. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van de raad van de gemeente Lochem tot het niet vaststellen van een exploitatieplan niet-ontvankelijk;

II. draagt de raad van de gemeente Lochem op om binnen twintig weken na de verzending van deze uitspraak:

1. met inachtneming van overweging 21 de in overweging 20 omschreven gebreken in het besluit van 13 oktober 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Verwoldseweg 26a Laren" te herstellen en;

2. de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier.

w.g. Hoekstra w.g. Van Soest-Ahlers

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2015

343-772.