Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2823

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2015
Datum publicatie
09-09-2015
Zaaknummer
201502168/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2015 heeft het college het wijzigingsplan "Brookhuis, Timmusweg 1-3" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502168/1/R1.

Datum uitspraak: 9 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Agelo, gemeente Dinkelland,

en

het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2015 heeft het college het wijzigingsplan "Brookhuis, Timmusweg 1-3" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2015, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.Y. Rutjes, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 18 maart 2008 heeft de raad van de gemeente Dinkelland het bestemmingsplan "Ootmarsum - Brookhuis" vastgesteld. Het college van gedeputeerde staten van Overijssel heeft dit plan op 11 november 2008 goedgekeurd. In het plan is aan de gronden waarop het thans bestreden besluit betrekking heeft, de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" met de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid 2" toegekend. Het besluit van het college van 20 januari 2015 strekt ertoe om de bestemming van de gronden met toepassing van artikel 8, lid 8.6, van de planregels bij het bestemmingsplan "Ootmarsum - Brookhuis" te wijzigen. De bestemming is gewijzigd in "Woondoeleinden 2", "Tuin" en "Bebossing". Aldus wordt het bouwen van drie vrijstaande woningen mogelijk gemaakt. Daarnaast wordt een bestaande bedrijfswoning gehandhaafd.

2. [appellant], die in de nabijheid van het plangebied woont, heeft aangevoerd dat de plangrens zoals die naar voren komt uit de toelichting bij het plan en uit het bij het plan behorende landschapsplan, afwijkt van de plankaart. Volgens [appellant] leidt dit tot rechtsonzekerheid. Naar zijn mening heeft hetgeen hij ter zake heeft opgemerkt in zijn zienswijze tegen het ontwerpplan, het college dan ook ten onrechte geen aanleiding gegeven om het besluit ten opzichte van het ontwerp gewijzigd vast te stellen.

2.1. [appellant] heeft op zichzelf met juistheid gesteld dat op de door hem bedoelde schets in de toelichting en op enkele schetsen in het landschapsplan een stippellijn is weergegeven die een gebied omvat dat groter is dan het plangebied zoals dat is vermeld op de plankaart. Naar het oordeel van de Afdeling kan er evenwel geen misverstand over bestaan dat die laatste kaart bepalend is voor de omvang van het plangebied en dat de schetsen die zijn opgenomen in de toelichting en in het landschapsplan, in dit opzicht slechts ter illustratie dienen. De Afdeling kan [appellant] dan ook niet volgen in zijn standpunt dat het college deze schetsen uit een oogpunt van rechtszekerheid had behoren aan te passen. De beroepsgrond faalt. Voor zover het college zich op het standpunt heeft gesteld dat het besluit ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht niet op de desbetreffende grond kan worden vernietigd, behoeft dit daarom geen verdere bespreking.

3. [appellant] heeft verder naar voren gebracht dat het college ervoor heeft gekozen het wijzigingsplan niet te voorzien van specifiek daarvoor geldende planregels. In plaats daarvan heeft het college bepaald dat de regels die deel uitmaken van het bestemmingsplan "Ootmarsum - Brookhuis" onverkort op het wijzigingsplan van toepassing zijn. Volgens [appellant] is dit niet toelaatbaar doordat de planregels aldus niet synchroon lopen met de bestemmingen zoals vermeld op de plankaart van het wijzigingsplan. [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat het college bij het nemen van zijn besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dit bezwaar, dat hij reeds naar voren heeft gebracht in zijn zienswijze tegen het ontwerpplan, het college geen aanleiding heeft gegeven om specifieke planregels te verbinden aan het wijzigingsplan.

3.1. De Afdeling merkt op dat [appellant] reeds eerder beroep heeft ingesteld tegen een besluit van het college tot vaststelling van een wijzigingsplan. Het betreft het besluit van 9 december 2014 tot vaststelling van het plan "Brookhuis, De Duus". Tegen dat besluit heeft [appellant] dezelfde grond aangevoerd als hiervoor in overweging 3 is weergegeven. De Afdeling is in haar uitspraak van 29 Juli 2015, in zaak nr. 201501160/1/R1, tot de conclusie gekomen dat deze beroepsgrond faalt. Er bestaat geen aanleiding om hierover thans anders te oordelen. Dit betekent dat de beroepsgrond ook in deze procedure faalt. Voor zover het college zich op het standpunt heeft gesteld dat het besluit ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht niet op de desbetreffende grond kan worden vernietigd, behoeft dit daarom geen verdere bespreking.

4. [appellant] heeft voorts aangevoerd dat het college heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel doordat het bestreden besluit bouwmogelijkheden biedt die hem op zijn perceel worden onthouden. In dat verband heeft hij betoogd dat het college ervoor had kunnen kiezen om ook zijn perceel onder de werking van het wijzigingsplan te brengen. Nu dat niet is gebeurd had het wijzigingsplan in ieder geval geen ruimere bouwmogelijkheden behoren te kennen dan de mogelijkheden die voor zijn perceel gelden, aldus [appellant].

4.1. Voor het perceel van [appellant] geldt het bestemmingsplan "Ootmarsum Overige Gebieden" met een woonbestemming zonder wijzigingsbevoegdheid en niet het bestemmingsplan "Ootmarsum - Brookhuis". Gelet daarop kan de Afdeling [appellant] niet volgen in zijn standpunt dat zijn perceel deel had kunnen uitmaken van de gronden van het wijzigingsplan.

Over de door [appellant] gemaakte vergelijking wordt voorts overwogen dat het college er terecht op heeft gewezen dat de in het wijzigingsplan voorziene woningen in planologisch opzicht niet direct vergelijkbaar zijn met de woning van [appellant]. Het college heeft in de reactienota zienswijzen verder uitgebreid gemotiveerd waarom de bouwmogelijkheden op de percelen waarop het wijzigingsplan ziet, voor de toekomstige bewoners niet gunstiger zijn dan de bouwmogelijkheden op het perceel van [appellant]. Volgens het college zijn de bouwmogelijkheden als voorzien in het wijzigingsplan in sommige opzichten zelfs minder gunstig. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hetgeen het college op dit punt naar voren heeft gebracht, onjuist zou zijn. Voorts is het college in zoverre tegemoetgekomen aan hetgeen [appellant] naar voren heeft gebracht in zijn zienswijze tegen het ontwerpplan, dat de in het ontwerp voorziene omvang van de bouwvlakken is verkleind. Reeds op grond van het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Het betoog faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Van der Wiel w.g. Sparreboom

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2015

195.