Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2822

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2015
Datum publicatie
09-09-2015
Zaaknummer
201501521/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Functieverandering [locatie 1] te Breezand" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501521/1/R1.

Datum uitspraak: 9 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante A] en [appellant B], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), gevestigd onderscheidenlijk wonend te Breezand, gemeente Hollands Kroon,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Hollands Kroon,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Functieverandering [locatie 1] te Breezand" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. R. Bergman en L. Schuijt MSc, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A] en [belanghebbende B], bijgestaan door mr. M.A. de Boer, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 2006" van de voormalige gemeente Anna Paulowna rustte op het perceel [locatie 1] de bestemming "Agrarische doeleinden II". Het thans vastgestelde plan voorziet erin de bestemming te wijzigen in "Wonen". Daarmee wordt beoogd de bestemming in overeenstemming te brengen met het feitelijke gebruik dat van het perceel wordt gemaakt door [belanghebbende A] en [belanghebbende B].

2. [appellant], die op het naburige perceel [locatie 2] een agrarische verwerkingsschuur exploiteert, kan zich niet met het wijzigen van de bestemming verenigen omdat hij vreest hierdoor in zijn bedrijfsvoering te worden beperkt.

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

4. [appellant] heeft aangevoerd dat op het perceel [locatie 2] diverse bedrijfsactiviteiten worden uitgevoerd die kunnen leiden tot geluid-, geur- en stofhinder en tot gevaar voor de omgeving. Blijkens het verhandelde ter zitting gaat het onder meer om opslag van bloembollen en kunstmest en om spoel- en zeefactiviteiten. [appellant] is bevreesd dat de werkzaamheden niet meer onbelemmerd kunnen worden uitgevoerd door het toekennen van een woonbestemming aan het perceel [locatie 1]. Verder is hij er beducht voor dat uitbreidingsmogelijkheden voor zijn bedrijf worden beperkt. In dat verband heeft hij gesteld dat de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten aanbeveelt om tussen bedrijven als de zijne en woningen van derden een afstand van minimaal 30 meter aan te houden, en dat aan die afstand niet wordt voldaan doordat de afstand tussen de verwerkingsschuur op het perceel [locatie 2] en de woning op het perceel [locatie 1] slechts 21 meter bedraagt. Het feit dat de raad naar aanleiding van de door hem ingediende zienswijze tegen het ontwerpplan de aanduiding "gevellijn" in het plan heeft opgenomen maakt dit niet anders, aldus [appellant]. Hij heeft er voorts op gewezen dat zijn bedrijfsvoering zich ook uitstrekt tot het open terrein op zijn perceel en dat van de bedrijfsvoering ook overlast kan worden ondervonden op het erf van het perceel [locatie 1]. Dat open terrein en dat erf grenzen onmiddellijk aan elkaar, zo heeft [appellant] benadrukt.

5. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels bij het bestemmingsplan "Buitengebied 2006" mocht per bedrijf in ieder geval één bedrijfswoning aanwezig zijn, met dien verstande dat op de gronden op de plankaart aangeduid met "wonen niet toegestaan" geen bedrijfswoningen waren toegestaan. Voor het perceel [locatie 1] was niet voorzien in de aanduiding "wonen niet toegestaan". Dit betekent dat onder vigeur van het bestemmingsplan "Buitengebied 2006" op dit perceel reeds een woning aanwezig mocht zijn, met dien verstande dat het een bedrijfswoning moest betreffen. Feitelijk was ook al een woning op het perceel gesitueerd.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder b, sub 4, van de planregels bij het bestemmingsplan "Functieverandering [locatie 1] te Breezand" dient het hoofdgebouw te worden gebouwd ten zuidoosten van de gevellijn die ter plaatse van de aanduiding "gevellijn" is aangegeven. De aanduiding "gevellijn" is gepositioneerd ter hoogte van de noordwestelijke gevellijn van de reeds aanwezige woning. Door de aanduiding is gewaarborgd dat de afstand tussen de woning en de grens met het perceel [locatie 2], die feitelijk ongeveer 13 meter bedraagt, niet zal afnemen.

De raad heeft er met juistheid op gewezen dat de inrichting aan de [locatie 2] ingevolge het Activiteitenbesluit milieubeheer gehouden is te voldoen aan milieueisen ter hoogte van woningen van derden, en dat het daarbij niet van belang is of het gaat om agrarische bedrijfswoningen of om burgerwoningen. Gelet daarop en nu in verband met de aanduiding "gevellijn" niet behoeft te worden gevreesd dat de woning dichter op het perceel [locatie 2] zal komen te liggen, komt [appellant] door het vaststellen van het plan niet in een slechtere positie te verkeren, ook niet waar het gaat om uitbreidingsmogelijkheden. In dit verband wordt nog opgemerkt dat het erf van het perceel [locatie 1] geen gevoelig object als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer vormt, zodat ter plaatse geen grenswaarden gelden voor geluid en andere milieuaspecten.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich verder in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de directe omgeving van het plangebied kan worden getypeerd als een gemengd gebied in de zin van de brochure "Bedrijven en milieuzonering". Hiervan uitgaande geldt volgens de brochure voor activiteiten zoals die planologisch zijn toegestaan op het perceel [locatie 2], geen indicatieve afstandseis van 30 meter maar van 10 meter. Aan die afstand wordt, gelet op het voorgaande, voldaan. Doordat de desbetreffende afstand is berekend tussen de erfgrens en de woning en niet tussen de woning en de verwerkingsschuur, is er rekening mee gehouden dat de bedrijfsactiviteiten deels op open terrein en onmiddellijk aan de perceelsgrens worden ontplooid. Het vorenoverwogene betekent dat de raad in de richtafstanden van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" geen grond behoefde te vinden om het toekennen van een woonbestemming aan het perceel [locatie 1] achterwege te laten, nog daargelaten dat het vorige plan reeds een woning op dit perceel toeliet en een dergelijke woning ook al aanwezig was.

De beroepsgronden falen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Van der Wiel w.g. Sparreboom

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2015

195.