Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2817

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2015
Datum publicatie
09-09-2015
Zaaknummer
201410393/3/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:9722, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2014 heeft het college aan [vergunninghouder] opnieuw omgevingsvergunning verleend voor het bouwen met afwijking van het bestemmingsplan van een woonzorgvoorziening aan de [locatie 1] te Oudenhoorn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410393/3/A1.

Datum uitspraak: 9 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D], [appellant E] en [appellant F], allen wonend te Oudenhoorn, gemeente Bernisse, thans gemeente Nissewaard (hierna tezamen: de Bewonersgroep Hollandseweg),

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 28 november 2014 in zaken nrs. 14/8018 en 14/7866 in het geding tussen:

[appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D], [appellant E], [appellant F] en [appellant G]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bernisse, thans gemeente Nissewaard.

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2014 heeft het college aan [vergunninghouder] opnieuw omgevingsvergunning verleend voor het bouwen met afwijking van het bestemmingsplan van een woonzorgvoorziening aan de [locatie 1] te Oudenhoorn.

Bij uitspraak van 28 november 2014 heeft de rechtbank, voor zover van belang, het door de Bewonersgroep Hollandseweg daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Bewonersgroep Hollandseweg hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Bewonersgroep Hollandseweg heeft een nader stuk ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting gevoegd met het hoger beroep van [appellant H] in zaak nr. 201500047/1/A1 behandeld op 18 maart 2015, waar de Bewonersgroep Hollandseweg en [appellant H], beiden vertegenwoordigd door [appellant F], en het college, vertegenwoordigd door mr. H.E. Jansen-van der Hoek, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vergezeld van mr. H. Hoogesteger, gehoord. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Bij tussenuitspraak van 22 april 2015 in zaak nr. 201410393/1/A1 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen acht weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 30 september 2014 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 8 juni 2015, aangevuld bij brief van 25 juni 2015, heeft het college het besluit van 30 september 2014 van een nadere motivering voorzien.

Bij brief van 15 juni 2015 heeft [vergunninghouder] zijn zienswijze gegeven.

Bij brief van 3 juli 2015 heeft de Bewonersgroep Hollandseweg een zienswijze ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het college hierop bij brief van 4 augustus 2015 gereageerd.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in de bouw van een woonzorgvoorziening op het perceel. Een gedeelte van het perceel valt onder het plangebied van het bestemmingsplan "Oudenhoorn" en het andere gedeelte onder het plangebied van het bestemmingsplan "Buitengebied". Het bouwplan is, naar niet in geschil is, in strijd met deze bestemmingsplannen. Het college heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 3˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht omgevingsvergunning verleend.

2. De Bewonersgroep heeft in hoger beroep, samengevat weergegeven, aangevoerd dat, gelet op de geluidbelasting door het stemgeluid van de bewoners van de woonzorgvoorziening, ter plaatse geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat, daargelaten onder welk bedrijfstype in de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) de woonzorgvoorziening valt, geldt dat realisering van een bouwplan, voor zover daarvoor van het bestemmingsplan moet worden afgeweken, niet mag leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat als gevolg van de toename van de geluidbelasting. De Afdeling heeft verder overwogen dat niet op voorhand duidelijk is dat stemgeluid als hier aan de orde als relevante geluidbron in de richtafstand bij de bedrijfstypen 'Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven' en 'Verpleeghuizen' in de VNG-brochure is meegenomen. Gelet hierop had het in dit geval op de weg van het college gelegen te onderzoeken of realisering van het bouwplan, gelet op het stemgeluid van de bewoners van de woonzorgvoorziening, tot een zodanige aantasting van het woon- en leefklimaat zou leiden dat de omgevingsvergunning in redelijkheid niet kan worden verleend. Omdat het college geen onderzoek had laten verrichten naar deze geluidbelasting en naar de mogelijkheid om geluidreducerende maatregelen te treffen of voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden, heeft de Afdeling het college opgedragen de gebreken in het besluit van 30 september 2014 te herstellen door onderzoek te (laten) verrichten naar de geluidbelasting vanwege het stemgeluid en alsnog te motiveren dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, zo nodig onder het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning.

3. Bij brief van 8 juni 2015, aangevuld op 25 juni 2015 heeft het college het besluit van 30 september 2014 van een nadere motivering voorzien. Onder verwijzing naar het rapport 'Zorgboerderij [locatie 2], Menselijk stemgeluid' van DCMR Milieudienst Rijnmond (hierna DCMR) van 27 mei 2015, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In dit rapport zijn de resultaten neergelegd van het door DCMR uitgevoerde akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting ten gevolge van het stemgeluid van de bewoners van de te realiseren woonzorgvoorziening wanneer zij gebruik maken van de twee terrassen en wanneer zij werkzaamheden verrichten in de (moes)tuin. DCMR heeft berekend wat de geluidbelasting is op 10 m van de grens van de voorziening en op de gevel van de omliggende woningen. Volgens DCMR is het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op 10 m van de grens van de woonzorgvoorziening ten hoogste 43 dB(A) en op de meest belaste woning ten hoogste 39 dB(A) op 1,5 m hoogte. Het maximale geluidniveau op een afstand van 10 m van de grens van de woonzorgvoorziening bedraagt maximaal 63 dB(A) en ten hoogste 57 dB(A) bij de woning aan de Hollandseweg. Gelet op de waarden die in paragraaf B5.3 van de VNG-brochure zijn vermeld, bij welke waarden DCMR heeft aangesloten, komt DCMR tot de conclusie dat de woonzorgvoorziening inpasbaar is.

4. De Bewonersgroep Hollandseweg betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden kan worden gegarandeerd. Zij voert daartoe, mede onder verwijzing naar een rapport van Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing van 29 juni 2015, aan dat het onderzoek van DCMR niet op juiste wijze is uitgevoerd. Volgens de Bewonersgroep Hollandseweg staan op de plattegrond in het rapport van DCMR fouten, staan in het rapport onjuistheden met betrekking tot de activiteiten op het perceel en is de door DCMR gemaakte berekening van de geluidbelasting onjuist. Uit het door Vliex uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat de waarden uit de VNG-brochure worden overschreden en daarom van een goed woon- en leefklimaat geen sprake is, aldus de Bewonersgroep Hollandseweg.

4.1. De Bewonersgroep kan niet worden gevolgd in haar stelling dat de in het rapport van DCMR opgenomen plattegrond van het perceel onjuistheden bevat. Dat op de plattegrond twee terrassen zijn opgenomen, terwijl naar de Bewonersgroep Hollandseweg stelt, de omgevingsvergunning betrekking heeft op de realisatie van één terras, leidt niet tot dat oordeel. Met de omgevingsvergunning wordt toegestaan dat de gronden bij het pand op het perceel worden gebruikt ten behoeve van de woonzorgvoorziening, waaronder de inrichting als terras. Wat betreft de opmerking van de Bewonersgroep Hollandseweg dat op de plattegrond een kippenhok wel, en een hanenverblijf niet is ingetekend, wordt overwogen dat de omgevingsvergunning op de bouw en het gebruik van beide bouwwerken geen betrekking heeft en deze bij het onderzoek door DCMR niet zijn betrokken. Voor zover de Bewonersgroep Hollandseweg stelt dat het dagverblijf ten onrechte op de tekening als 'theehuis' (lees: 'tuinhuis') wordt aangeduid, wordt overwogen, dat dit slechts de benaming van het gebouw betreft. Dat dit gebouw het dagverblijf van de woonzorgvoorziening is en als zodanig ook wordt gebruikt, is door DCMR niet ontkend.

4.2. DCMR is er, gelet op een bij het rapport gevoegde memo van de initiatiefnemer van 1 mei 2015 (hierna: de memo) van uitgegaan dat voor 7.00 uur en na 19.00 uur geen gebruik wordt gemaakt van de terrassen en dat het gebruik van die terrassen vooral in de zomer plaatsvindt. De werkzaamheden in de moestuin vinden het gehele jaar door plaats in de dagperiode tussen 10.30 uur en 15.15 uur. DCMR is verder uitgegaan van een maximale bezetting in de woonzorgvoorziening van tien bewoners, waarvan 50% vocaal is. Verder is DCMR ervan uitgegaan dat de moestuin en de terrassen optimaal worden benut en tegelijkertijd worden gebruikt, welke situatie zich in de praktijk volgens DCMR niet voor zal doen, omdat het niet mogelijk is dat de bewoners tegelijkertijd zowel van de terrassen gebruik maken als in de moestuin werken.

Geen grond bestaat voor het oordeel dat, zoals de Bewonersgroep Hollandseweg, mede onder verwijzing naar het rapport van Vliex, stelt, DCMR er rekening mee had moeten houden dat de bewoners zich over het gehele perceel kunnen begeven. Hierbij wordt van belang geacht dat, zoals in de memo en de brief van het college van 4 augustus 2015 is vermeld, de bewoners niet zelfstandig kunnen functioneren, altijd onder begeleiding buiten zullen zijn en zich op die momenten alleen op de terrassen en in de moestuin zullen bevinden. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat DCMR bij de berekening van de geluidsbelasting ervan had moeten uitgaan dat de bewoners op weekdagen in en in het weekeinde langer dan ongeveer vier uur per dag buiten verblijven. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals het college in zijn brief van 4 augustus 2015 heeft vermeld, hetgeen ook uit de memo volgt, nu de bewoners niet zelfstandig kunnen functioneren, het niet denkbaar is dat een groep bewoners onbeperkt en zonder toezicht naar buiten gaat. Volgens het college bereiden de bewoners zich na de dagbesteding met hulp van de begeleiding voor op het diner, waarmee de nodige tijd is gemoeid en is na het diner tijd nodig voor huishoudelijke taken, persoonlijke verzorging en het klaarmaken voor de nacht. Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat voor zover de bewoners zich meer dan de in de memo vermelde tijd van vier uur buiten zullen verblijven, dit zo weinig voorkomt dat dit niet tot de representatieve bedrijfssituatie hoeft te worden gerekend. Wat betreft het gebruik van buitenruimte in de weekeinden heeft het college zich in zijn brief op het standpunt gesteld dat een deel van de bewoners in het weekeinde niet op het terrein aanwezig is, omdat deze bewoners dan bij hun ouders/verzorgers verblijven. Bewoners die wel op het terrein blijven, zullen in het weekeinde niet meer of minder buiten verkeren dan op andere weekdagen. Zij houden namelijk in de weekeinden eenzelfde dagritme aan als door de week, aldus het college. In dit verband heeft het college nog aangegeven dat sprake is van een uiterst kwetsbare groep mensen die een vast dagritme heeft. De stelling van de Bewonersgroep Hollandseweg dat DCMR er ten onrechte van uitgaat dat er maximaal vijf bewoners tegelijkertijd buiten zullen zijn, mist feitelijke grondslag. In het rapport van DCMR is vermeld dat bij de berekening van de geluidsbelasting is uitgegaan van een worst case scenario waarbij de moestuin en terrassen optimaal worden benut en tegelijkertijd worden gebruikt. Er bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat, zoals de Bewonersgroep Hollandseweg aanvoert, DCMR bij het onderzoek ten onrechte niet is uitgegaan van een representatieve groepssamenstelling.

Gelet op het voorgaande kan de Bewonersgroep Hollandseweg niet worden gevolgd in haar betoog dat in het rapport onjuistheden staan met betrekking tot de activiteiten op het perceel en het college om die reden het rapport niet aan zijn standpunt ten grondslag heeft kunnen leggen.

4.3. DCMR heeft de berekeningen uitgevoerd conform de standaard rekenmethode 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai'(1999) met inachtneming van de akoestische modelregels van de DCMR. Daarbij is gebruik gemaakt van de VDI richtlijn 3770 (april 2002) 'Characteristic noise emission values of sound sources. Facilities for recreational and sporting activities'. In het onderzoek is voor het berekenen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van het stemgeluid per bewoner en begeleider uitgegaan van een bronvermogen voor het equivalente geluidniveau van 75 dB(A), welk vermogen wordt gehanteerd voor spreken met luide stem. Volgens DCMR zijn de bewoners slechts in beperkte mate in staat tot spreken of het voortbrengen van geluiden, waardoor spreken luider zal zijn dan tijdens een normaal gesprek. In het rapport van DCMR is vermeld dat voor de bepaling van het maximale geluidniveau tijdens luid spreken bij gebrek aan een kengetal daarvoor, gebruik is gemaakt van het in de VDR richtlijn vermelde equivalente geluidniveau van schreeuwen, namelijk 100 dB(A), hetgeen volgens DCMR zeer waarschijnlijk een overschatting is.

De juistheid van het gebruik van de VDI richtlijn en een bronvermogen van 75 dB(A) bij de berekening van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau is door de Bewonersgroep Hollandseweg niet bestreden. Gelet op de door Vliex overgelegde tabel 'bronvermogens, menselijk geluid VDI-richtlijn 3770' is voorts niet in geschil dat in de VDI richtlijn geen kengetal is opgenomen voor het maximaal geluidvermogen bij spreken met luide stem. Volgens DCMR is in het rapport, bij gebrek aan een kengetal, uitgegaan van een bronniveau van 100 dB(A) voor het maximale geluidniveau. Deze waarde is volgens DCMR gelijk aan het bronvermogen voor het equivalente geluidniveau voor roepen zeer luid, plus 5. De VDI richtlijn gaat volgens DCMR voor de meeste stemniveaus voor het bronvermogen van het maximale geluidniveau uit van een waarde van het equivalente geluidniveau plus 3. De gebruikte waarde van 100 dB(A) acht DCMR, gezien de situatie, dan ook een realistisch niveau. Geen grond bestaat voor het oordeel dat DCMR in dit geval niet heeft kunnen uitgaan van 100 dB(A). De enkele vaststelling dat, zoals in het rapport van Vliex is vermeld, volgens de VDI richtlijn het maximaal geluidvermogen bij schreeuwen 103 dB(A) is en bij luid schreeuwen 108 dB(A), is hiervoor niet voldoende.

Voor zover in het rapport van Vliex is vermeld dat DCMR niet heeft berekend wat de geluidbelasting van de woonzorgvoorziening is aan de noordwestzijde van het perceel wordt overwogen dat de aldaar gelegen gronden een agrarische bestemming hebben en direct ten noordwesten van het perceel geen woningen zijn gesitueerd, zodat geen aanleiding de geluidsbelasting daar te berekenen.

Wat betreft het door Vliex uitgevoerde akoestisch onderzoek wordt tot slot als volgt overwogen. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling het college opgedragen onderzoek te (laten) verrichten naar de geluidbelasting vanwege het stemgeluid van de bewoners van de woonzorgvoorziening en alsnog te motiveren dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, zo nodig onder het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning. Dit onderzoek heeft DCMR verricht. Het onderzoek van Vliex, waarbij alle geluidbronnen op het perceel, waaronder het geluid dat de hanen maken, zijn betrokken, biedt daarom geen grondslag voor het oordeel dat het college het onderzoek van DCMR niet aan zijn standpunt ten grondslag heeft kunnen leggen.

4.4. Gelet op het voorgaande worden in hetgeen de Bewonersgroep Hollandseweg heeft aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden voor twijfel aan de juistheid van het rapport van DCMR en bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich in zijn brief van 8 juni 2015, nader aangevuld bij brieven van 25 juni 2015 en 4 augustus 2015, niet in redelijkheid op basis van dat rapport op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat de woonzorgvoorziening inpasbaar is in zijn omgeving.

5. Het hoger beroep is, gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de Bewonersgroep Hollandseweg tegen het besluit van 30 september 2014 gegrond verklaren. Dit besluit komt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de door het college bij brief van 8 juni 2015, aangevuld bij brieven van 25 juni 2015 en 4 augustus 2015, zal de Afdeling de rechtsgevolgen van het besluit van 30 september 2014 in stand laten.

6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2007 in zaak nr. 200607722/1 (www.raadvanstate.nl) wordt in dit verband nog overwogen dat voor het door de Bewonersgroep Hollandseweg op eigen naam ingediende beroepschrift geen vergoeding kan worden toegekend, ook al is het beroepschrift met behulp van mr. H.H. Harberink opgesteld. Artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) biedt niet de mogelijkheid tot het toekennen van een vergoeding voor andere werkzaamheden dan de in de bijlage van het Bpb opgesomde proceshandelingen. De kosten van rechtsbijstand, bestaande uit het bijstaan bij het opstellen van processtukken die door de betrokkene zelf, op eigen naam, worden ingediend, kunnen derhalve niet worden vergoed op grond van de genoemde bepaling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 28 november 2014 in zaak nrs. 14/8018 en 14/7866;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bernisse, thans gemeente Nissewaard van 30 september 2014, kenmerk V12-0113;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bernisse, thans gemeente Nissewaard, aan de Bewonersgroep Hollandseweg het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 411,00 (zegge: vierhonderdelf euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Michiels w.g. Pieters

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2015