Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2815

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2015
Datum publicatie
09-09-2015
Zaaknummer
201500325/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 oktober 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Joure - Entree Joure" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2015/2624
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500325/1/R4.

Datum uitspraak: 9 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GoodFoodFast Joure B.V., gevestigd te Joure, gemeente De Friese Meren, thans: De Fryske Marren, en anderen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente De Friese Meren, thans: De Fryske Marren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Joure - Entree Joure" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben GoodFoodFast en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

GoodFoodFast en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2015, waar GoodFoodFast en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. C.N.J. Kortmann, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door drs. A. Flapper en ir. F.I. Carpentier Alting, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plan voorziet in een regeling voor de herinrichting van de entree van Joure vanaf de A7 na de reconstructie van de rotonde in de A7 ter plaatse van het knooppunt met A6. Het plangebied omvat onder meer het terrein van het McDonald’s-restaurant met het naastliggende carpool- en parkeerterrein. GoodFoodFast en anderen exploiteren het ter plaatse gevestigde McDonald’s-restaurant.

4. GoodFoodFast en anderen richten zich tegen de voorziene regeling voor de bestemming "Horeca" omdat de daarin opgenomen regeling voor reclamemasten en lichtmasten gedeeltelijk onjuist en rechtsonzeker is. Zo wordt in artikel 4, lid 4.3, onder b, van de planregels ten onrechte verwezen naar artikel 4, lid 4.1.2, onder e, in plaats van naar lid 4.1.2, onder b. Daarnaast zijn de verwijzingen in artikel 4, lid 4.2.2, onder b en c, van de planregels onduidelijk, nu daaruit niet is af te leiden wat nu precies is toegestaan ten aanzien van reclamemasten en lichtmasten. Tot slot voeren GoodFoodFast en anderen aan dat het plan ten onrechte binnen de bestemming "Verkeer - Parkeren" geen reclamemast mogelijk maakt.

5. De raad stelt dat de verwijzingen in artikel 4, lid 4.3, onder b en in lid 4.4.2, onder b en c, inderdaad onjuist zijn. Het betreft kennelijke verschrijvingen, na correctie waarvan de regeling duidelijk en rechtszeker is. In zoverre vraagt de raad de Afdeling om zelf in de zaak te voorzien. Verder is de bestemming "Verkeer - Parkeren" niet gericht op en bedoeld voor het oprichten van bedrijfsgebonden reclamemasten en is de koppeling met het horecabedrijf dan ook minder duidelijk en rechtszeker. Een reclamemast binnen deze bestemming acht de raad dan ook niet wenselijk, mede in het licht van provinciale eisen voor dit soort reclamemasten langs snelwegen. Indien blijkt dat de zichtbaarheid van de bestaande reclamemast toch onvoldoende wordt, kan met een omgevingsvergunning van het bestemmingsplan worden afgeweken indien aan alle voorwaarden daartoe wordt voldaan. Tot slot is de bestaande reclamemast met de voorziene regeling als zodanig bestemd, aldus de raad.

6. De gronden ter plaatse van het restaurant hebben de bestemming "Horeca".

Ingevolge de aanhef van artikel 4, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Horeca" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen en overkappingen ten behoeve van een horecabedrijf.

Ingevolge lid 4.3 kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, met een omgevingsvergunning worden afgeweken van:

a. (…)

b. het bepaalde in lid 4.1.2 sub e in die zin dat de hoogte van één bedrijfsgebonden reclamemast kan worden verhoogd tot maximaal 20,00 m, mits dit geen beperkingen oplevert voor de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en de verhoging ruimtelijk en verkeerstechnisch aanvaardbaar is.

Ingevolge lid 4.4.2, wordt tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, in ieder geval gerekend:

a. (…)

b. het gebruik van verlichtingsmasten voor reclame-uiting, met in acht name van het gestelde onder 4.1.1, onder a;

c. het gebruik van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde en overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, binnen de aanduiding "parkeren" voor reclame-uiting met in acht name van het gestelde onder 4.1.1, onder b.

6.1. De Afdeling stelt vast dat met de verwijzing in artikel 4, lid 4.3, onder b naar "lid 4.1.2 sub e" moet zijn bedoeld "lid 4.1.2 sub b", nu slechts dit laatste onderdeel van lid 4.1.2 een regel bevat over de bouwhoogte van bedrijfsgebonden reclamemasten waarop een uitzondering wordt gemaakt in lid 4.3, onder b.

Voorts stelt de Afdeling vast dat ook in lid 4.4.2, onder b en c, van de planregels onjuiste verwijzingen zijn opgenomen, die niet overeenkomen met hetgeen de raad met het vaststellingsbesluit heeft beoogd. In plaats van "4.1.1, onder a" had in lid 4.4.2, onder b, moeten worden verwezen naar "4.4.1, onder a", nu die laatste bepaling de bedoelde regeling over lichtmasten bevat.

In lid 4.4.2, onder c is daarnaast abusievelijk verwezen naar "4.1.1, onder b" in plaats van naar "4.4.1, onder b", omdat de raad, zoals hij te kennen heeft gegeven, ook op gronden met de bestemming "Horeca" en de aanduiding "parkeren" het in lid 4.4.1, onder b genoemde gebruik van de bedrijfsgebonden reclamemast voor reclame uiting mogelijk heeft willen maken. Verder heeft de raad ter zitting naar aanleiding van een betoog van GoodFoodFast en anderen te kennen gegeven dat aan die verwijzing een verwijzing naar lid 4.4.1, onder c kan worden toegevoegd.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad het plan in zoverre niet met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid heeft voorbereid. De betogen van GoodFoodFast en anderen slagen.

7. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, zijn de voor "Verkeer - Parkeren" aangewezen gronden bestemd voor:

a. verkeers- en parkeervoorzieningen;

b. een busstation;

met de daarbij behorende:

c. (ontsluitings)wegen, straten en paden;

d. groenvoorzieningen;

e. gebouwen en overkappingen;

f. bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde, waaronder verlichtingsmasten.

Ingevolge lid 6.2.2, onder a, zal de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, ten hoogste 5,00 m bedragen.

7.1. De Afdeling overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat een vanaf de rijkswegen A6 en A7 zichtbare reclamemast noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering van het McDonald’s-restaurant. GoodFoodFast en anderen en de raad zijn alleen nog verdeeld over het antwoord op de vraag op welke locatie binnen het plangebied een dergelijke reclamemast zal moeten komen te staan. Het plan voorziet in bebouwings- en gebruiksvoorschriften voor een reclamemast op de gronden met de bestemming "Horeca". De Afdeling overweegt dat uit de nadere stukken die GoodFoodFast en anderen hebben ingediend, blijkt dat onvoldoende vaststaat dat de zichtbaarheid van een reclamemast op gronden met de bestemming "Horeca" is gewaarborgd. Dit heeft de raad niet betwist. Voor de gronden binnen het plangebied met de bestemming "Verkeer - Parkeren" noch voor gronden met een andere bestemming maakt het plan echter een reclamemast mogelijk. Gelet hierop en op het feit dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat een reclamemast op een alternatieve locatie binnen het plangebied een reële optie is die niet op ruimtelijke bezwaren hoeft te stuiten, is de Afdeling van oordeel dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat het plan voldoende mogelijkheden biedt voor een zichtbare reclamemast. Het plan is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het betoog van GoodFoodFast en anderen slaagt.

8. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak de in 6.1 bedoelde onjuiste verwijzingen in de planregels te herstellen op de daar omschreven wijze.

Daarnaast zal de Afdeling de raad opdragen om binnen die termijn met inachtneming van hetgeen onder 7.1 is overwogen alsnog toereikend te motiveren dat met de in het plan voorziene regeling een zichtbare reclamemast voldoende is gewaarborgd, dan wel een gewijzigd of nieuw besluit te nemen, met bijvoorbeeld een flexibiliteitsbepaling voor een zichtbare reclamemast.

De raad dient de Afdeling de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Afdeling 3.4 van de Awb behoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast.

9. Tevens zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente De Fryske Marren op om binnen 20 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

1. met inachtneming van overweging 8 de daar bedoelde gebreken te herstellen; en

2. de Afdeling de uitkomst mede te delen en een nieuw of gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, griffier.

w.g. Van Sloten

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2015

545.