Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2813

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2015
Datum publicatie
09-09-2015
Zaaknummer
201500735/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2014:9073, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 februari 2013 heeft het algemeen bestuur [appellant] medegedeeld dat het op 14 februari 2013 spoedeisende bestuursdwang heeft toegepast, inhoudende het stutten en stabiliseren van de voorgevel en het direct staken van het gebruik van het pand op het perceel [locatie 1] te Amsterdam (hierna: het perceel). Tevens is [appellant] bij dit besluit aangezegd dat de kosten van de toegepaste bestuursdwang op hem zullen worden verhaald.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7119
JOM 2015/947
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500735/1/A1.

Datum uitspraak: 9 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2014 in zaak nr. 14/318 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel West, thans het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel West (hierna: het algemeen bestuur).

Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2013 heeft het algemeen bestuur [appellant] medegedeeld dat het op 14 februari 2013 spoedeisende bestuursdwang heeft toegepast, inhoudende het stutten en stabiliseren van de voorgevel en het direct staken van het gebruik van het pand op het perceel [locatie 1] te Amsterdam (hierna: het perceel). Tevens is [appellant] bij dit besluit aangezegd dat de kosten van de toegepaste bestuursdwang op hem zullen worden verhaald.

Bij besluit van 16 mei 2013 heeft het algemeen bestuur de kosten van de toegepaste bestuursdwang vastgesteld op een bedrag van € 45.298,07 en deze kosten op [appellant] verhaald.

Bij besluit van 10 december 2013 heeft het algemeen bestuur het door [appellant] ingediende bezwaar, voor zover betrekking hebbend op het besluit van 22 februari 2013 niet-ontvankelijk, en voor zover betrekking hebbend op het besluit van 16 mei 2013, ongegrond verklaard en dit besluit onder aanpassing van de motivering in stand gelaten. Daarbij zijn de kosten van de bestuursdwang opnieuw, nu op een bedrag van € 41.154,84 vastgesteld.

Bij uitspraak van 18 december 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juli 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. K.J.T.M. Hehenkamp, advocaat te Amsterdam, en het algemeen bestuur, vertegenwoordigd door mr. P. Bröcker, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Blijkens het besluit van 22 februari 2013 is op 12 december 2012 door een toezichthouder van de Directie Handhaving en Toezicht Afdeling Gebruik, Bouw en Milieu van het stadsdeel West geconstateerd dat het pand op het perceel ernstige bouwkundige gebreken vertoonde. De fundering was volgens het besluit niet meer bestand tegen de daarop werkende krachten en het pand was ernstig verzakt. Zetting en scheurvorming in de voorgevel was duidelijk zichtbaar en verslechterde in hoog tempo. Geveldelen raakten los en vielen op straat. Door de scheefstand van het gebouw waren kozijnen in de voor- en achtergevel ontwricht en daardoor waren ramen gebroken. Vloeren en plafonds vertoonden constructieve gebreken die gevaar veroorzaakten voor instortende plafonddelen en het doorzakken van vloeren. De gas- en elektra-installatie was bij alle woningen en de winkelruimte in het pand afgekeurd door een erkend installateur.

Omdat het algemeen bestuur voornoemde situatie op het perceel als zeer ernstig beoordeelde, is volgens het besluit van 22 februari 2013 op 14 februari 2013 spoedeisende bestuursdwang toegepast.

2. [appellant] heeft in de bezwaarprocedure naar voren gebracht dat hij niet op de hoogte was van het besluit van 22 februari 2013, omdat dit besluit hem niet heeft bereikt.

Het algemeen bestuur heeft gesteld dat dit besluit [appellant] op 22 februari 2013 zowel aangetekend, als per gewone post is toegezonden. Het stelt verder dat het besluit op 26 februari 2013 door hem retour is ontvangen.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het algemeen bestuur zijn bezwaarschrift tegen het besluit van 22 februari 2013 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het algemeen bestuur met de in het geding gebrachte nadere stukken, de aangetekende verzending van het besluit van 22 februari 2013 aan zijn adres aannemelijk heeft gemaakt. Het algemeen bestuur heeft deze verzending volgens [appellant] niet aannemelijk gemaakt en hij betwist de ontvangst van dit besluit. Eerst naar aanleiding van zijn verzoek ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur van 21 juni 2013, is hij in het bezit gekomen van het besluit van 22 februari 2013, aldus [appellant]. Nu het besluit niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, is het niet in werking getreden en is de bezwaartermijn voor het besluit niet aangevangen. Omdat het besluit niet in werking is getreden, vormde het evenmin grondslag om de kosten van de uitgevoerde bestuursdwang op hem te verhalen, aldus [appellant].

3.1 Ingevolge artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.2 De rechtbank heeft, na het onderzoek ter zitting op 3 juli 2014, het onderzoek heropend om het algemeen bestuur in de gelegenheid te stellen aan de rechtbank nadere inlichtingen te verstrekken over de bekendmaking van het besluit van 22 februari 2013.

Het algemeen bestuur heeft de rechtbank bij brief met bijlagen van 24 juli 2014 ter zake nadere inlichtingen verstrekt. De bijlagen bij die brief betreffen een dubbelzijdige kopie van de enveloppe waarin het besluit van 22 februari 2013 aan het algemeen bestuur is geretourneerd, een kopie van het besluit van 22 februari 2013 dat volgens het algemeen bestuur in die enveloppe is teruggezonden, een print van zoekresultaten naar adressen aan de hand van de postcodes 1017 ET en 1071 ET, en een uitdraai van de registratie van de verzending door de postkamer van het algemeen bestuur.

3.3 Indien een besluit of uitspraak aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, dient te worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden.

Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het algemeen bestuur de aangetekende verzending van het besluit van 22 februari 2013 aan het adres van [appellant] met de door hem in het geding gebrachte stukken aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat op het verzendbewijs van het betreffende poststuk, in de vorm van zogenoemde Track & Trace stickers van PostNL, het woord "Aangetekend" wordt vermeld, alsmede een aan het poststuk toegekende barcode, en het kenmerk "2013/1309", hetgeen het kenmerk van het besluit van 22 februari 2013 is. Ook volgt zowel uit de vermelding op het besluit zelf, als uit de door het algemeen bestuur overgelegde informatie uit het postregistratiesysteem, dat het besluit zowel per aangetekende post, als per gewone post is verzonden.

De stelling van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit niet op juiste wijze is bekendgemaakt, omdat het naar een onjuist adres is verzonden, volgt de Afdeling niet. [appellant] heeft ter ondersteuning van dit betoog verwezen naar een e-mailbericht van PostNL van 11 september 2013 aan het algemeen bestuur, waarin PostNL aan het algemeen bestuur de reden van de retourzending van het besluit heeft medegedeeld. Volgens dit bericht is het besluit op het adres waar het is aangeboden geweigerd. In dit e-mailbericht, dat bijna 7 maanden na de verzending van het besluit is verstuurd, wordt weliswaar een onjuiste postcode bij het adres van [appellant] genoemd, te weten 1017 ET in plaats van 1071 ET, maar daar staat tegenover dat uit de overige stukken die het algemeen bestuur in het geding heeft gebracht, blijkt dat op het besluit zelf het juiste adres van [appellant], inclusief de juiste postcode, wordt vermeld.

Dat adres, [locatie 2], 1071 ET te Amsterdam, was zichtbaar door het venster van de enveloppe waarin het besluit is verzonden.

De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om eraan te twijfelen dat het poststuk, ook bij aangetekende verzending, is verzonden naar het op het besluit zichtbare adres. De Afdeling ziet de vermelding van de onjuiste postcode in het e-mailbericht van PostNL van 11 september 2013 dan ook als een kennelijke verschrijving, die er niet aan doet twijfelen dat het besluit op regelmatige wijze aan het juiste adres van [appellant] is aangeboden en daar is geweigerd. Daarbij is voorts nog van belang dat het algemeen bestuur met de in het geding gebrachte stukken verder heeft aangetoond dat een adres op [locatie 2], in combinatie met postcode 1017 ET, niet bestaat.

3.4 De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het besluit van 22 februari 2013 op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en [appellant] daartegen buiten de bezwaartermijn bezwaar heeft gemaakt. Nu niet is gesteld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, heeft zij terecht geoordeeld dat het algemeen bestuur het bezwaar van [appellant] tegen dat besluit op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte de kosten van bestuursdwang die het algemeen bestuur op hem heeft verhaald, niet onredelijk heeft geacht. Volgens hem heeft het algemeen bestuur niet aannemelijk gemaakt dat het stutten van het pand op het perceel daadwerkelijk nodig was. Verder had volgens [appellant] de bestuursdwang ten onrechte betrekking op het gehele pand [locatie 1], terwijl bij de daaraan voorafgegane schouw slechts de bedrijfsruimte en de zolder zijn geïnspecteerd.

De in rekening gebrachte kosten zijn verder volgens [appellant] te hoog, onder meer omdat volgens hem wat betreft materialen kon worden volstaan met houten latten ten behoeve van het dichttimmeren van zeven voorgevelkozijnen. Dat meer materialen nodig waren en zijn gebruikt, blijkt ook niet uit de in rekening gebrachte facturen, aldus [appellant]. Hij stelt verder dat de tot een bedrag van € 26.656,38 (exclusief BTW) in rekening gebrachte kosten voor het ophalen van vuilnis onevenredig zijn, evenals de kosten van ontruiming, mede omdat naar hij stelt, in het pand slechts één persoon woonachtig was, en het pand voor het overige leeg was.

4.1 Uit de gedingstukken blijkt dat de kosten van de spoedeisende bestuursdwang die het algemeen bestuur aan [appellant] in rekening heeft gebracht bestaan uit de volgende facturen (inclusief BTW):

- een bedrag van € 609,84, bestaande uit kosten voor [bedrijf A] ten behoeve van het keuren van alle gas- en elektra-installaties in het pand;

- een bedrag van € 27.750,45 van [bedrijf B], voor diverse uitgevoerde (aannemers)werkzaamheden, waaronder het stutten van het pand en het in containers afvoeren en afstorten van vuilnis;

- een bedrag van € 5.520,- voor kosten die het stadsdeel heeft gemaakt voor een verhuiskostenvergoeding voor een bewoner van het pand;

- een bedrag van € 7.294,55, in rekening gebracht door de GGD, voor het ontruimen van het pand.

Hoewel het totaal van deze kosten € 41.174,84 bedraagt, heeft het algemeen bestuur de totale kosten in het besluit van 10 december 2013 vastgesteld op een bedrag van € 41.154,84. De Afdeling zal in het hierna volgende van laatstgenoemd bedrag uitgaan.

4.2 De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over de noodzaak van het stutten van het pand, alsmede over de aan de uitgevoerde bestuursdwang voorafgegane schouw, gronden zijn die [appellant] als bezwaargronden tegen de last onder bestuursdwang en de aanzegging van het kostenverhaal naar voren had kunnen brengen. Dat besluit, van 22 februari 2013, staat echter in rechte vast.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat in deze procedure slechts de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling en verhaal van de kosten van de bestuursdwang ter beoordeling voorligt en [appellant] niet nader, concreet heeft onderbouwd dat dit omstandigheden zijn die het algemeen bestuur aanleiding hadden moeten geven om geheel of gedeeltelijk van het verhaal van de kosten af te zien. Zij heeft in deze door [appellant] aangevoerde omstandigheden dan ook terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de kosten van bestuursdwang redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van [appellant] zouden moeten komen.

4.3 Wat betreft de hoogte van de in rekening gebrachte kosten, heeft [appellant] terecht aangevoerd dat een der facturen niet alleen op het pand op het perceel ziet. De factuur van [bedrijf A] van € 609,84 ziet zowel op werkzaamheden aan het pand op het perceel, als op werkzaamheden aan het pand op het perceel [locatie 3]. Laatstgenoemde kosten kunnen niet bij het hier bestreden besluit worden verhaald, omdat deze geen betrekking hebben op de op het perceel toegepaste bestuursdwang.

Omdat het volgens de factuur gaat om vergelijkbare werkzaamheden op beide percelen, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de helft van de kosten op deze factuur, een bedrag van € 304,92, niet bij het in deze procedure aan de orde zijnde besluit op [appellant] kunnen worden verhaald. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep van [appellant] zal om deze reden gegrond worden verklaard.

4.4 Voor het overige heeft de rechtbank, anders dan [appellant] betoogt, terecht de op [appellant] verhaalde kosten van bestuursdwang niet onredelijk geacht. Gelet op de ernstige bouwkundige gebreken van het pand volgens het besluit van 22 februari 2013, en de in verband daarmee benodigde maatregelen, die volgens het besluit mede op het tegengaan en beëindigen van gevaar voor de gezondheid of de veiligheid als gevolg van de overtreding waren gericht, bestaat geen grond voor het oordeel dat het algemeen bestuur met de genomen maatregelen disproportioneel heeft gehandeld.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] tegenover de gemotiveerde onderbouwing door het algemeen bestuur van de kosten, niet heeft onderbouwd waarom en in hoeverre de kosten voor bijvoorbeeld het afvoeren van vuilnis en de in rekening gebrachte kosten door de GGD te hoog zouden zijn. Wat betreft de kosten van het afvoeren van vuilnis blijkt overigens, anders dan [appellant] stelt, uit de facturen van [bedrijf B] niet dat deze tot een bedrag van € 26.656,38 bij hem in rekening zijn gebracht.

Dat, zoals [appellant] stelt, de rechtbank niet heeft onderkend dat [bedrijf B] en de GGD beiden kosten in rekening hebben gebracht voor dezelfde prestatie, namelijk ontruiming van het pand, is evenmin gebleken. Het algemeen bestuur heeft deze stelling ter zitting bestreden en de afzonderlijke ontruimingskosten verklaard door onweersproken te stellen dat naast een legale bewoner van het pand, ook een illegale bewoner het pand bewoonde, in een vervuilde situatie. Bij de ontruiming van vervuilde woningen wordt volgens het algemeen bestuur de GGD betrokken. De kosten van de ontruiming door de GGD zien dan ook op die situatie en de kosten van [bedrijf B] onder meer op het ontruimen van het pand voor het overige.

De stelling van [appellant] dat ten onrechte een rekening van een aannemer op hem is verhaald voor werkzaamheden die hebben plaatsgevonden voordat de schouw van het pand en de overige werkzaamheden plaatsvonden, treft evenmin doel. Namens [appellant] is ter zitting erkend dat dit een rekening van € 871,20 van [bedrijf C] betreft voor een zogenoemd stutplan, welke rekening het algemeen bestuur bij het besluit op bezwaar buiten beschouwing heeft gelaten bij de vaststelling van het totaalbedrag.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt verder tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die het algemeen bestuur in dit geval hadden moeten doen afzien van het verhaal van de kosten van bestuursdwang. Hij stelt daartoe dat hem door mentale problemen geen verwijt van de ontstane situatie op het perceel kan worden gemaakt.

[appellant] heeft deze stelling echter niet met objectieve gegevens onderbouwd. Reeds daarom faalt dit betoog.

6. Gelet op hetgeen onder 4.3 hiervoor is overwogen, is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarin de vaststelling van de kosten van bestuursdwang door het algemeen bestuur in het besluit van 10 december 2013, kenmerk 2013/7228, op een bedrag van € 41.154,84, in stand heeft gelaten.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] in zoverre alsnog gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen voor zover daarin de kosten van de bestuursdwang op een bedrag van € 41.154,84 zijn vastgesteld, en bepalen dat deze kosten op een bedrag van € 40.849,92 worden vastgesteld. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

7. Het algemeen bestuur dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2014 in zaak nr. 14/318, voor zover daarbij de vaststelling van de kosten van bestuursdwang op een bedrag van € 41.154,84, in het besluit van 10 december 2013, kenmerk 2013/7228, van het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel West, in stand is gelaten;

III. verklaart het door [appellant] bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het onder II genoemde besluit, voor zover daarbij de kosten van bestuursdwang op een bedrag van € 41.154,84 zijn vastgesteld;

V. bepaalt dat deze kosten worden vastgesteld op een bedrag van € 40.849,92 (zegge: veertigduizend achthonderdnegenenveertig euro en tweeënnegentig cent);

VI. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VII. veroordeelt het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel West tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.960,00 (zegge: negentienhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel West aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 413,00 (zegge: vierhonderddertien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Kramer w.g. Bolleboom

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2015

641.