Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2803

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2015
Datum publicatie
09-09-2015
Zaaknummer
201410221/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 februari 2013 heeft het college een verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2015/389 met annotatie van P.J. Stolk
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410221/1/A3.

Datum uitspraak: 9 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Bergen op Zoom,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 oktober 2014 in zaak nr. 13/4369 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom.

Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2013 heeft het college een verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) afgewezen.

Bij besluit van 21 juni 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 oktober 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

AM Grondbedrijf B.V., Amvest Projectontwikkeling Samenwerking met Derden B.V., AM Deelnemingen Grondbedrijf B.V., Vestam Participaties B.V. en AM B.V. (hierna: AM Grondbedrijf B.V. en anderen) hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 augustus 2015, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. J. van den Berg, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Verder zijn ter zitting AM Grondbedrijf B.V. en anderen, vertegenwoordigd door mr. A.M.M. Ferwerda, advocaat te Rotterdam, gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) verstrekt de griffier, onverminderd de artikelen 231, eerste lid, en 290, derde lid, aan een ieder die dat verlangt afschrift van vonnissen, arresten en beschikkingen, tenzij verstrekking naar het oordeel van de griffier ter bescherming van zwaarwegende belangen van anderen, waaronder die van partijen, geheel of gedeeltelijk dient te worden geweigerd. In het laatste geval kan de griffier volstaan met verstrekking van een geanonimiseerd afschrift of uittreksel van het vonnis, het arrest of de beschikking.

Ingevolge het derde lid zijn onder vonnissen, arresten en beschikkingen begrepen stukken die aan de uitspraak zijn gehecht. Van andere tot een procesdossier behorende stukken wordt geen afschrift of uittreksel aan derden verstrekt.

2. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 7 februari 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] om openbaarmaking op grond van de Wob van twee dagvaardingen in een civiele procedure tussen de gemeente Bergen op Zoom en enkele B.V.’s en van de daaraan ten grondslag liggende documenten afgewezen. Daartoe heeft het van belang geacht dat artikel 28 van het Rv een bijzondere openbaarheidsregeling bevat voor civielrechtelijke processtukken. De Wob wijkt voor deze regeling en is dus niet van toepassing, aldus het college.

3. [appellant] verzoekt de Afdeling de uitspraak van de rechtbank waarin zij het college in diens standpunt is gevolgd te vernietigen en haar eigen rechtspraak met betrekking tot het uitputtende karakter van artikel 28 van het Rv te herzien. Hiertoe voert hij aan dat het in deze zaak gaat om publiek-private samenwerking tussen de gemeente en B.V.’s. Als de door hem gevraagde informatie niet op grond van de Wob openbaar wordt gemaakt, is openbare verantwoording van deze B.V.’s door het openbaar bestuur en controle op het openbaar bestuur door burgers niet mogelijk. Op die manier wordt het bedrijfsbelang boven het algemeen belang gesteld, aldus [appellant].

3.1. Vaststaat dat de stukken die [appellant] beoogt te ontvangen processtukken zijn in een civiele procedure. Op dergelijke stukken is het bepaalde in artikel 28 van het Rv van toepassing. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 18 februari 2004 in zaak nr. 200300829/1 en van 9 april 2014 in zaak nr. 201302028/1/A3 geoordeeld dat artikel 28 van het Rv een bijzondere openbaarheidsregeling bevat met een uitputtend karakter die derogeert aan de Wob. De Afdeling ziet geen aanleiding van deze rechtspraak terug te komen. Gelet op het samenstel van regels en het systeem van het Rv, is in artikel 28 van het Rv een bijzondere regeling voor openbaarmaking vervat die geacht moet worden voorrang te hebben boven de Wob en een uitputtend karakter heeft, zodat voor toepassing van de bepalingen van de Wob geen plaats is. Indien in het geval waarin een bestuursorgaan partij is in een civiele procedure naast een verzoek als bedoeld in artikel 28 van het Rv voor een ieder ook de mogelijkheid zou openstaan een verzoek op grond van de Wob te doen, zou afbreuk worden gedaan aan de goede werking van de materiële bepalingen van het Rv. De rechtbank heeft verder terecht geoordeeld dat het door [appellant] gestelde dat de verzochte informatie reeds eerder openbaar is gemaakt hieraan niet afdoet, nu het college gehouden is het verzoek af te wijzen gelet op het bepaalde in artikel 28 van het Rv.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Zegveld

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2015

43-805.