Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2800

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-08-2015
Datum publicatie
02-09-2015
Zaaknummer
201503455/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2015:1614, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 oktober 2014 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 66a
Vreemdelingenwet 2000 69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/295
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503455/1/V3.

Datum uitspraak: 28 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 1 april 2015 in zaak nr. 14/26519 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2014 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 april 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. V. Senczuk, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb, voor zover thans van belang, geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid vangt de termijn voor het indienen van een beroepschrift aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:11 blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift in afwijking van artikel 6:7 van de Awb vier weken.

Volgens onderdeel A4/2.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), geldend ten tijde van belang en voor zover thans van belang, is het beleid dat geldt voor het uitreiken van het besluit tot ongewenstverklaring van overeenkomstige toepassing op het uitreiken van het besluit tot uitvaardiging van een inreisverbod met de rechtsgevolgen van artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000.

Volgens onderdeel A4/3.4, geldend ten tijde van belang en voor zover thans van belang, handelt de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen als volgt:

• hij reikt het origineel van de beschikking aan de vreemdeling in persoon uit;

• hij zendt, in het geval een gemachtigde van de vreemdeling bekend is, een kopie van de beschikking aan de gemachtigde toe op dezelfde dag dat de beschikking is uitgereikt.

2. Niet is bestreden dat het besluit op 3 oktober 2014 aan de vreemdeling is uitgereikt. Evenmin is bestreden dat geen kopie van het besluit is toegezonden aan de gemachtigde van de vreemdeling.

3. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is het besluit, door het aan de vreemdeling uit te reiken, op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Dat niet tevens een kopie van het besluit aan de gemachtigde is toegezonden, zoals de onderdelen A4/2.4.2 en A4/3.4 van de Vc 2000 voorschrijven bij het bekend zijn van een gemachtigde, maakt dat niet anders. De termijn voor het instellen van beroep is derhalve ingevolge het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, begonnen op 4 oktober 2014 en, gelet op artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000, geëindigd op 31 oktober 2014.

4. De vreemdeling heeft op 21 november 2014 beroep ingesteld en derhalve voormelde termijn overschreden. In zijn enige grief betoogt hij dat de rechtbank heeft miskend dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, nu de staatssecretaris in strijd met zijn beleid niet een kopie van het besluit aan zijn gemachtigde heeft toegezonden. Hierdoor is, naar de vreemdeling betoogt, niet tijdig beroep tegen het besluit ingesteld. Door zijn psychische en psychiatrische problemen is hij niet in staat geweest zijn gemachtigde tijdig over het besluit te infomeren, aldus de vreemdeling.

5. De staatssecretaris is gezien de onderdelen A4/2.4.2 en A4/3.4 van de Vc 2000, in het geval een gemachtigde van de vreemdeling bekend is, gehouden een kopie van het besluit aan de gemachtigde toe te zenden. Nu blijkens de in de dossier aanwezige stukken een gemachtigde van de vreemdeling bekend was ten tijde van het uitvaardigen van het besluit, heeft de staatssecretaris in strijd met voormeld beleid gehandeld. De rechtbank heeft ten onrechte reeds hierin geen aanleiding gezien de termijnoverschrijding op grond van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar te achten en heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

De grief slaagt.

6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Omdat de rechtbank geen oordeel heeft gegeven over de door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden tegen het inreisverbod, en om aldus verlies van instantie te voorkomen, zal de Afdeling de zaak met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

7. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank moet omtrent de vergoeding van deze kosten beslissen.

8. Met toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb zal de Afdeling bepalen dat het in hoger beroep door de vreemdeling betaalde griffierecht door de griffier van de Raad van State wordt terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 1 april 2015 in zaak nr. 14/26519;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro) en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten;

V. bepaalt dat de griffier van de Raad van State aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 248,00 (zegge: tweehonderdachtenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Vonk

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2015

345-775.