Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2798

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-08-2015
Datum publicatie
02-09-2015
Zaaknummer
201309413/4/R3 en 201308141/7/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2010, kenmerk 2010/61, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309413/4/R3 en 201308141/7/R3.

Datum uitspraak: 28 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1],

2. [appellant sub 2], beiden wonend te Oirschot,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Oirschot,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2010, kenmerk 2010/61, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [appellant sub 1] beroep ingesteld. Hierop heeft de Afdeling beslist bij uitspraak van 26 september 2012, in zaak nr. 201011920/8/R3 (www.raadvanstate.nl).

Bij besluit van 18 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Fase II" (hierna: plan Fase II) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant sub 2] geen beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 3 december 2014, in zaak nr. 201309413/1/R3, heeft de Afdeling de uitspraak van 26 september 2012 gedeeltelijk ambtshalve vervallen verklaard en het onderzoek heropend onder nr. 201309413/4/R3.

Bij besluit van 16 december 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "2e bestuurlijke lus Buitengebied Oirschot" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant sub 2] bij brief van 18 maart 2015 beroep ingesteld. Dit beroep wordt behandeld onder nr. 201308141/7/R3.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd en ter zitting behandeld op 14 april 2015, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. P.M.A.C. van der Laak, advocaat te Moergestel en de raad, vertegenwoordigd door mr. S. Rotman en M. Stoffels, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de hiervoor genoemde uitspraak van 26 september 2012 heeft de Afdeling naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 1] het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" (hierna: plan Fase I) vernietigd wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 1] te Oirschot (hierna: het perceel) en zelf in de zaak voorzien door de bestemming aan te passen in aansluiting op het standpunt van de raad ter zitting dat de woning op het perceel diende te worden bestemd als tweede bedrijfswoning bij het agrarische bedrijf van [appellant sub 1] op het perceel [locatie 2]. [appellant sub 2] is eigenaar van de woning aan de [locatie 1].

2. Bij uitspraak van 3 december 2014 heeft de Afdeling een verzoek van [appellant sub 2] van 30 september 2013 om herziening van de uitspraak van 26 september 2012 afgewezen, die uitspraak ambtshalve vervallen verklaard wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 1] en bepaald dat het onderzoek, voor zover het betrof het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van de raad van de gemeente Oirschot van 29 september 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010", voor zover dat beroep gericht was tegen de bestemmingsregeling die in dat plan was toegekend aan het perceel [locatie 1], werd heropend onder het zaaknummer 201309413/4/R3. Daarbij overwoog de Afdeling dat [appellant sub 2] als eigenaar van het perceel destijds ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om als partij aan het geding deel te nemen en dat niet was gebleken dat hij op de hoogte was of had kunnen zijn van het beroep van [appellant sub 1] tegen de planregeling voor het perceel.

3. Dit betekent dat opnieuw uitspraak dient te worden gedaan op het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van de raad van 29 september 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010", voor zover dat beroep gericht is tegen de planregeling voor het perceel [locatie 1].

4. Bij besluiten van 18 juni 2013 en van 16 december 2014 heeft de raad in de respectieve bestemmingsplannen "Buitengebied Fase II" en "2e bestuurlijke lus Buitengebied Oirschot" opnieuw een planregeling voor het perceel opgenomen, ertoe strekkende dat daaraan opnieuw de bestemming tweede bedrijfswoning bij het agrarische bedrijf van [appellant sub 1] is toegekend.

4.1. [appellant sub 2] heeft geen beroep ingesteld tegen het plan Fase II. Tegen het plan van 16 december 2014 heeft [appellant sub 2] bij brief van 18 maart 2015 beroep ingesteld. Dit beroep is afgesplitst van de zaak met nr. 201308141/1/R3 en voortgezet onder nr. 201308141/7/R3.

4.2. [appellant sub 1] heeft gemotiveerd betwist dat het besluit van 18 juni 2013 tot vaststelling van het plan Fase II onderwerp is van het voorliggende geding en heeft daartoe onder meer naar voren gebracht dat het prematuur is om ervan uit te gaan dat de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2013 deels is vervallen, nu nog niet is beslist op het verzoek van [appellant sub 2] om herziening van die uitspraak, dat als er wel van moet worden uitgegaan dat die uitspraak deels is vervallen, de raad een nieuw besluit zal moeten nemen en dat het besluit van 18 juni 2013 niet kan worden gezien als vervangend besluit voor het vervallen verklaarde gedeelte van de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2013. Hij heeft voorts naar voren gebracht dat noch [appellant sub 2], noch [appellant sub 1] ter zake van de bestemmingsregeling voor het perceel beroep hebben ingesteld tegen plan Fase II, waarbij [appellant sub 2] zelfs uitdrukkelijk heeft verklaard dat zijn brief van 30 september 2013 niet als zodanig diende te worden opgevat, en dat bovendien ook in het deskundigenbericht en in het verweer van de raad niet is uitgegaan van het bestaan van een beroep van [appellant sub 2] tegen het plan Fase II.

4.3. Het betoog van [appellant sub 1] op dit punt kan niet slagen. Bij de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2014, in zaak nr. 201309413/1/R3, is het verzoek van [appellant sub 2] om herziening van die uitspraak afgewezen. De uitspraak strekt voorts ondubbelzinnig tot vervallenverklaring van de uitspraak van 26 september 2012 met betrekking tot de planregeling voor het perceel. De Afdeling heeft daarbij het onderzoek in de behandeling van het beroep van [appellant sub 1] tegen het plan Fase I, onder zaaknummer 201309413/4/R3 heropend, zodat daarop een uitspraak van de Afdeling dient te volgen. Een plicht voor de raad om een nieuw besluit te nemen kan uit de uitspraak van 3 december 2014 niet worden afgeleid.

De Afdeling overweegt voorts dat het gedeeltelijk vervallen van de uitspraak en de heropening van het onderzoek, in combinatie met het feit dat de raad tijdens de procedure bij de Afdeling daarover op 18 juni 2013 een besluit heeft genomen waarbij hij gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2012 in het nadeel van [appellant sub 2], in dit concrete geval aanleiding geeft tot het aannemen van een van rechtswege ontstaan beroep tegen het besluit van 18 juni 2013 van [appellant sub 2]. De door [appellant sub 1] naar voren gebrachte feiten en omstandigheden kunnen daaraan niet afdoen.

4.4. Gelet op het voorgaande en gelet op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 18 juni 2013 tot vaststelling van het plan Fase II moet worden geacht van rechtswege onderwerp te vormen van het voorliggende geding en dat derhalve van rechtswege een beroep van [appellant sub 2] tegen dat besluit is ontstaan.

5. [appellant sub 1] heeft aangevoerd dat in het plan Fase I ten onrechte een woonbestemming is toegekend aan het perceel [locatie 1]. Hij stelt dat deze bestemming beperkingen oplevert voor zijn agrarische bedrijfsvoering en dat de bestemming een uitbreiding van zijn bedrijf onmogelijk maakt. Volgens [appellant sub 1] is de woning geen burgerwoning, maar gaat het om een tweede bedrijfswoning bij zijn agrarische bedrijf. Hij heeft hiertoe onder meer gewezen op in het verleden met [appellant sub 2] hierover gemaakte afspraken. In het voorheen geldende plan was aan de woning eveneens ten onrechte een woonbestemming toegekend. Hiertegen zijn abusievelijk geen rechtsmiddelen aangewend, zo stelt [appellant sub 1].

5.1. [appellant sub 2] bestrijdt dat de woning als bedrijfswoning bij de rundveehouderij van [appellant sub 1] in gebruik is geweest. Hij heeft aangevoerd dat hij, na aanvankelijk bij zijn zuster [naam zuster] op [locatie 2] te hebben gewoond, de woning van haar heeft gekocht en daar is gaan wonen. Volgens hem is hij in 1966, na het overlijden van de echtgenoot van [naam zuster], met haar overeengekomen dat hij haar met raad en daad zou bijstaan.

5.2. Aan het perceel [locatie 1] is in het plan de bestemming "Wonen" toegekend.

Vast staat dat in de bestemmingsplannen "Buitengebied 1986" en "Buitengebied 2000" eveneens een (burger)woonbestemming aan het perceel was toegekend.

Niet in geschil is voorts dat bij besluit van 10 november 1966 door het college van burgemeester en wethouders een vergunning is verleend voor de bouw van een woonhuis met bedrijfsruimte op het desbetreffende perceel. De bouwvergunning is verleend aan de heer [appellant sub 2], van beroep opperman, wonende te Oirschot, [locatie 2].

5.3. Voor het standpunt van [appellant sub 1] dat een mondelinge afspraak uit 1966 tussen [appellant sub 2] en zijn zuster aanleiding zou moeten vormen om ervan uit te gaan dat sprake is geweest van een geformaliseerde arbeidsbetrekking tussen hen waaruit feitelijk gebruik van de woning als bedrijfswoning zou moeten worden afgeleid, ziet de Afdeling, gelet op het voorgaande, geen aanleiding. De door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ondertekende verklaring uit 1996 die [appellant sub 1] heeft overgelegd kan naar het oordeel van de Afdeling evenmin tot dat oordeel leiden. Daarbij wordt opgemerkt dat in deze verklaring geen sprake is van een ondubbelzinnige verklaring dat [appellant sub 2] fungeerde als vaste medewerker van het agrarische bedrijf van [appellant sub 1], maar slechts van een "constructie van meehelpen op de boerderij" in het kader van de behoefte van [zuster] aan hulp. Voorts wordt daarin verklaard dat [appellant sub 2], om ter plaatse een woning te mogen bouwen, varkens moest houden om als agrarisch bedrijf te worden aangemerkt. Dit zou, wat daarvan ook zij, hooguit hebben kunnen leiden tot de vaststelling dat de woning op nr. 2 destijds als bedrijfswoning bij een eigen varkenshouderij van [appellant sub 2] zou hebben kunnen worden beschouwd.

De Afdeling acht derhalve niet aannemelijk gemaakt dat de woning als tweede bedrijfswoning bij het agrarisch bedrijf van [appellant sub 1] heeft gefungeerd. Dat in de milieuvergunningen die in 1996 en 2004 aan het bedrijf van [appellant sub 1] zijn verleend de woning op nr. 2 is aangeduid als "woning medewerker rundveebedrijf", kan daaraan niet afdoen, nu niet is gebleken dat daaraan overleg met [appellant sub 2] vooraf is gegaan of dat deze daarvan anderszins op de hoogte is geweest of had moeten zijn.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad in 2010 op goede gronden aan de woning op het perceel [locatie 1] de bestemming "Wonen" heeft toegekend.

5.4. Het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van de raad van 29 september 2010 is ongegrond. Hierin, en in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 18 juni 2013 en het besluit van 16 december 2014 voor zover die zien op de bestemmingsregeling die in die plannen zijn toegekend aan het perceel [locatie 2]/[locatie 1], zijn genomen in strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening. De beroepen van [appellant sub 2] tegen deze besluiten zijn gegrond, zodat deze besluiten in zoverre dienen te worden vernietigd.

6. De raad dient ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. De Afdeling ziet tevens aanleiding om te bepalen dat de door [appellant sub 2] in de herzieningsprocedure opgekomen proceskosten door de griffier van de Raad van State aan hem worden terugbetaald.

Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van de raad van de gemeente Oirschot van 29 september 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010", voor zover dat beroep is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 1] te Oirschot ongegrond;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 2] tegen het besluit van 18 juni 2013 tot vaststelling van het plan "Buitengebied Fase II" en het besluit van 16 december 2014 tot vaststelling van het plan "2e bestuurlijke lus Buitengebied Oirschot" gegrond;

III. vernietigt het besluit van 18 juni 2013 tot vaststelling van het plan "Buitengebied Fase II" en het besluit van 16 december 2014 tot vaststelling van het plan "2e bestuurlijke lus Buitengebied Oirschot"

- voor zover daarbij aan het perceel [locatie 1] de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" is toegekend;

- voor zover daarbij is bepaald dat het perceel [locatie 1] deel is komen uit te maken van het perceel [locatie 2], en - voor zover aan het aldus vergrote bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 2]/[locatie 1] tevens de maatvoeringsaanduiding "Maximaal aantal wooneenheden=2" is toegekend;

IV. verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellant sub 2] de door hem in verband met de behandeling van zijn verzoek om herziening opgekomen proceskosten ten bedrage van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro) vergoedt;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Oirschot tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Oirschot aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, griffier.

w.g. Hagen

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2015

240.