Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2796

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-08-2015
Datum publicatie
02-09-2015
Zaaknummer
201309322/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juli 2013 heeft het college besloten de raad van de gemeente Oirschot een reactieve aanwijzing te geven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) met betrekking tot het door de raad bij besluit van 18 juni 2013 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Fase II 2013".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309322/1/R3.

Datum uitspraak: 28 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend te [woonplaats],

2. de raad van de gemeente Oirschot,

3. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2013 heeft het college besloten de raad van de gemeente Oirschot een reactieve aanwijzing te geven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) met betrekking tot het door de raad bij besluit van 18 juni 2013 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Fase II 2013".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], de raad en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2] en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna samen en in enkelvoud: [belanghebbende A]) en [belanghebbende C], belanghebbenden, hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 april 2015, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. S. Rotman en M. Stoffels, beiden werkzaam bij de gemeente, [appellant sub 2], bijgestaan door drs. H.P.W. Havens, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.N.J. van der Stappen, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A] en [belanghebbende C], bijgestaan door mr. J. Schoneveld, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij het bestreden besluit van 23 juli 2013 heeft het college een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot onderdelen van het bestemmingsplan "Buitengebied Fase II 2013" van 18 juni 2013 (hierna: plan Fase II), ertoe strekkende dat dat plan in zoverre niet in werking treedt.

Op 1 oktober 2013 heeft het college tevens beroep ingesteld tegen het plan Fase II.

2. Bij besluit van 16 december 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied fase II 2013, 2e bestuurlijke lus" (hierna: het plan) vastgesteld. Het plan voorziet, evenals het plan Fase II, in een planologische regeling voor het buitengebied van de gemeente Oirschot.

Op 27 februari 2015 heeft het college tegen het plan beroep ingesteld met betrekking tot - voor zover hier van belang - alle planonderdelen waarop de reactieve aanwijzing voor het plan Fase II zag. Het college heeft voor de motivering van zijn beroep tegen het plan verwezen naar zijn motivering van de reactieve aanwijzing voor het plan Fase II.

3. In de uitspraak van heden, in zaak nr. 201308141/1/R3, overweegt de Afdeling dat plan Fase II bij het plan van 16 december 2014 moet worden geacht in zijn geheel opnieuw, gewijzigd te zijn vastgesteld. De Afdeling verklaart daarbij het beroep van het college tegen het plan gegrond, vernietigt het besluit van de raad tot vaststelling van het plan in zoverre en draagt de raad op om de desbetreffende onderdelen van de uitspraak in het elektronisch vastgestelde plan te verwerken. In de uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat, nu wat genoemde planonderdelen betreft niet wordt teruggevallen op plan Fase II en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang van het college bij beoordeling van plan Fase II, zijn beroep tegen het besluit tot vaststelling van plan Fase II niet-ontvankelijk is.

3.1. De Afdeling overweegt dat hetzelfde geldt voor de beroepen die zijn ingesteld tegen het aanwijzingsbesluit van het college van 23 juli 2013. Niet is gebleken dat bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], de raad, of [appellant sub 2] nog belang bestaat bij beoordeling van de vraag of en in hoeverre het college destijds terecht is overgegaan tot het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot het plan Fase II, nu het daarop volgende plan van 16 december 2014 bij de uitspraak van heden in zaak nr. 201308141/1/R3 onherroepelijk is geworden en het besluit tot vaststelling van het plan Fase II geen betekenis meer heeft. De Afdeling overweegt daarbij dat de standpunten die [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], de raad en [appellant sub 2] in het kader van de procedure over de reactieve aanwijzing naar voren hebben gebracht, ten betoge dat het plan Fase II op de door hen genoemde onderdelen juist was en derhalve in werking had moeten treden, zijn meegewogen bij het oordeel van de Afdeling op het beroep van het college tegen het - op de desbetreffende onderdelen met het plan Fase II overeenstemmende - plan. Ook de standpunten van [belanghebbende A] en [belanghebbende C] zijn in de uitspraak van heden in zaak nr. 201308141/1/R3 aan de orde geweest. Kortheidshalve wordt ter zake naar die uitspraak verwezen.

3.2. Gelet op het voorgaande worden de beroepen tegen het reactieve aanwijzingsbesluit van het college van 23 juli 2013 niet-ontvankelijk verklaard.

4. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, griffier.

w.g. Hagen w.g. Zijlstra

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2015

240.