Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:279

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-02-2015
Datum publicatie
04-02-2015
Zaaknummer
201401123/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2013:7373, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 maart 2013 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Geologistiek B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk opslaan van verspreidbare baggerspecie op de percelen Eem-weiland (O110 en 111) te Baarn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Besluit bodemkwaliteit
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6594
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6599
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6598
JBO 2015/97 met annotatie van D. van der Meijden
JM 2015/32 met annotatie van Y. Flietstra
JOM 2015/228
JBO 2015/114
OGR-Updates.nl 2015-0042
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401123/1/A1.

Datum uitspraak: 4 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Behoud de Eemvallei, gevestigd te Baarn,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 december 2013 in zaken nrs. 13/5039, 13/5042 en 13/5813 in het geding tussen:

de stichting

en

het college van burgemeester en wethouders van Baarn.

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2013 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Geologistiek B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk opslaan van verspreidbare baggerspecie op de percelen Eem-weiland (O110 en 111) te Baarn.

Bij besluit van 15 maart 2013 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen de tijdelijke opslag van bagger op de percelen.

Bij onderscheiden besluiten van 30 september 2013 heeft het college het door de stichting tegen de besluiten van 1 maart 2013 en 15 maart 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en die besluiten gehandhaafd.

Bij besluit van 15 oktober 2013 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen de aanleg van een baggerdepot en het in depot brengen van bagger op de percelen.

Bij uitspraak van 19 december 2013 heeft de rechtbank het door de stichting tegen de onderscheiden besluiten van 30 september 2013 en het besluit van 15 oktober 2013 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Geologistiek een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2014, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. J.M. Neefe, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door P. Janse, J.J. Duijst, R.C. den Hartog en H. van Ravenswaaij, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Geologistiek, vertegenwoordigd door W.J. Kuyper, bijgestaan door mr. F.P. van Galen, advocaat te Leiden, gehoord.

Overwegingen

1. De aanvraag om omgevingsvergunning ziet op de aanleg van een weilanddepot op de percelen in de Eempolder om daarin tijdelijk baggerspecie te kunnen opslaan. De baggerspecie wordt uit de rivier de Eem gehaald en via een persleiding naar het depot gebracht, waarna een deel van de baggerspecie zal worden opgeslagen. Het weilanddepot wordt opgericht door het ontgraven van de huidige toplaag tot aan 0,3 m en het maken van een grondwal van ongeveer 1 m hoog, waarbij sloten worden gedempt. In de aanvraag is vermeld dat de grondwallen na voldoende indroging worden geëgaliseerd, waarmee de baggerspecie over de percelen wordt verspreid en ingezaaid. Door dit proces worden de percelen met ongeveer 0,3 m opgehoogd. In het bij de aanvraag behorende "Werkplan baggerwerk afzet "De Eem"" van 4 februari 2013 is vermeld dat het de bedoeling is dat het weilanddepot slechts tijdelijk in gebruik is.

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied" hebben de betrokken percelen de bestemming "Agrarisch met landschappelijke en natuurlijke waarden".

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Agrarisch met landschappelijke en natuurlijke waarden" aangegeven gronden bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en natuurlijke waarden, alsmede openheid, uitsluitend voor zover de gronden op de plankaart nader met 'openheid' zijn aangeduid.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van het college op en in gronden met de bestemming "Agrarisch met landschappelijke en natuurlijke waarden" de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: (..)

i. het aanleggen van waterlopen en het vergraven, verruimen en dempen van bestaande waterlopen;

j. het verlagen van de bodem en afgraven van gronden, tenzij daarvoor een vergunning krachtens de Ontgrondingenwet is vereist, en het egaliseren van gronden; (..)

l. het dempen van sloten en andere watergangen.

Ingevolge het tweede lid mag een aanlegvergunning als bedoeld in het eerste lid alleen worden verleend indien door de uitvoering van het andere werk dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.

Ingevolge het vierde lid wordt bij de afweging als bedoeld in het tweede lid in ieder geval betrokken de bestemmingsomschrijving van de ter plaatse geldende bestemming.

Ingevolge artikel 2.1, aanhef en eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk;

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald;

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet; (..).

Ingevolge artikel 2.11, eerste lid, wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, waaromtrent regels zijn gesteld in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, geweigerd indien het werk of de werkzaamheid daarmee in strijd is of in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

Ingevolge artikel 2, van de bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) behorende bijlage II is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de wet niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op: (..)

18. een bouwwerk ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening, voor zover het betreft: (..)

c. bovenleidingen met de bijbehorende draagconstructies of seinpalen,

d. ondergrondse buis- en leidingstelsels, met uitzondering van een buisleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit externe veiligheid buisleidingen, (..),

20. een bouwkeet, bouwbord, steiger, heistelling, hijskraan, damwand of andere hulpconstructie die functioneel is voor een bouw-, onderhouds- of sloopactiviteit, een tijdelijke werkzaamheid in de grond-, weg- of waterbouw of een tijdelijke werkzaamheid op land waarop het Besluit algemene regels milieu mijnbouw van toepassing is, mits geplaatst op of in de onmiddellijke nabijheid van het terrein waarop die activiteit of werkzaamheid wordt uitgevoerd, (.).

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder 7, zoals dat met ingang van 1 november 2014 luidt, is een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op een buisleiding waarop artikel 2, onderdeel 18, niet van toepassing is.

Het besluit van 1 maart 2013

3. De stichting betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte een omgevingsvergunning heeft verleend, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo. Daartoe voert zij aan dat het totale project meer omvattend is en dat zowel het leggen van de persleiding die deels via een constructie over de openbare weg loopt, als het oprichten van een aarden wal van 1 m hoog in strijd is met de ter plaatse geldende bestemming en dat daarvoor ten onrechte geen vergunning is verleend met betrekking tot de activiteiten bouwen en planologisch strijdig gebruik.

3.1. De werkzaamheden waarvoor blijkens het aanvraagformulier en de bijbehorende gewaarmerkte stukken een vergunning is gevraagd, zien op het dempen van sloten en waterlopen, het afgraven en ophogen van gronden, het oprichten van een aarden wal met een hoogte van 1 m en het plaatsen van een persleiding met bijbehorende constructie voor het vervoeren van baggerspecie naar het weilanddepot.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat alleen voor het afgraven van gronden en het dempen van sloten en waterlopen een omgevingsvergunning is vereist met betrekking tot de activiteit aanleggen. Zij heeft in het aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat die activiteiten in strijd zijn met de bestemming van de percelen en dat met die werkzaamheden blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het in het bestemmingsplan nagestreefde behoud van landschappelijke en natuurlijke waarden, waaronder openheid. De rechtbank heeft eveneens met juistheid overwogen dat voor het afgraven en ophogen van gronden, het plaatsen van een persleiding met bijbehorende constructie en het oprichten van een aarden wal van 1 m hoog geen vergunning is vereist ten aanzien van de activiteit aanleggen, nu die activiteiten niet zijn vermeld in artikel 22, eerste lid, van de planvoorschriften. Derhalve kunnen die werkzaamheden niet leiden tot het oordeel dat geen vergunning voor de activiteit aanleggen mocht worden verleend.

3.2. Anders dan de stichting betoogt, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college voor het aanbrengen van de aarden wal vergunning had moeten verlenen met betrekking tot de activiteit bouwen. Daartoe wordt overwogen dat de aarden wal niet als bouwwerk kan worden aangemerkt. Dat in de wal een leiding is voorzien, maakt niet dat de wal moet worden aangemerkt als een constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren. Voor zover de stichting betoogt dat voor die leiding een vergunning is vereist, heeft zij geen belang bij een bespreking van dat betoog. Die leiding moet, gelet op het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder 7, van de bij het Bor behorende bijlage II, met ingang van 1 november 2014 vergunningvrij ten aanzien van het bouwen worden geacht. De stichting betoogt voorts tevergeefs dat het oprichten van de wal leidt tot planologisch strijdig gebruik en dat het college daarvoor vergunning had moeten verlenen. De rechtbank heeft in dat verband terecht overwogen dat, gelet op de tijdelijke aanleg van de wal, het landschappelijk beeld en het open karakter niet wordt verstoord. Daarbij wordt voorts de ter zitting van de Afdeling door het college gegeven toelichting betrokken dat de ophoging van de percelen geschiedt in het kader van het behoud van (landbouw)grond.

De rechtbank heeft voorts terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college voor het aanbrengen van de persleiding met bijbehorende constructie vergunning had moeten verlenen met betrekking tot de activiteiten bouwen en planologisch strijdig gebruik. Voor de constructie om de persleiding over de weg te leiden is, gelet op het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder 20, van de bij het Bor behorende bijlage II, geen vergunning vereist ten aanzien van bouwen en planologisch strijdig gebruik omdat die constructie kan worden aangemerkt als een hulpconstructie als in vorenbedoeld artikel. In het betoog van de stichting worden geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de constructie niet is voorzien in de onmiddellijke nabijheid van het terrein waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd. Ten aanzien van de persleiding overweegt de Afdeling dat de stichting geen belang meer heeft bij een oordeel over de vraag of daarvoor vergunning is vereist ten aanzien van het bouwen, nu de persleiding gelet op het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder 7, van de bij het Bor behorende bijlage II met ingang van 1 november 2014 vergunningvrij moet worden geacht. De stichting heeft ter zitting van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de persleiding niet aan de in artikel 3 van de bij het Bor behorende bijlage II genoemde omschrijving voldoet. De Afdeling ziet voorts, gelet op de functie van de persleiding, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het aanbrengen daarvan leidt tot planologisch strijdig gebruik.

3.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor vernietiging van het besluit van 30 september 2013, voor zover dat betrekking heeft op het tegen het besluit van 1 maart 2013 gemaakte bezwaar.

Het betoog faalt.

Het besluit van 15 maart 2013

4. Het betoog van de stichting dat de rechtbank niet heeft onderkend dat op de percelen werkzaamheden zonder de benodigde omgevingsvergunning worden uitgevoerd, zodat het college was gehouden tot handhavend optreden over te gaan, behoeft, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.1-3.3 is overwogen, geen bespreking meer.

Het besluit van 15 oktober 2013

5. De stichting betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college was gehouden tot handhavend optreden over te gaan vanwege strijd met het Besluit bodemkwaliteit (hierna: het Bbk) vanwege de slechte kwaliteit van de op de percelen te verspreiden baggerspecie. Daartoe voert zij aan dat die verspreiding niet is toegestaan omdat geen verspreiding over zogeheten aangrenzende percelen plaatsvindt. Het weilanddepot bevindt zich op een afstand van 800 m tot 1000 m van de Eem en is daarvan afgescheiden door verschillende percelen, een weg, bebouwing en een wetering. Het is daarom niet gelegen op een aan de watergang grenzend perceel als bedoeld in het Bbk, aldus de stichting. In dat verband wijst zij op de toelichting op het Bbk en verwijst zij naar de parlementaire geschiedenis van artikel 11 de Waterstaatswet 1900.

5.1. Ingevolge artikel 1 van het Bbk wordt onder "toepassen van grond of baggerspecie" verstaan: het aanbrengen, verspreiden of tijdelijk opslaan van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35, het houden van de aangebrachte of tijdelijk opgeslagen grond of baggerspecie in die toepassing, alsmede het laten verrichten daarvan.

Ingevolge artikel 4, derde lid, aanhef en onder b, heeft het college tot taak zorg te dragen voor de handhaving van de bij of krachtens dit besluit gestelde verplichtingen, voorzover zij betrekking hebben op het toepassen van grond of baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, als bedoeld in artikel 35.

Ingevolge artikel 35 is dit hoofdstuk van toepassing op de volgende handelingen: (..)

b. toepassing van grond of baggerspecie op of in de bodem, met uitzondering van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, in ophogingen van industrieterreinen, woningbouwlocaties en landbouw- en natuurgronden, met het oog op het verbeteren van de bodemgesteldheid; (..)

f. verspreiding van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen, met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de watergang grenzende percelen; (..)

h. tijdelijke opslag van grond of baggerspecie, bestemd voor de toepassingen, bedoeld in onderdeel a tot en met e gedurende maximaal drie jaar op of in de bodem, met uitzondering van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, of gedurende maximaal tien jaar in een oppervlaktewaterlichaam;

i. tijdelijke opslag van baggerspecie, bestemd voor één van de toepassingen, bedoeld in onderdeel a tot en met f, gedurende maximaal drie jaar op percelen gelegen naast de watergang waaruit de baggerspecie afkomstig is.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, is het verboden om grond of baggerspecie toe te passen in strijd met de artikelen 5, eerste lid, 7, 38, 42, 44, 45, 46, 52, 59, 60, 63 en 64 van dit besluit.

Ingevolge artikel 60, eerste lid, overschrijdt, bij het toepassen van baggerspecie, bedoeld in artikel 35, onder f, g en i, de kwaliteit van de baggerspecie de daarvoor bij regeling van Onze Ministers vastgestelde maximale waarden niet.

Ingevolge het tweede lid, worden voor toepassing van het eerste lid erven en gronden die door een weg, voetpad of andere constructie of door een te smalle grondstrook om de baggerspecie te ontvangen van de watergang gescheiden zijn, als aan de watergang grenzend perceel aangemerkt.

Ingevolge artikel 4.11.1, eerste lid, van de Regeling bodemkwaliteit bevatten de tabellen 1 en 2 van bijlage B de maximale waarden voor:

a. het verspreiden van baggerspecie over het aangrenzende perceel, (..)

d. het tijdelijk opslaan van baggerspecie op percelen gelegen naast de watergang waaruit de baggerspecie afkomstig is.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Waterstaatswet 1900, zoals dat artikel luidde tot 22 december 2009, kan bij verordening worden bepaald, dat op erven en gronden, gelegen aan een watergang, waarvan het onderhoud geschiedt door of onder toezicht van het openbaar gezag, de specie moet worden ontvangen, welke, tot behoorlijk onderhoud voor de af- of aanvoer van water, uit den watergang wordt verwijderd.

Ingevolge het tweede lid moet, behoudens aanspraak op schadevergoeding, op erven en gronden, gelegen aan een watergang, welke door of onder toezicht van het openbaar gezag voor de af- of aanvoer van water wordt verbeterd of met toepassing van art. 12 wordt aangelegd, de specie worden ontvangen, welke te dien einde wordt verwijderd.

Ingevolge het derde lid worden erven en gronden, gescheiden van den watergang door een weg, voetpad of ander werk of door een grondstrook te gering van breedte om de specie te ontvangen, als aan den watergang gelegen aangemerkt.

5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de gehele partij baggerspecie die zal worden opgeslagen niet volgens het generieke kader op landbodem mag worden toegepast maar dat verspreiding van de baggerspecie is toegestaan over "aan de watergang grenzende percelen", als bedoeld in artikel 35 van het Bbk. In geding is uitsluitend de vraag of in dit geval verspreiding van baggerspecie plaatsvindt over "aan de watergang grenzende percelen" en of het college tot handhavend optreden had moeten overgaan.

5.3. Het college heeft zich in het besluit van 15 oktober 2013 op het standpunt gesteld dat sprake is van een "aangrenzend perceel" omdat de percelen zijn gelegen aan watergangen die in meer of mindere mate in direct verband staan met de Eem, onder meer vanwege hetzelfde stroomgebied, enkel afgescheiden door weg, dijk en bebouwing. Voorts heeft het college zich op het standpunt gesteld dat voldoende vast staat dat de kwaliteit van de baggerspecie geen ecologische risico's oplevert en dat wordt voldaan aan het in het Bbk neergelegde beginsel van de cyclische handeling en hoogwaardig hergebruik van baggerspecie binnen een gebied. Het college heeft voorts in aanmerking genomen de nota van toelichting bij het Bbk (Stb. 2007, 469) waarin is vermeld dat de wetgever het begrip "aan de watergang grenzende percelen" heeft verruimd om belemmeringen weg te nemen voor het nuttig toepassen van onderhoudsbaggerspecie. Gelet op de intentie van de wetgever om belemmeringen voor hergebruik van baggerspecie weg te nemen, stelt het college zich op het standpunt dat "in verbinding staan" voldoende is om uit te gaan van aangrenzendheid.

5.4. Vast staat dat de begrippen "aangrenzende percelen" en "percelen gelegen naast de watergang", als bedoeld in artikel 35 van het Bbk, in het Bbk noch in de Regeling bodembesluit zijn gedefinieerd. In paragraaf 4.8.1 van de nota van toelichting bij het Bbk is vermeld dat de huidige praktijk bij de verspreiding van baggerspecie is verruimd van een 20 meter grens die voorheen gold, naar de begrenzing uit de Waterstaatswet 1900. In de artikelgewijze toelichting is onder artikel 35, onderdeel f, vermeld dat het verspreiden van baggerspecie over aan de watergang grenzende percelen een eeuwenoude vorm is van actief bodembeheer, waarbij het in hoofdzaak gaat om materiaal dat door afspoeling van naastliggende gronden in de desbetreffende watergang terecht is gekomen en hierop weer wordt teruggebracht. In de toelichting onder i is vermeld dat het voorkomt dat baggerspecie uit een watergang tijdelijk wordt opgeslagen op één van de naastliggende percelen in (weiland)depots, hetgeen plaatsvindt conform de toetsingsregels voor het verspreiden van baggerspecie.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college bij de invulling van het begrip "aan de watergang grenzende percelen" heeft kunnen betrekken dat uit de nota van toelichting bij het Bbk volgt dat met het vervallen van de 20 meter grens is beoogd de eisen te vereenvoudigen om baggerspecie eenvoudiger en vaker nuttig te kunnen toepassen. In het Bbk, alsmede in van artikel 11 van de Waterstaatswet 1900, wordt steun gevonden voor de opvatting dat een weg of een perceel tussen de watergang en het ontvangende perceel niet maakt dat niet meer van "aan de watergang grenzende percelen" kan worden gesproken.

De rechtbank heeft uiteindelijk doorslaggevend geacht of er, gelet op alle feitelijke omstandigheden, een voldoende rechtstreekse relatie bestaat tussen de watergang en de percelen waarover de baggerspecie uit die watergang wordt verspreid. Daarbij heeft zij betrokken dat het hier gaat om een poldergebied met percelen van soms 1 km of langer, waar watergangen en sloten doorheen lopen die allemaal afwateren op de Eem. De Afdeling is evenwel van oordeel dat in dit geval, onder meer gelet op de afstand van het weilanddepot tot aan de watergang, niet meer kan worden gesproken van "aan de watergang grenzende percelen". In het Bbk wordt geen steun gevonden voor de opvatting dat de aanwezigheid van een voldoende rechtstreekse relatie tussen de watergang en de percelen waarover de baggerspecie uit die watergang wordt verspreid, onder meer vanwege het spoelgebied, maakt dat sprake is van "aan de watergang grenzende percelen", dan wel dat "in verbinding staan" voldoende is om uit te gaan van de hiervoor bedoelde aangrenzendheid. Gelet daarop ziet de Afdeling aanleiding om de aangevallen uitspraak in zoverre te vernietigen en het besluit van 15 oktober 2013 te vernietigen. Het college dient in een nieuw te nemen besluit te onderzoeken in hoeverre overige nuttige toepassingen als bedoeld in artikel 35, aanhef en onder h, van het Bbk aan de orde zijn en voorts of het gelet daarop bevoegd is over te gaan tot handhavend optreden.

Het betoog slaagt.

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van het college van 15 oktober 2013 ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 15 oktober 2013 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 december 2013 in zaken nrs. 13/5039, 13/5042 en 13/5813, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Baarn van 15 oktober 2013 ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Baarn van 15 oktober 2013 ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Baarn van 15 oktober 2013, kenmerk FO/JDS/13.10316;

V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Baarn op om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen;

VI. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Baarn tot vergoeding van bij de stichting Stichting Behoud de Eemvallei in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.960,00 (zegge: negentienhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Baarn aan de stichting Stichting Behoud de Eemvallei het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 796,00 (zegge: zevenhonderdzesennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Wijgerde

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2015

672.