Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2770

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2015
Datum publicatie
02-09-2015
Zaaknummer
201503086/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 februari 2015 heeft het college zijn beslissing om op 3 februari 2015 wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen spoedeisende bestuursdwang toe te passen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellant] komt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2015/555
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503086/1/A4.

Datum uitspraak: 2 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Den Haag,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2015 heeft het college zijn beslissing om op 3 februari 2015 wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen spoedeisende bestuursdwang toe te passen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellant] komt.

Bij besluit van 9 maart 2015 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 augustus 2015, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door H. Rosema, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

Ingevolge artikel 5:31, eerste lid, kan een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last.

Ingevolge het tweede lid kan, indien de situatie zo spoedeisend is dat een besluit niet kan worden afgewacht, terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening kan het college aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, is het de gebruiker van een perceel, voor wie een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot.

2. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 3 februari 2015 naast een aangewezen inzamelvoorziening in de Statenlaan ter hoogte van nummer 51 is aangetroffen. Het college stelt zich op het standpunt dat de doos van [appellant] afkomstig is, nu daarin een poststuk met daarop zijn naam- en adresgegevens is aangetroffen, en dat hij degene is geweest die de doos, door deze naast de inzamelvoorziening te plaatsen, in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening ter inzameling heeft aangeboden.

3. [appellant] betoogt dat ter zake van de door het college gestelde overtreding van de Afvalstoffenverordening alleen strafrechtelijk moet kunnen worden opgetreden teneinde een objectieve rechtsgang te waarborgen. Als het college al de bevoegdheid heeft om ter zake van de gestelde overtreding handhavend op te treden, hetgeen hij bestrijdt, dan dient zijn beslissing om daarvan gebruik te maken slechts de financiële belangen van de gemeente. Handhavend optreden levert daarom misbruik van bevoegdheid op, aldus [appellant].

3.1. De Afvalstoffenverordening is krachtens artikel 10.23 van de Wet milieubeheer door de raad van de gemeente Den Haag vastgesteld. In artikel 18.2d, eerste lid, aanhef en onder a, van die wet is bepaald dat burgemeester en wethouders tot taak hebben zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de verplichtingen gesteld bij of krachtens deze verordening. Derhalve kon ter zake van de overtreding van de Afvalstoffenverordening door het college bestuursrechtelijk worden gehandhaafd. Indien bestuursdwang wordt toegepast, kunnen de kosten daarvan ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Awb op de overtreder worden verhaald. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het besluit tot toepassing van bestuursdwang misbruik van bevoegdheid oplevert.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat de bezwaarprocedure geen objectieve rechtsgang is, nu het college daarbij oordeelt over een door hemzelf genomen besluit. Daarnaast zijn volgens [appellant] de ambtenaren die hem over zijn bezwaar hebben gehoord tijdens de hoorzitting onvoldoende op zijn bezwaren ingegaan. Voorts twijfelt hij aan hun deskundigheid, ervaring en onafhankelijkheid.

4.1. Uit artikel 8:1 van de Awb gelezen in verbinding met artikel 7:1, eerste lid, volgt dat een belanghebbende, alvorens beroep in te stellen bij de bestuursrechter, bezwaar dient te maken bij het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen. Aldus is maken van bezwaar wettelijk voorgeschreven. Daarmee wordt het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen in de gelegenheid gesteld dat te heroverwegen, waartoe het ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb is verplicht.

In artikel 7:2, eerste lid, is bepaald dat een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid stelt om te worden gehoord. Artikel 7:5, eerste lid, bepaalt dat het horen geschiedt door een persoon of een meerderheid van personen die niet bij voorbereiding van het bestreden besluit betrokken zijn geweest. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen grond om aan te nemen dat [appellant] niet overeenkomstig de wettelijke regels is gehoord.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat hij niet degene is geweest die de doos naast de inzamelvoorziening heeft geplaatst en de doos aldus in strijd met de Afvalstoffenverordening heeft aangeboden. Dat in de doos een aan hem gericht poststuk is aangetroffen, is volgens [appellant] onvoldoende om te kunnen concluderen dat hij de overtreder is. Verder voert hij aan dat de inzamelvoorzieningen in de wijk regelmatig vol zijn en dat deze niet tijdig worden geleegd. Dat oud papier en karton niet naast een inzamelvoorziening mogen worden geplaatst, is door de gemeente niet kenbaar gemaakt, aldus [appellant].

5.1. Ingevolge artikel 5:1, tweede lid, van de Awb wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 16 april 2014 in zaak nr. 201308225/1/A4 en 13 mei 2015 in zaak nr. 201408695/1/A4) zal in de regel mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding om van deze rechtspraak terug te komen.

5.2. Vast staat dat op 3 februari 2015 in de Statenlaan ter hoogte van nummer 51 een doos is aangetroffen en dat deze doos, nu deze naast de daar gesitueerde inzamelvoorziening was geplaatst, in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening ter inzameling was aangeboden. Nu in de doos een poststuk met daarop de naam- en adresgegevens van [appellant] is aangetroffen, is de doos tot hem herleidbaar. Gelet op hetgeen onder 5.1 is overwogen, betekent dit dat het college mag aannemen dat [appellant] de overtreder is, tenzij hij aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die de huisvuilzak verkeerd heeft aangeboden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] geen argumenten aangevoerd die aannemelijk maken dat hij niet degene is geweest die deze naast de inzamelvoorziening heeft geplaatst. De enkele gestelde omstandigheid dat de inzamelvoorzieningen in de wijk regelmatig vol zijn, doet niet af aan de verplichting om een doos op juiste wijze aan te bieden. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat het college [appellant] ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt.

Het betoog faalt.

6. [appellant] heeft voorts gronden naar voren gebracht tegen de beslissing van het college om ter zake van de overtreding spoedeisende bestuursdwang toe te passen. [appellant] bestrijdt vooral de door het college gehanteerde Beleidsregel handhaving verkeerd aangeboden huisvuil 2003. Volgens hem heeft het college daarmee zichzelf ten onrechte de bevoegdheid toegekend om spoedeisende bestuursdwang toe te passen.

6.1. Anders dan [appellant] stelt, kent de Beleidsregel handhaving verkeerd aangeboden huisvuil 2003 aan het college niet de bevoegdheid toe om ter zake van de overtreding van de Afvalstoffenverordening handhavend op te treden. Het college ontleent deze bevoegdheid aan artikel 18.2d, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer. Artikel 5:31, tweede lid, van de Awb biedt de bevoegdheid om in spoedeisende gevallen met toepassing van spoedeisende bestuursdwang handhavend op te treden. In de beleidsregel heeft het college slechts gemotiveerd waarom verkeerd ter inzameling aangeboden huisvuil onmiddellijk moet worden verwijderd. Volgens het college zorgt verkeerd aangeboden huisvuil voor overlast en verloedering en heeft dat een vuilaantrekkende werking. Vanwege deze negatieve gevolgen was er volgens het college een spoedeisend belang bij de onmiddellijke verwijdering. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich terecht op dit standpunt gesteld (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2014 in zaak nr. 201306787/1/A4). Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, biedt derhalve geen grond voor het oordeel dat het college ten onrechte spoedeisende bestuursdwang heeft toegepast.

Het betoog faalt

7. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte een bedrag van € 126,00 bij hem in rekening heeft gebracht. Hij bestrijdt dat het college daartoe bevoegd was. Voorts is de door het college gegeven onderbouwing van deze kosten volgens [appellant] ondeugdelijk.

7.1. In artikel 5:25 van de Awb is bepaald dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder geschiedt. Het college ontleent aan deze bepaling de bevoegdheid om de kosten van de toepassing van bestuursdwang geheel of gedeeltelijk te verhalen. In het besluit van 9 februari 2015 staat dat de kosten voor het verwijderen, onderzoeken en afvoeren van de doos en de administratieve kosten in totaal € 194,00 bedragen, waarvan bij een eerste overtreding € 126,00 in rekening wordt gebracht. Bij het besluit op bezwaar heeft het college een gespecificeerde kostenberekening gevoegd. Daaruit blijkt dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang niet alleen bestaan uit de kosten voor het feitelijk verwijderen van de verkeerd ter inzameling aangeboden doos, maar ook uit het arbeidsloon van de gemeentelijke toezichthouder, onder meer voor het opstellen van een rapportage, en het arbeidsloon van de backoffice, afgezet tegen het aantal daaraan bestede minuten. [appellant] heeft niet met concrete argumenten aannemelijk gemaakt dat de handelingen die op de door het college overgelegde kostenberekening zijn vermeld niet zijn verricht en dat de daarop vermelde bedragen hoger zijn dan de daadwerkelijk gemaakte kosten. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, geeft derhalve geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen bepalen dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang ter hoogte van € 126,00 voor zijn rekening komt.

Het betoog faalt.

8. Voor zover [appellant] tot slot heeft aangevoerd het onjuist te vinden dat het beroep niet eerst door de rechtbank is behandeld, merkt de Afdeling op dat in artikel 8:6 van de Awb gelezen in verbinding met artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb is bepaald dat de Afdeling in eerste en enige aanleg bevoegd is op een beroep tegen een besluit als hier aan de orde te beslissen.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling of voor het toekennen van een schadevergoeding zoals [appellant] heeft verzocht, bestaat, reeds nu het beroep ongegrond is, geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.

w.g. Sorgdrager w.g. Van der Maesen de Sombreff

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2015

190-732.