Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2769

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2015
Datum publicatie
02-09-2015
Zaaknummer
201503152/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 februari 2015 heeft het college zijn beslissing om op 18 februari 2015 wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen spoedeisende bestuursdwang toe te passen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellante] komt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7116
JOM 2015/925
JAF 2015/542 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503152/1/A4.

Datum uitspraak: 2 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2015 heeft het college zijn beslissing om op 18 februari 2015 wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen spoedeisende bestuursdwang toe te passen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellante] komt.

Bij besluit van 27 maart 2015 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 augustus 2015, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door H. Rosema, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening kan het college aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, is het de gebruiker van een perceel, voor wie een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot.

2. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een blauwe huisvuilzak die op 18 februari 2015 naast een ondergrondse restafvalcontainer (hierna: ORAC) op de Loosduinsekade ter hoogte van nummer 171 is aangetroffen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de huisvuilzak van [appellante] afkomstig is, nu daarin een adresdrager met haar naam- en adresgegevens is aangetroffen, en dat zij degene is die de huisvuilzak, door deze naast de ORAC te plaatsen, in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening ter inzameling heeft aangeboden.

3. [appellante] betoogt dat het college haar ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Zij bestrijdt dat zij degene is geweest die de huisvuilzak verkeerd ter inzameling heeft aangeboden. In dat verband heeft [appellante] onder meer aangevoerd dat zij de herkomst van de aangetroffen adresdrager niet kent, maar vermoedt dat deze op een poststuk heeft gezeten en dat dit poststuk verkeerd is bezorgd.

3.1. Ingevolge artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

In de regel zal mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

3.2. Vast staat dat op 18 februari 2015 op de Loosduinsekade ter hoogte van nummer 171 een blauwe huisvuilzak is aangetroffen die in strijd met de Afvalstoffenverordening ter inzameling was aangeboden. Nu in de huisvuilzak de naam- en adresgegevens van [appellante] zijn aangetroffen, is de huisvuilzak tot haar herleidbaar. Dit betekent dat het college mag aannemen dat zij de overtreder is, tenzij [appellante] aannemelijk maakt dat zij niet degene is geweest die de huisvuilzak verkeerd ter inzameling heeft aangeboden.

3.3. Op de foto bij de "Rapportage Afval onjuist aangeboden huisvuil - niet heterdaad" van 18 februari 2015 is alleen een adresdrager met de adres- en naam gegevens van [appellante] te zien. Aldus is niet duidelijk of deze adresdrager bij een poststuk behoort, en zo ja, wat de aard van het poststuk is. De Afdeling acht aannemelijk dat het hierdoor voor [appellante] onmogelijk is om na te gaan wat de herkomst van het aangetroffen stuk of de aangetroffen stukken is en hoe dit (deze) op de bewuste locatie terecht is (zijn) gekomen. In aanmerking genomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, aannemelijk moet maken dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden, is het van belang dat het college de betrokken persoon duidelijkheid verschaft over de aard van de aangetroffen stukken. Door te volstaan met het overleggen van een foto van de adresdrager heeft het college dat in dit geval niet gedaan met als gevolg dat [appellante] in haar verweermogelijkheden is geschaad. Het besluit op bezwaar is dan ook niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2015 in zaak nr. 201408589/1/A4).

Het betoog slaagt.

4. Het beroep is gegrond. Het besluit van 27 maart 2015 dient te worden vernietigd. Dit betekent dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Voor zover het college voornemens is het besluit van 24 februari 2015 te handhaven, dient het college [appellante] voor het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar duidelijkheid te verschaffen over de aard van de aangetroffen stukken, zodat zij alsnog de gelegenheid krijgt om zich te verweren.

5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 27 maart 2015, kenmerk B.4.15.0774.001;

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 45,00 (zegge: vijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.

w.g. Sorgdrager w.g. Van der Maesen de Sombreff

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2015

190-732.