Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2765

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2015
Datum publicatie
02-09-2015
Zaaknummer
201501411/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie A] Loenen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501411/1/R2.

Datum uitspraak: 2 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Loenen, gemeente Apeldoorn,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Apeldoorn,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie A] Loenen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2015, waar [appellant] en anderen, in de personen van [appellant] en [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.W. van der Linde, advocaat te Ede, en de raad, vertegenwoordigd door T.H. van Essen en M. Voortman, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij] als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet, voor zover thans van belang, in de verwezenlijking van een vrijstaande woning op het perceel [locatie B] te Loenen (hierna: het perceel).

3. [appellant] en anderen betogen dat de raad aan een deel van de gronden ten onrechte de bestemming "Wonen" heeft toegekend. In dit verband voeren zij aan dat de raad er bij de vaststelling van het plan ten onrechte van is uitgegaan dat het plangebied niet in een Natura 2000-gebied ligt. Zij wijzen erop dat het zuidelijke deel van het plangebied deel uitmaakt van Natura 2000-gebied "Veluwe" en van de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: de EHS). Volgens [appellant] en anderen is niet inzichtelijk gemaakt of activiteiten plaatsvinden binnen de EHS en heeft ook geen effectbeoordeling plaatsgevonden.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in de plantoelichting duidelijk is weergegeven dat een deel van het plangebied in het Natura 2000-gebied "Veluwe" en de EHS ligt. Voorts is in de plantoelichting gemotiveerd dat en waarom het plan geen significante gevolgen voor voormeld Natura 2000-gebied zal hebben, aldus de raad.

3.2. In de plantoelichting staat dat het plangebied gedeeltelijk in het Natura 2000-gebied "Veluwe" en de EHS ligt. Voorts staat daarin dat de ten opzichte van het vorige bestemmingplan voorziene planologische wijzigingen eruit bestaan dat de voormalige bedrijfsbestemming deels wordt omgezet in een woonbestemming en deels in een natuurbestemming. Aan de gronden van het plangebied die liggen in het voormelde Natura 2000-gebied en de EHS is in het plan, net als onder het voorgaande bestemmingplan, de bestemming "Natuur" toegekend, aldus de plantoelichting.

Voorts staat in de plantoelichting dat verwezenlijking van de in het plan voorziene woning geen invloed zal hebben op de instandhoudingsdoelstelling voor het Natura 2000-gebied, dan wel de kernkwaliteiten en omgevingscondities van de EHS. De wijziging van de bedrijfsbestemming, zoals die onder het vorige bestemmingsplan gold, naar een woonbestemming zal eerder tot minder potentiële effecten leiden. De in het plan voorziene woning zelf is niet van dien aard dat daarvan een externe werking kan worden voorzien, aldus de plantoelichting.

3.3. Ingevolge artikel 19.1 van de Ruimtelijke Verordening Gelderland, voor zover thans van belang, worden in een bestemmingsplan in een gebied gelegen binnen de EHS geen bestemmingen toegestaan waardoor de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied, zoals aangegeven in de streekplanuitwerking "Kernkwaliteiten en omgevingscondities van de Gelderse ecologische hoofdstructuur" significant worden aangetast.

3.4. Voor zover [appellant] en anderen hebben betoogd dat de raad heeft miskend dat het plangebied gedeeltelijk in Natura 2000-gebied "Veluwe" en de EHS ligt, mist het feitelijke grondslag, nu die omstandigheid duidelijk in de plantoelichting staat vermeld.

3.5. Voor zover [appellant] en anderen hebben betoogd dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt welke activiteiten er op het perceel plaats kunnen vinden, overweegt de Afdeling dat in de planregels het toegestane gebruik binnen de aan de gronden van het perceel toegekende bestemmingen, alsmede de toegestane bebouwing duidelijk is weergegeven, zodat dat betoog eveneens feitelijke grondslag mist.

3.6. Niet in geschil is dat aan de gronden van het plangebied die liggen in het Natura 2000-gebied "Veluwe" en de EHS in het plan, net als onder het voorgaande bestemmingsplan, de bestemming "Natuur" is toegekend.

Hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan op zichzelf of in combinatie met andere plannen en projecten, significante gevolgen heeft voor het Natura 2000-gebied "Veluwe" en dat het plan niet leidt tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden van de EHS. Daarbij heeft de raad kunnen betrekken dat op het perceel thans een woning staat op een afstand van ongeveer 50 meter tot het voormelde Natura 2000-gebied en de EHS en het plan erin voorziet dat die woning wordt gesloopt en op de gronden waaraan in het plan de bestemming "Wonen" is toegekend een nieuwe woning mogelijk wordt gemaakt. De gronden waarop de in het plan voorziene nieuwe woning kan worden verwezenlijkt, liggen op ongeveer 80 meter, derhalve op grotere afstand van het Natura 2000-gebied "Veluwe" en de EHS, dan de bestaande woning die zal worden gesloopt. Het plan leidt er dus ook niet toe dat een extra woning wordt toegevoegd. Aan de gronden waarop de huidige te slopen woning staat, is in het plan voorts de bestemming "Natuur" toegekend.

Het betoog faalt.

4. [appellant] en anderen betogen voorts dat door de raad onvoldoende onderzoek is verricht naar de gevolgen van het plan voor de in het plangebied aanwezige flora- en fauna. Volgens hen is ten aanzien van beschermde soorten ten onrechte niet vastgesteld of die soorten aanwezig zijn en wat de functie van het plangebied voor de desbetreffende soorten kan zijn. [appellant] en anderen noemen in dit verband de das, boom- en steenmarter, eekhoorn, vleermuizen, vliegend hert, hazelworm, ringslang, dagvlinders en libellen en vogels. Ter onderbouwing van hun betoog hebben zij een rapport van Ecoresult, "Second Opinion Natuurtoets [locatie B], Loenen" van 23 april 2015 (hierna: de second opinion), overgelegd.

4.1. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

4.2. De raad stelt zich op het standpunt dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. De raad baseert dat standpunt op het ten behoeve van de vaststelling van het plan door de gemeentelijke ecoloog uitgevoerd onderzoek naar de ecologische en natuurwaarden in en rond het perceel. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Basis Natuurtoets, [locatie B] Loenen" (hierna: de Basis Natuurtoets) van de gemeente Apeldoorn, dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd. Hierin staan de volgende conclusies, adviezen en aandachtspunten:

"Op het terrein zijn invasieve exotische planten aanwezig zoals Japanse duizendknoop en reuzenbalsemien. Voorkomen van de streng beschermde das op het terrein staat vast. Er zijn wissels aanwezig. Het terrein wordt gebruikt om te foerageren en om van een waarschijnlijk nabijgelegen burcht naar foerageerterreinen elders te lopen. Voorkomen van hazelworm en ringslang is niet uit te sluiten en er zijn geschikte structuren in de vorm van materiaal (stamhout, plaatmateriaal en andere ‘rommel’) rondom het te slopen huisje aanwezig. Boommarter is bekend van de omgeving en er zijn grote bomen met holtes aanwezig. Gezien de nabijheid van woningen (buren) wordt substantieel gebruik van verblijfplaatsen door boommarter niet verwacht. Van eekhoorns zijn geen tekenen van aanwezigheid waargenomen noch data bekend. Het te slopen zwaar vervallen huisje kent geen voor streng beschermde soorten (zoals vleermuizen of uilen) bijzonder geschikte plekjes.

Bij uitvoering van de plannen zal rekening gehouden moeten worden met de aangetroffen of te verwachten natuurwaarden. Bij de sloop van het huisje en opruimen van structuren daar ter plaatse zal rekening gehouden moeten worden met de kleine kans van het voorkomen van hazelworm en ringslang. Voorzichtig (zoveel als mogelijk handmatig) werken buiten vorstperioden en op het terrein weer bruikbare structuren (stronken, stamhout) aanbieden is het devies. Indien er individuen aangetroffen worden dienen deze in veiligheid gesteld te worden.

De functie van ecologische verbindingszone voor das tussen burcht en foerageergebieden kan door de als natuur bestemde strook met opgaande begroeiing behouden blijven. Door bestemming van het huidige als foerageergebied gebruikte grazige deel tot wonen zal foerageergebied verloren gaan (omvorming tot tuin). In de omgeving is voldoende alternatief foerageergebied aanwezig. Aan de andere kant wordt er ook terrein bestemd tot natuur. Bij het als natuur te bestemmen deel is het raadzaam de invasieve exoten (en wellicht de bramen) te bestrijden of een maaibeheer op te stellen. Bij de situering en bouw van de nieuwe woning dient rekening gehouden te worden met de breed uitgegroeide kronen van de oude bomen aan de westzijde zonder daarbij zware gesteltakken te verwijderen. Stammen en grote takken kunnen in gebruik zijn door vleermuizen, zowel voor de functie verblijfplaats als foerageren. Onder bovengenoemde voorwaarden worden overtredingen van de Flora- en faunawet voorkomen en is geen ontheffing nodig."

4.3. In de in opdracht van [appellant] en anderen uitgevoerde second opinion staat onder meer dat tijdens het ten behoeve daarvan op 3 maart 2015 uitgevoerde veldonderzoek blijkt dat een dassenburcht aanwezig is op nog geen 50 meter afstand van het plangebied. Hoewel in de Basis Natuurtoets globaal is aangegeven waar de dassenwissels liggen, was het beter geweest als de door de ecoloog J. Mulder vastgestelde wissels en burcht waren weergegeven op een kaart, zodat een goede effectbeoordeling kon worden verricht, aldus de second opinion.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat bij de Basis Natuurtoets gebruik is gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (hierna: NDFF) en de dassenkaart van de oostelijke Veluwe, die is opgebouwd uit tientallen jaren waarnemingen van ecologen en onder andere Staatsbosbeheer en dat in de Basis Natuurtoets wordt gewezen op het voorkomen van de das binnen het perceel. In de Basis Natuurtoets staat dat op het terrein verscheidene dassenwissels lopen, dat deze de weg oversteken en dat zichtwaarnemingen en verkeersslachtoffers bekend zijn. Daarin staat voorts dat oude locaties van dassenburchten bekend zijn op enkele honderden meters van het plangebied en dat de vele wissels op het grazige deel van het perceel tevens het bestaan van een functie van het perceel voor het foerageren impliceren. Hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de Basis Natuurtoets de aanwezigheid van en het gebruik van het perceel door de das onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt.

Evenmin hebben [appellant] en anderen aannemelijk gemaakt dat door het realiseren van het plan een vaste rust- of verblijfplaats van de das wordt aangetast en of dat het wegvallen van een deel van het perceel als foerageergebied voor dassen leidt tot een ernstige verstoring van de ecologische functionaliteit van eventueel buiten het plangebied gelegen vaste rust- of verblijfplaatsen en de dassen deze plaatsen om die reden zullen verlaten.

4.4. Wat betreft de boommarter staat in de second opinion dat, omdat bomen binnen het plangebied potentieel geschikt zijn om te fungeren als vaste rust- en verblijfplaats voor de boommarter en meerdere waarnemingen van boommarters binnen het plangebied zijn verricht, aanvullend veldonderzoek dient plaats te vinden naar de daadwerkelijke functie van het plangebied voor de boommarter. Pas op basis van dit onderzoek kan een afdoende effectbeoordeling worden uitgevoerd, aldus de second opinion.

In de Basis Natuurtoets staat dat de boommarter bekend is van de omgeving en er op het perceel grote bomen met holtes aanwezig zijn. Gezien de nabijheid van woningen (buren) wordt substantieel gebruik van de bomen als verblijfplaats door de boommarter niet verwacht, aldus de Basis Natuurtoets. Ter zitting heeft de raad in reactie op de second opinion nader toegelicht dat het plan, door aan de westzijde van het plangebied een strook met de bestemming "Natuur" op te nemen, voorziet in het behoud van de in de Basis Natuurtoets vermelde bomen, zodat incidenteel gebruik van de bomen als verblijfplaats kan worden voortgezet. Voorts heeft de raad in aanvulling op de natuurtoets onweersproken gesteld dat gebruik van de bomen als vaste woon- of verblijfplaats niet valt te verwachten, gelet op de nabije aanwezigheid van de Veluwe en bij het ten behoeve van de Basis Natuurtoets verrichte veldonderzoek in het plangebied geen sporen van de marter zijn aangetroffen. [appellant] en anderen hebben dit niet gemotiveerd betwist.

4.5. Wat betreft de steenmarter staat in de second opinion dat in de Basis Natuurtoets staat dat een gebouw binnen het plangebied dient te worden gesloopt en dat binnen het plangebied los materiaal zoals stapels boomstammen, asbest, golfplaten en kleine rommel ligt, die in potentie geschikt zijn als vaste rust- en verblijfplaats van de steenmarter. Deze soort wordt niet genoemd in de Basis Natuurtoets, maar komt volgens de NDFF wel voor binnen een afstand van vijf kilometer tot het plangebied. Aanvullend onderzoek dient te worden verricht naar het voorkomen van de steenmarter binnen het plangebied, aldus de second opinion.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat in de Basis Natuurtoets wel is gekeken naar de geschiktheid van het plangebied voor en de aanwezigheid van de steenmarter. Voorts heeft de raad ter zitting onweersproken gesteld dat bij het veldonderzoek ten behoeve van de Basis Natuurtoets geen sporen zoals ontlasting en latrines van de steenmarter zijn aangetroffen.

4.6. Wat betreft de eekhoorn staat in de second opinion dat, gelet op de ligging van het plangebied in de bosrand en de waarneming van eekhoorns binnen een afstand van één kilometer tot het plangebied, niet kan worden uitgesloten dat de eekhoorn in het plangebied voorkomt. Afwezigheid van de soort en de ongeschiktheid van het plangebied voor de soort is derhalve onvoldoende onderbouwd en een goede effectbeoordeling ontbreekt, aldus de second opinion.

De raad heeft in reactie op de second opinion ter zitting toegelicht dat tijdens het ten behoeve van de Basis Natuurtoets uitgevoerde veldonderzoek geen tekenen van aanwezigheid van de eekhoorn zijn waargenomen. Niet valt uit te sluiten dat dieren het perceel incidenteel kunnen bezoeken of passeren. De bouw en aanwezigheid van de in het plan voorziene woning brengt geen belemmering in dat gebruik met zich, aldus de raad. [appellant] en anderen hebben dit niet gemotiveerd betwist.

4.7. Wat betreft de vleermuis staat in de second opinion dat in de Basis Natuurtoets onvoldoende is onderbouwd waarom het plangebied ongeschikt is voor vleermuizen. Volgens de second opinion zijn zowel het te slopen gebouw als de bomen binnen het plan potentieel geschikt als vaste rust- en verblijfplaats of voortplantingsplaats voor vleermuizen. Afhankelijk van de geplande ingrepen en de nieuwe situatie is nader onderzoek naar de functie van het plangebied voor zowel boom- als gebouwbewonende vleermuizen nodig, aldus de second opinion

Ter zitting heeft de raad toegelicht dat tijdens het ten behoeve van de Basis Natuurtoets uitgevoerde veldonderzoek het te slopen gebouw van nabij is onderzocht op sporen van en mogelijkheden voor vleermuizen. Vaste rust- of verblijfplaatsen van vleermuizen zijn daarbij niet aangetroffen. [appellant] en anderen hebben dit niet gemotiveerd betwist.

Wat betreft de boombewonende vleermuizen heeft de raad toegelicht dat in de Basis Natuurtoets staat dat in de oude bomen aan de westzijde van het plangebied mogelijk vleermuizen verblijven en dat bij de situering en bouw van de in het plan voorziene woning daarmee rekening gehouden dient te worden. De raad heeft voorts toegelicht dat aan de gronden waarop de desbetreffende bomen staan de bestemming "Natuur" is toegekend en het plan derhalve voorziet in behoud van de bomen en die bomen ook behouden zullen blijven. Het plan maakt het ook mogelijk de woning zodanig te situeren dat de bomen behouden kunnen blijven, aldus de raad. [appellant] en anderen hebben dit niet betwist.

4.8. Wat betreft de hazelworm en de ringslang staat in de second opinion dat de opdrachtgever daarvoor deze soorten in de directe omgeving heeft waargenomen. Voorts staat daarin dat het plangebied potentieel geschikt is als vaste rust en verblijfplaats en foerageergebied voor zowel hazelworm als ringslang en dat daarom aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd naar de functie van het plangebied voor ringslang en hazelworm.

In de Basis Natuurtoets staat dat rondom het plangebied hazelworm en ringslang bekend zijn, de kortste afstand van beide soorten is 250 meter. Het voorkomen op het terrein en vooral onder de rommel rond het te slopen gebouw is niet uit te sluiten. Bij de sloop zal daarom rekening moeten worden gehouden met de kleine kans van het voorkomen van hazelworm en ringslang. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat door het treffen van de in de Basis Natuurtoets gestelde eenvoudige maatregelen, zoals voorzichtig en zoveel mogelijk handmatig buiten de vorstperiode werken en eventueel aangetroffen bedreigde dieren door middel van vangst veilig te stellen en door op het terrein weer zoveel mogelijk voor deze soorten bruikbare structuren zoals stronken en stamhout aan te bieden, de schade aan de dieren en hun leefgebieden kan worden voorkomen. De maatregelen zijn er voorts op gericht om te voorkomen dat dieren onopzettelijk worden gedood. De raad heeft gesteld dat het plan er niet aan in de weg staat dergelijke maatregelen te treffen. [appellant] en anderen hebben dit niet gemotiveerd betwist.

4.9. Wat betreft het vliegend hert staat in de second opinion dat in de Basis Natuurtoets staat dat het plangebied vanwege de aanwezige stobben en oude eiken geschikt is voor vliegend hert. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze soort binnen het plangebied is niet verricht. Het onderzoeksmoment op 16 oktober was bovendien niet geschikt. Het beste moment om vliegende herten waar te nemen is van half mei tot eind juli op warme droge avonden tussen de avondschemering en 01.00 uur of in de vroege ochtend. Aanvullend onderzoek is daarom noodzakelijk, aldus de second opinion.

In de Basis Natuurtoets staat dat aanwezige stobben en oude eiken aantrekkelijk kunnen zijn voor vliegend hert, een soort waarvan waarnemingen op één kilometer afstand van het plangebied bekend zijn. De raad heeft ter zitting toegelicht dat om die reden het voorkomen van het vliegend hert niet geheel is uit te sluiten. De raad heeft voorts onweersproken gesteld dat de desbetreffende stobben en eiken zich binnen het plangebied bevinden op de gronden waaraan in het plan de bestemming "Natuur" is toegekend. De voor vliegend hert geschikte plekken als beschreven in de Basis Natuurtoets blijven daarmee behouden, aldus de raad. [appellant] en andere hebben dit niet gemotiveerd betwist.

4.10. In de second opinion staat dat binnen het plangebied te verwachten dagvlindersoorten zijn: heideblauwtje, rouwmantel en keizersmantel. Te verwachten libellen zijn volgens de second opinion: gevlekte witsnuitlibel en rivierrombout.

De raad heeft ter zitting in reactie op het aldus in de second opinion gestelde gemotiveerd toegelicht dat deze soorten op basis van aanwezige habitat in het plangebied niet zijn te verwachten. Nu in de second opinion niet wordt onderbouwd waarom de desbetreffende vlinders en libellen in het plangebied zijn te verwachten bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte ervan is uitgegaan dat de vlinders en libellen niet in het plangebied voorkomen.

4.11. In de second opinion staat dat tijdens ten behoeve daarvan uitgevoerd veldonderzoek op een aan het plangebied grenzend perceel een nest van vermoedelijk een sperwer is aangetroffen. Voorts is het te slopen gebouw potentieel geschikt voor jaarrond beschermde nesten en kan de ruimte onder de dakpannen nestgelegenheid bieden aan de huismus. Volgens de opdrachtgever voor de second opinion heeft de huismus ook nesten in bebouwing op het aan het plangebied grenzende perceel. Voorts is het plangebied potentieel geschikt voor vogels met niet jaarrond beschermde nesten en algemene vogels. Eén en ander moet nader onderzocht worden, aldus de second opinion.

De raad heeft ter zitting nader toegelicht dat jaarrond beschermde nesten tijden het veldonderzoek ten behoeve van de Basis Natuurtoets niet zijn aangetroffen en ook niet worden verwacht. In dit verband heeft de raad verwezen naar de Basis Natuurtoets waarin staat dat de biotoop ongeschikt is voor de in de gemeente Apeldoorn voorkomende vogelsoorten met een vaste verblijfplaats, waaronder de sperwer. [appellant] en anderen hebben dit niet betwist.

Algemene broedvogels zijn volgens de raad wel te verwachten en hiervoor is uitvoering van de plannen buiten het broedseizoen het devies. Bij het realiseren van de bestemming kan daarmee rekening worden gehouden, zodat het voorkomen van algemene broedvogels de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staat. [appellant] en anderen hebben dit niet betwist.

Voor zover [appellant] en anderen hebben gewezen op een nest in het aangrenzende perceel van mogelijk een sperwer, zijnde een vogel met jaarrond beschermd nest, is niet gebleken dat door verwezenlijking van het plan de ecologische functionaliteit van dat nest zodanig wordt verstoord dat het nest om die reden zal worden verlaten.

4.12. Gelet op het vorenstaande geeft hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich op basis van de bevindingen en conclusies in de Basis Natuurtoets, mede gelet op de ter zitting daarop door de raad gegeven toelichting naar aanleiding van de door [appellant] en anderen overgelegde second opinion, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw niet op voorhand aan uitvoering van het plan in de weg staat.

Het betoog faalt.

5. [appellant] en anderen betogen dat het toekennen van de bestemming "Wonen" aan een deel van het perceel in strijd is met de gemeentelijke Structuurvisie Buitenstad 2030, vastgesteld door de raad op 30 mei 2013 (hierna: de Structuurvisie), nu de openheid ter plaatse wordt verminderd door het dichtbouwen van een open plek.

Voorts voeren [appellant] en anderen aan dat in de plantoelichting weliswaar wordt verwezen naar de Ruimtelijke Verordening Gelderland, het Kwalitatief Woonprogramma en het daarop gebaseerde gemeentelijk woningbouwprogramma tot 2029, maar dat niet wordt onderbouwd dat het plan daarmee in overeenstemming is.

Verder voeren zij aan dat de enkele omstandigheid dat de op het perceel bestaande bedrijfswoning in het verleden als burgerwoning is gebruikt, onvoldoende reden is om op het perceel een woonbestemming op te nemen. Zij wijzen er in dit verband op dat in het verleden op het perceel een niet-agrarisch bedrijf was gevestigd met daarbij een bedrijfswoning en dat de raad ten onrechte niet aangeeft waarom de oorspronkelijke functie van het perceel niet zou kunnen worden hersteld. Voorts is onduidelijk waarom een woonbestemming ter plaatse te prefereren zou zijn boven een bedrijfsbestemming, aldus [appellant] en anderen. Zij voeren tevens aan dat de raad niet tot vaststelling van het plan kon besluiten, omdat de vraag of aan de gronden van het plangebied een woonbestemming kon worden toegekend volgens hen dient te worden beoordeeld in een groter en afgewogen geheel, zoals de eerder aangekondigde bestemmingsplanherziening van het buitengebied.

5.1. Voor zover [appellant] en anderen aanvoeren dat het plan in strijd is met de Structuurvisie, omdat de openheid ter plaatse wordt verminderd door het dichtbouwen van een open plek, overweegt de Afdeling dat het plangebied ligt in wat in de Structuurvisie de overgangszone IJsselvallei wordt genoemd. In de Structuurvisie staat hierover dat in deze overgangszone tussen de landschappen van de Veluwe aan de westkant van Apeldoorn en de veel weidsere landschappelijke kwaliteiten van de IJsselvallei aan de oostkant, een aantrekkelijk kleinschalig landschap met beekdalen en enken ligt, dat is verweven met onder meer het dorp Loenen. In de Structuurvisie staat voorts dat het behouden van de kwaliteiten van dit gebied zich richt op het handhaven van de kenmerkende openheid en de afwisseling met landschappelijke coulissen en reliëf en de cultuurhistorische ecologische waarden.

Aan de noordzijde van het plangebied ligt de weg Dalenk. In een straal van ongeveer 250 meter rondom het plangebied staan aan deze weg ongeveer twintig woningen en of bedrijfsgebouwen, verspreid aan de noord- en zuidzijde van de Dalenk. De bebouwing staat op ruime afstand van elkaar. De kortste afstand tussen de gronden op het perceel waaraan de bestemming "Wonen" is toegekend en de ten westen van het perceel staande woning bedraagt ongeveer 19 meter. De kortste afstand tussen voormelde gronden en de dichtstbijzijnde ten oosten van het perceel gelegen woning is ongeveer 32 meter. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan een bosgebied met op enkele honderden meters afstand een woning.

Ter zitting is vast komen te staan dat de oppervlakte van het perceel ongeveer 7.000 m2 is. Ingevolge artikel 6, lid 6.2, van de planregels bedraagt de maximale inhoud van de op het perceel te verwezenlijken woning 700 m3 en de maximale oppervlakte van de daarbij voorziene bijgebouwen 75 m2.

Gelet op de aldus in het plan voorziene maximale omvang van de te verwezenlijken bebouwing in relatie tot de oppervlakte van het perceel en de afstand tot de dichtstbijzijnde woningen naast het perceel, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de openheid van het landschap na verwezenlijking van de met het plan mogelijk gemaakte bebouwing voldoende gehandhaafd blijft.

Het betoog faalt.

5.2. [appellant] en anderen hebben hun betoog met betrekking tot de Ruimtelijke Verordening Gelderland, het Kwalitatief Woonprogramma en het daarop gebaseerde gemeentelijk woningbouwprogramma tot 2029 niet nader toegelicht, zodat het reeds om die reden faalt.

5.3. Voor zover [appellant] en anderen hebben betoogd dat de raad niet tot vaststelling van het plan kon besluiten, omdat de vraag of aan de gronden van het plangebied een woonbestemming kon worden toegekend dient te worden beoordeeld in het licht van een bestemmingsplanherziening van het buitengebied, overweegt de Afdeling als volgt.

Vast staat dat de eigenaar van het perceel in juni 2008 de gemeente heeft verzocht om de in het voorheen geldende bestemmingsplan "Stuwwalrand Parkzone Zuid" opgenomen niet-agrarische bedrijfsbestemming op zijn perceel te wijzigen in een woonbestemming. De raad diende op dit verzoek beslissen.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat geen aanleiding bestond om besluitvorming op het concrete verzoek van de eigenaar uit te stellen tot actualisatie van het bestemmingsplan voor het buitengebied. Daarbij heeft de raad aangevoerd dat de beoordeling van de vraag of de bestemming "Wonen" op het perceel strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening ook los van zodanige actualisatie beoordeeld kan worden en de beoordeling in dat geval niet anders zou zijn. Hetgeen Boertjes en anderen hebben aangevoerd geeft geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dat standpunt heeft kunnen stellen.

Het betoog faalt.

5.4. Voor zover [appellant] en anderen hebben aangevoerd dat de raad ten onrechte niet aangeeft waarom de oorspronkelijke functie van het perceel niet zou kunnen worden hersteld en voorts onduidelijk is waarom een woonbestemming ter plaatse te prefereren zou zijn boven een bedrijfsbestemming, overweegt de Afdeling dat nu de eigenaar van het perceel heeft verzocht daaraan een woonbestemming toe te kennen omdat hij daarop niet langer een kwekerij wenst te exploiteren, de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat herstel van het gebruik van het perceel als kwekerij niet te verwachten is. Gelet hierop hebben [appellant] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat een woonbestemming ter plaatse niet passend is. Hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd biedt voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in redelijkheid aan het belang van de eigenaar van het perceel bij verwezenlijking van de door hem gewenste woning, geen groter gewicht heeft mogen toekennen dan aan het door [appellant] en anderen gestelde belang bij het behoud van een niet-agrarische bedrijfsbestemming op het perceel.

Het betoog faalt.

6. Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat een beroepsgrond faalt en niet uitdrukkelijk op de toepasselijkheid van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht is ingegaan, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of dat artikel van toepassing is.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, griffier.

w.g. Kramer

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2015

325-823.