Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2759

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2015
Datum publicatie
02-09-2015
Zaaknummer
201501775/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:230, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 mei 2014 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap
Rijkswet op het Nederlanderschap 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Nationaliteitsrecht 2016/781
JV 2015/298
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501775/1/V6.

Datum uitspraak: 2 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 januari 2015 in zaak nr. 14/2960 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2014 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Bij besluit van 22 juli 2014 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 januari 2015 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 augustus 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. D. de Heuvel, advocaat te Prinsenbeek, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.J.M. Magram-Tetteroo, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt een verzoek om naturalisatie afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) wordt een verzoek om naturalisatie wegens gevaar voor de openbare orde onder meer afgewezen, indien op het moment van indiening van het verzoek of de beslissing daarop, serieuze verdenkingen bestaan dat de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen. Aanleiding voor het aannemen van een serieuze verdenking kan zijn de vermelding op het uittreksel van de Justitiële documentatiedienst van een openstaande strafzaak wegens een misdrijf. Ook indien de verzoeker in hoger beroep is gegaan is de strafzaak nog niet onherroepelijk afgedaan en is er nog steeds sprake van een serieuze verdenking.

Voorts is het volgens de Handleiding in zeer bijzondere gevallen mogelijk dat de staatssecretaris een verzoek dat hij volgens bovenstaande regels moet afwijzen, toch inwilligt. Voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid is het van het grootste belang dat de staatssecretaris niet snel van het beleid afwijkt en moet hij zeer grote terughoudendheid betrachten, aldus de Handleiding. Bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens tot de conclusie leiden dat de verzoeker geen gevaar vormt voor de openbare orde. Indien wel ernstige vermoedens bestaan dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt, mag de staatssecretaris hem volgens de Handleiding niet naturaliseren.

2. Niet is in geschil dat ten tijde van het besluit van 22 juli 2014 een strafzaak wegens overtreding van artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet gelezen in verbinding met artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht tegen [appellant] openstond met als pleegdatum 30 januari 2014.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich geen zodanig bijzondere omstandigheden voordoen dat aan [appellant], in afwijking van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN, het Nederlanderschap moet worden verleend. Hiertoe voert [appellant] aan dat hij hoger beroep tegen de jegens hem uitgesproken veroordeling in de strafzaak heeft ingesteld en dat dit op 1 mei 2015 ter zitting is behandeld. Ter zitting bij de Afdeling heeft [appellant] toegelicht dat hem in hoger beroep een geldboete is opgelegd van € 250,00 waardoor artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN hem niet langer kan worden tegengeworpen. In dit verband heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris excessief formalistisch en willekeurig heeft gehandeld door de behandeling van het verzoek niet aan te houden in afwachting van het hoger beroep in de strafzaak, aldus [appellant]. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat het volgens [appellant] niet aan hem is te wijten dat ten tijde van de behandeling van het beroep in deze zaak nog geen duidelijkheid bestond over de behandeling van het hoger beroep in de strafzaak.

Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris hem het Nederlanderschap heeft geweigerd in strijd met het vertrouwensbeginsel, aangezien de officier van justitie tijdens de behandeling van de strafzaak ter zitting heeft verklaard dat een voorwaardelijke taakstraf geen gevolg zal hebben voor zijn verblijfsrecht in Nederland.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 november 2009 in zaak nr. 200900688/1/V6), dient het beleid neergelegd in de Handleiding als uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ernstige vermoedens dat de betrokkene gevaar oplevert voor de openbare orde. Nu ten tijde van indiening van het naturalisatieverzoek en de handhaving van de beslissing daarop een strafzaak tegen [appellant] openstond wegens het plegen van een misdrijf, leidt toepassing van het beleid tot afwijzing van het verzoek. Het feit dat [appellant] in hoger beroep in de strafzaak mogelijk zou worden vrijgesproken of veroordeeld tot een straf waardoor hem artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN niet langer zou worden tegengeworpen, vormt geen bijzondere omstandigheid die tot afwijking van dit beleid noopt, reeds omdat dit onverlet laat dat op het in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN neergelegde peilmoment een serieuze verdenking bestond dat [appellant] een misdrijf had gepleegd waarop nog een sanctie kon volgen en derhalve ernstige vermoedens bestonden dat hij een gevaar voor de openbare orde vormde. Reeds hierom treft ook het betoog dat [appellant], zoals hij ter zitting bij de Afdeling heeft aangevoerd, inmiddels in hoger beroep is veroordeeld tot een geldboete van zodanige hoogte dat de afwijzingsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN zich niet langer voordoet, geen doel. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris niet excessief formalistisch heeft gehandeld door de behandeling van het verzoek niet aan te houden in afwachting van het hoger beroep in de strafzaak, aangezien ten tijde van het besluit van 22 juli 2014 geen enkele duidelijkheid bestond over het tijdstip van de behandeling van dit hoger beroep. Het betoog dat de handelwijze van de staatssecretaris strijdig is met het verbod van willekeur, faalt reeds omdat [appellant] geen concreet geval heeft kunnen noemen waarin geen enkele duidelijkheid bestond over het tijdstip van de behandeling van het hoger beroep in de strafzaak en de staatssecretaris de behandeling van het naturalisatieverzoek wel heeft aangehouden. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellant] aan de toezegging van de officier van justitie bij de rechtbank geen rechtens te honoreren verwachtingen heeft kunnen ontlenen, reeds omdat de officier van justitie niet bevoegd is te beslissen op een verzoek om naturalisatie. Daar komt bij dat de officier van justitie, naar gesteld, uitspraken heeft gedaan omtrent het verblijf van [appellant] in Nederland, hetgeen niets zegt over de verlening van het Nederlanderschap.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Groenendijk

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2015

164-800.