Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2757

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2015
Datum publicatie
02-09-2015
Zaaknummer
201503580/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2015 heeft het college zijn beslissing om op 13 februari 2015 wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen spoedeisende bestuursdwang toe te passen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellante] komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503580/1/A4.

Datum uitspraak: 2 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2015 heeft het college zijn beslissing om op 13 februari 2015 wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen spoedeisende bestuursdwang toe te passen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellante] komt.

Bij besluit van 31 maart 2015 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 augustus 2015, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door H. Rosema, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening kan het college aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, is het de gebruiker van een perceel, voor wie een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot.

2. Blijkens de besluit van 19 februari 2015 behorende "Rapportage Afval onjuist aangeboden huisvuil - niet heterdaad" van 16 februari 2015 heeft de toepassing van spoedeisende bestuursdwang bestaan uit het verwijderen van een doos die op 13 februari 2015 naast een aangewezen inzamelvoorziening op het Belgischeplein ter hoogte van nummer 35 is aangetroffen. Het feit dat, zoals [appellante] ter zitting heeft aangevoerd, op de bij deze rapportage behorende foto slechts een deel van een doos zichtbaar is, maakt niet dat ervan moet worden uitgegaan dat de toepassing van bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een deel van een doos, reeds nu het college heeft toegelicht dat verkeerd ter inzameling aangeboden dozen na verwijdering door de gemeentelijke toezichthouder in stukken worden gescheurd alvorens een foto van de daarop aangetroffen adresdrager te nemen. De Afdeling ziet geen aanleiding om eraan te twijfelen dat dit ook in dit geval is gebeurd.

3. Voor zover [appellante] betoogt dat haar bezwaar zonder enige onderbouwing ongegrond is verklaard en de bezwaarprocedure daarmee slechts een formele processtap was, overweegt de Afdeling dat het college in het bestreden besluit heeft gemotiveerd waarom het [appellante] als overtreder heeft aangemerkt. Niet is gebleken dat het college daarbij de door [appellante] aangevoerde bezwaren niet heeft betrokken. Gelet daarop, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand is gekomen.

4. [appellante] betoogt dat het college haar ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Zij stelt nog nooit huishoudelijke afvalstoffen verkeerd ter inzameling te hebben aangeboden, dat de inzamelvoorziening behoorlijk vol was, en dat zij daarom de doos plat heeft gemaakt alvorens deze in de inzamelingvoorziening te plaatsen. [appellante] stelt dat de doos voor een deel uit de inzamelvoorziening stak, maar dat zij met behulp van kranten heeft geprobeerd te voorkomen dat de doos eruit zou vallen.

[appellante] voert verder aan dat de inzamelvoorzieningen in de buurt vaak vol zitten, deels als gevolg van een ontwerpfout en deels omdat onduidelijk is hoe vaak en wanneer zij worden geleegd, en dat onduidelijk is wat burgers moeten doen wanneer een inzamelvoorziening vol is. Ook valt volgens [appellante] moeilijk in te zien waarom oud papier en karton op een inzameldag niet naast een inzamelvoorziening mogen worden geplaatst. Zij stelt voorts dat ten onrechte niet handhavend wordt opgetreden ter zake van uitwerpselen van honden en glasscherven rond glasbakken. De overlast daarvan is groter dan van verkeerd aangeboden oud papier en karton, aldus [appellante].

4.1. Ingevolge artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

In de regel zal mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 juli 2014 in zaak nr. 201400430/1/A4), is degene die het desbetreffende wettelijk voorschrift schendt in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht; daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, doch aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en derhalve als overtreder worden aangemerkt.

4.2. Nu vast staat dat de op 13 februari 2015 op het Belgischeplein ter hoogte van nummer 35 aangetroffen doos van [appellante] afkomstig is, mocht het college ervan uitgaan dat zij de overtreder is, tenzij [appellante] aannemelijk maakt dat zij niet degene is geweest die de doos in strijd met de Afvalstoffenverordening heeft aangeboden. De stelling van [appellante] dat zij nog nooit huishoudelijke afvalstoffen verkeerd heeft aangeboden, is daarvoor onvoldoende. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat [appellante], zoals zij stelt, de doos in de inzamelvoorziening heeft geplaatst, geldt dat zij heeft erkend dat de doos voor een deel eruit stak. Daarmee heeft zij een situatie doen ontstaan waarin zij er rekening mee diende te houden dat de doos of een gedeelte daarvan uit de inzamelvoorziening zou vallen en op onjuiste wijze ter inzameling zou worden aangeboden. Dat de doos in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening is aangeboden, kan derhalve ook in dat geval aan [appellante] worden toegerekend (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2014 in zaak nr. 201400574/1/A4). Dat zij met behulp van kranten heeft geprobeerd te voorkomen dat de doos uit de inzamelvoorziening zou vallen, maakt dat niet anders. Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, biedt derhalve geen grond voor het oordeel dat het college haar ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt.

4.3. Hetgeen [appellante] voor het overige heeft aangevoerd, biedt geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft kunnen besluiten. Het college heeft zich, onder verwijzing naar de Beleidsregel handhaving verkeerd aangeboden huisvuil 2003, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat huisvuil naast een inzamelvoorziening een vuilaantrekkende werking heeft en kan leiden tot overlast en vervuiling door verspreiding daarvan, en derhalve direct moet worden verwijderd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2014 in zaak nr. 201306787/1/A4). Nog daargelaten of 13 februari 2015 een voor oud papier en karton vastgestelde inzameldag was, geldt dat van een inzamelvoorziening op de voorgeschreven wijze gebruik moet worden gemaakt, ook als deze vol is. Het al dan niet handhavend optreden ter zake van uitwerpselen van honden en glasscherven maakt, wat daar verder van zij, niet dat het college in dit geval niet handhavend kon optreden.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer,

in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.

w.g. Sorgdrager w.g. Van der Maesen de Sombreff

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2015

190-732.