Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2756

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2015
Datum publicatie
02-09-2015
Zaaknummer
201405559/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 maart 2014 heeft de deelraad het bestemmingsplan "Sixhaven" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/935
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405559/2/R1.

Datum uitspraak: 2 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Amsterdam,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend te Amsterdam,

appellanten,

en

de deelraad van het stadsdeel Noord (thans: de raad van de gemeente Amsterdam),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2014 heeft de deelraad het bestemmingsplan "Sixhaven" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2015, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. Hop en mr. P.N. Vrijman, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] na de zitting nadere stukken ingediend.

Bij tussenuitspraak van 25 februari 2015, nr. 201405559/1/R1 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zesentwintig weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 12 maart 2014 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 17 augustus 2015 heeft de raad om verlenging van de termijn van zesentwintig weken verzocht.

Bij brief van 25 augustus 2015 is dit verzoek afgewezen.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De tussenuitspraak verplicht, gelet op artikel 8:51a, tweede lid, van de Awb, het gebrek te herstellen binnen de daartoe gestelde termijn. De in de tussenuitspraak opgenomen hersteltermijn is ongebruikt verstreken, zodat niet is voldaan aan de door de Afdeling in de tussenuitspraak gegeven opdracht. De in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken in het besluit van 12 maart 2014 zijn niet hersteld.

2. Gezien overweging 4.1 van de tussenuitspraak zijn de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] niet-ontvankelijk voor zover deze zijn gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer", wat betreft het gedeelte van de Sixhavenweg dat in de praktijk dient als erftoegangsweg naar de ligplaatsen (plaatselijk bekend) [locaties].

3. Gezien overweging 6.2 van de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Groen", voor zover dat de strook grond betreft die grenst aan de noordwestkant van het plandeel met de aanduiding "specifieke vorm van water - 3", niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

4. Gezien overweging 9.3.1 tot en met 9.4.1 van de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Water" met de aanduiding "specifieke vorm van water - 3" voor zover het de ligplaats (plaatselijk bekend) [locatie] betreft, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Conclusie

5. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] is gegrond, zodat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Groen", voor zover dat de strook grond betreft die grenst aan de noordwestkant van het plandeel met de aanduiding "specifieke vorm van water - 3" en het plandeel met de bestemming "Water" met de aanduiding "specifieke vorm van water - 3" wat betreft de ligplaats (plaatselijk bekend) [locatie], wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

5.1. De raad heeft ter zitting te kennen gegeven dat het laatste planologische regime dat gold voor de hiervoor beschreven plandelen het plan "Partiële herziening van het noordelijk gedeelte van het algemeen uitbreidingsplan" betrof, dat door de raad is vastgesteld op 26 november 1958 en goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland bij besluit van 9 december 1959 (hierna: het Uitbreidingsplan). Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 maart 2010 in zaak nr. 200907266/1/H1), moet uit de artikelen 9.3.2 en 9.1.4, vierde lid, van de Invoeringswet Wro, in onderlinge samenhang bezien, worden afgeleid dat de onder de Woningwet 1901 tot stand gekomen uitbreidingsplannen hun rechtsgevolg behouden tot vijf jaar na inwerkingtreding van de Wro. Dit betekent dat het Uitbreidingsplan zijn rechtsgevolg per 1 juli 2013 heeft verloren, hetgeen de raad ter zitting heeft erkend. Om te voorkomen dat na de vernietiging van de hiervoor beschreven plandelen ter plaatse geen planologisch regime meer geldt, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat het Uitbreidingsplan ter plaatse geldt tot de inwerkingtreding van het nieuw vast te stellen bestemmingsplan.

Opdracht

6. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb, de raad op te dragen om binnen zestien weken na de verzending van deze uitspraak en met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen. Bij de voorbereiding van het nieuwe besluit behoeft geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb.

Proceskosten

7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer", wat betreft het gedeelte van de Sixhavenweg dat in de praktijk dient als erftoegangsweg naar de ligplaatsen (plaatselijk bekend) [locaties];

II. verklaart de beroepen voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van de deelraad van het stadsdeel Noord (thans: de raad van de gemeente Amsterdam) van 12 maart 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Sixhaven" voor zover het betreft:

- het plandeel met de bestemming "Groen", wat betreft de strook grond die grenst aan de noordwestkant van het plandeel met de aanduiding "specifieke vorm van water - 3";

- het plandeel met de bestemming "Water" met de aanduiding "specifieke vorm van water - 3" wat betreft de ligplaats (plaatselijk bekend) [locatie];

IV. draagt de raad van de gemeente Amsterdam op om binnen zestien weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

V. treft de voorlopige voorziening dat het plan "Partiële herziening van het noordelijk gedeelte van het algemeen uitbreidingsplan", dat door de raad is vastgesteld op 26 november 1958 en goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland bij besluit van 9 december 1959 blijft gelden voor de onder III genoemde plandelen tot de inwerkingtreding van het nieuw vast te stellen bestemmingsplan;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Amsterdam aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van:

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 1] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Stoof, griffier.

w.g. Van der Wiel w.g. Stoof

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2015

749.