Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2713

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2015
Datum publicatie
26-08-2015
Zaaknummer
201410264/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2014 heeft de raad een aanvraag van [wederpartij] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410264/1/A2.

Datum uitspraak: 26 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad)

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 november 2014 in zaak nr. 14/3633 in het geding tussen:

[wederpartij] wonend te [woonplaats],

en

de raad.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2014 heeft de raad een aanvraag van [wederpartij] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij brief van 30 april 2014 heeft [wederpartij] daartegen bezwaar gemaakt en de raad verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep op de bestuursrechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De raad heeft met dat verzoek ingestemd en het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb doorgezonden naar de rechtbank.

Bij uitspraak van 11 november 2014 heeft de rechtbank het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 24 april 2014 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de raad opgedragen binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 15 december 2014 heeft de raad, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, de aanvraag van [wederpartij] om een toevoeging voor rechtsbijstand opnieuw afgewezen.

Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft de raad hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

[wederpartij] heeft gronden aangevoerd tegen het besluit van 15 december 2014.

[wederpartij] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 augustus 2015, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Doets en mr. C.W. Wijnstra, beiden werkzaam bij de raad, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. D.R. Changoer, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) wordt rechtsbijstand niet verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, kan de raad de toevoeging weigeren, indien de aanvraag een rechtsprobleem betreft dat naar zijn oordeel eenvoudig afgehandeld kan worden.

De raad voert bij de toepassing van de Wrb beleid, onder meer neergelegd in het Handboek Toevoegen 2007 en, ten tijde van belang, de Werkinstructie ‘B010 bestuursrecht’.

Volgens aantekening 21 bij artikel 28 van de Wrb in het Handboek wordt geen rechtsbijstand op basis van toevoeging verleend indien de aanvraag betrekking heeft op de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: de Wahv).

Volgens paragraaf 2 van de Werkinstructie wordt voor het verweer tegen een vordering tot gijzeling geen toevoeging verstrekt in verband met de zelfredzaamheid van de rechtzoekende, ongeacht de hoogte van het financieel belang. Op de zitting wordt niet meer ingegaan op de inhoud van de zaak. In een gijzelingszaak kunnen alleen argumenten worden aangevoerd die betrekking hebben op de financiële situatie van rechtzoekende. Deze argumenten zijn feitelijk van aard, hiervoor is de bijstand van de advocaat niet noodzakelijk, aldus het beleid.

In paragraaf 2 is verder vermeld dat als sprake is van een veelheid van zaken één toevoeging wordt verstrekt voor het oplossen van al deze zaken: boete/gijzeling. Het op de rails zetten van het leven van de rechtzoekende wordt daarbij gezien als zwaarwegend belang.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wahv kunnen ter zake van de in de bijlage bij deze wet omschreven gedragingen die in strijd zijn met op het verkeer betrekking hebbende voorschriften gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994, de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, de Provinciewet of de Gemeentewet, op de wijze bij deze wet bepaald administratieve sancties worden opgelegd.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, is met de inning van de administratieve sancties de officier van justitie belast.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, kan de officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland, indien niet of niet volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 26 en 27 heeft plaatsgevonden, bij de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waar het adres is van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd een vordering instellen om te worden gemachtigd om per gedraging waarvoor een administratieve sanctie is opgelegd het dwangmiddel gijzeling toe te passen van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, voor ten hoogste één week.

2. [wederpartij] heeft een toevoeging voor rechtsbijstand aangevraagd voor het voeren van verweer tegen een vordering van de officier van justitie tot machtiging om haar te gijzelen op grond van de Wahv.

De raad heeft die aanvraag afgewezen, omdat het hier een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijs aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling. Volgens de raad mag van een rechtzoekende worden verwacht dat hij ter zitting van de kantonrechter zelf verweer voert tegen de vordering tot machtiging om gijzeling toe te passen en daarbij informatie verstrekt over zijn betalings(on)mogelijkheden.

De rechtbank heeft het beroep van [wederpartij] gegrond verklaard en het besluit van 24 april 2014 vernietigd. Zij heeft daartoe overwogen dat het beleid, opgenomen in paragraaf 2 van de Werkinstructie, op grond waarvan geen toevoeging wordt verleend voor verweer in gijzelingszaken, kennelijk onredelijk is.

3. De raad betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot voormeld oordeel is gekomen. Daartoe wordt aangevoerd dat de omstandigheid dat, naar de rechtbank heeft overwogen, in een gijzelingszaak niet alleen feitelijke maar ook juridische argumenten kunnen worden aangevoerd die niet op voorhand kansloos zijn, niet zonder meer tot de conclusie leidt dat bijstand van een advocaat noodzakelijk is. Verder wordt aangevoerd dat gesteld noch gebleken is dat de vordering tot een machtiging tot gijzeling niet zou zijn afgewezen als [wederpartij] zelf ter zitting zou hebben toegelicht dat zij, gelet op haar inkomen, de opgelegde financiële sancties niet kan betalen.

3.1. De raad voert het beleid dat voor het verweer tegen de vordering tot gijzeling geen toevoeging wordt verstrekt. Dit beleid is ingegeven door de wens het systeem van rechtsbijstandsverlening financieel beheersbaar te houden. In dat verband heeft de raad ter zitting uiteengezet dat er ten tijde van de totstandkoming van het beleid bij het Centraal Justitieel Incasso Bureau ongeveer 65.000 zaken in behandeling waren waarin het voornemen bestond een vordering om een machtiging tot gijzeling in te stellen en in potentie in al deze zaken om een toevoeging zou kunnen worden gevraagd. In de toelichting op het beleid, zoals door de raad ter zitting nader toegelicht, is vermeld dat het ter zitting bij de kantonrechter in de kern gaat om de vraag of degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd onwillig, dan wel niet bij machte is om de sanctie te voldoen. De Afdeling volgt de raad in zijn standpunt dat betrokkene in het algemeen in staat moet worden geacht zelf zijn financiële situatie toe te lichten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling, zoals een bewindvoerder of een medewerker van het Juridisch Loket. Dat, naar [wederpartij] stelt, bij de kantonrechter niet alleen de financiële situatie van betrokkene aan de orde kan komen, maar ook de meer juridische vraag of is voldaan aan de voorwaarden voor het toewijzen van een vordering tot een machtiging voor het toepassen van gijzeling, maakt dit naar het oordeel van de Afdeling niet anders, omdat de kantonrechter deze voorwaarden ambtshalve moet onderzoeken. Het vorenstaande laat evenwel onverlet dat zich gevallen kunnen voordoen waarin als gevolg van bijzondere persoonlijke omstandigheden, zoals een uitzichtloze situatie of ernstige geestelijke of maatschappelijke problemen, van degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij, zo nodig met bijstand van een derde, zijn situatie bij de kantonrechter toelicht. In een dergelijk geval dient de raad te onderzoeken of zich de in het beleid genoemde situatie voordoet waarin er een veelheid van zaken is en het gaat om het op de rails zetten van het leven van rechtzoekende. Volgens het beleid is dat een reden om een toevoeging te verstrekken. Doet de in het beleid bedoelde situatie zich niet voor, dan geldt dat, nu het gaat om een beleidsregel, de raad op grond van artikel 4:84 van de Awb dient te onderzoeken of zich bijzondere - bij het opstellen van het beleid niet verdisconteerde - omstandigheden voordoen die ertoe nopen dat wordt afgeweken van het beleid. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling anders dan de rechtbank van oordeel dat de raad, gelet op de mogelijkheid die het beleid biedt om in bepaalde gevallen toch een toevoeging te verstrekken alsmede de mogelijkheid die artikel 4:84 van de Awb de raad biedt om in bijzondere gevallen in afwijking van het beleid te handelen, in redelijkheid tot het vaststellen van dit beleid heeft kunnen komen.

Het betoog slaagt.

3.2. Nu het beleid van de raad de toetsing in rechte kan doorstaan en [wederpartij] geen feiten of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan de raad in haar geval van dat beleid had moeten afwijken, is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen komen tot een afwijzing van haar aanvraag om een toevoeging.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 24 april 2014 van de raad alsnog ongegrond verklaren. Gelet op het vorenstaande komt de Afdeling tot het oordeel dat aan het besluit van 15 december 2014, dat ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is genomen, de grondslag is komen te ontvallen. Om die reden zal dat besluit worden vernietigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 november 2014 in zaak nr. 14/3633;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. vernietigt het besluit van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand van 15 december 2014, kenmerk 141012/4KO6646/CdJ.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, griffier.

w.g. Slump w.g. Wieland

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2015

502.