Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2709

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2015
Datum publicatie
26-08-2015
Zaaknummer
201403360/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2012 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor een geitenhouderij aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403360/1/R2.

Datum uitspraak: 26 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (hierna: MOB), gevestigd te Nijmegen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2012 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor een geitenhouderij aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 13 maart 2014 heeft het college het door MOB hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft MOB beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 april 2015, waar het college, vertegenwoordigd door H.G. Bos, werkzaam bij de provincie, is verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend.

Er zijn stukken ontvangen van het college. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Met toestemming van partijen is afgezien van verdere behandeling van de zaak ter zitting.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. MOB stelt zich op het standpunt dat haar bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. Daartoe betoogt zij dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim is geweest bij het na afloop van de termijn indienen van haar bezwaren. Zij betoogt dat geen kennisgeving van de vergunningverlening heeft plaatsgevonden op de provinciale website, terwijl dat wel gebruikelijk is. MOB voert hiertoe aan dat zij geen kennisgeving van de vergunningverlening op de provinciale website heeft aangetroffen.

2. Het college stelt zich op het standpunt dat kennisgeving van de vergunningverlening als bedoeld in artikel 42 van de Nbw 1998 heeft plaatsgevonden in het huis-aan-huisblad ‘Hofweekblad’. Daarnaast stelt het college dat tevens digitale kennisgeving van de vergunningverlening heeft plaatsgevonden op de provinciale website. Gelet op het vorenstaande is het bezwaar volgens het college terecht niet-ontvankelijk verklaard.

3. Ingevolge artikel 42, derde lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, wordt van een besluit tot verlening van de vergunning als bedoeld in artikel 19d door het orgaan dat tot verlening van de vergunning bevoegd is, kennis gegeven in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze. Volstaan kan worden met vermelding van de zakelijke inhoud.

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8 van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 3:41 van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4. Aan [vergunninghoudster] is bij besluit van 17 december 2012 een vergunning krachtens de Nbw 1998 verleend. Dit besluit is op 18 december 2012 door toezending aan [vergunninghoudster] bekendgemaakt. De termijn waarbinnen een bezwaarschrift kon worden ingediend, eindigde derhalve op 30 januari 2013. MOB heeft een jaar later op 30 januari 2014 kennis genomen van de bij besluit van 17 december 2012 verleende vergunning. Zij heeft de volgende dag bij brief van 31 januari 2014 hiertegen alsnog bezwaar gemaakt. Het college heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

5. De Afdeling stelt vast dat het bezwaar van MOB buiten de daarvoor geldende termijn van zes weken is gemaakt. De Afdeling ziet zich gesteld voor de vraag of grond kan worden gezien voor het oordeel dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is op de voet van artikel 6:11 van de Awb en overweegt daartoe het volgende.

Niet in geschil is dat kennisgeving van het besluit van 17 december 2012 heeft plaatsgevonden in het huis-aan-huisblad ‘Hofweekblad’. Evenmin is in geschil dat het in de praktijk van het college gebruikelijk is dat tevens kennisgeving van krachtens de Nbw 1998 verleende vergunningen plaatsvindt op de provinciale website. Het college heeft toegelicht dat hij heeft gehandeld in overeenstemming met deze praktijk en dat kennisgeving van het besluit van 17 december 2012 tevens op de provinciale website heeft plaatsgevonden. Ter staving hiervan heeft het college verscheidene schermafdrukken overgelegd van het computerprogramma dat wordt gebruikt om documenten en berichten op de provinciale website te plaatsen. Blijkens deze schermafdrukken is in het computerprogramma onder het tabblad ‘Inhoud’ in het invoerveld ‘Tekst bekendmaking’ een kennisgeving van het besluit van 17 december 2012 ingevoerd. Voorts is onder het tabblad ‘Plus’ bij het invoerveld ‘publicatiedatum’ 19 december 2012 vermeld en bij invoerveld ‘vervaldatum’ 31 januari 2013. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de publicatiedatum de datum is waarop de ingevoerde kennisgeving automatisch op de website verschijnt en dat de vervaldatum de datum is waarop de ingevoerde kennisgeving automatisch van de website wordt geschoond. Daargelaten of het ontbreken van de in de provinciale praktijk gebruikelijke kennisgeving op de provinciale website een grond voor een verschoonbare termijnoverschrijding zou kunnen zijn als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb, heeft het college met het vorenstaande aannemelijk gemaakt dat kennisgeving van het besluit van 17 december 2012 op de provinciale website is geschied. Dat, zoals MOB heeft gesteld en het college heeft beaamd, de pagina waarop de kennisgeving heeft gestaan ruim een jaar na afloop van de bezwaartermijn niet meer op de provinciale website beschikbaar is, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Dit betekent immers niet dat de kennisgeving niet heeft plaatsgevonden op de provinciale website, maar alleen dat oudere kennisgevingen vanwege het hanteren van een vervaldatum daarop niet meer zijn te zien.

Gelet op het vorenstaande geven de door MOB naar voren gebrachte omstandigheden geen grond voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Het college heeft gelet hierop het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog faalt.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Konings

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2015

743.