Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2695

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2015
Datum publicatie
26-08-2015
Zaaknummer
201407117/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Startingerweg te Akersloot - Woonfase 1" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201407117/1/R6.

Datum uitspraak: 26 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Akersloot, gemeente Castricum,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend te Akersloot, gemeente Castricum,

3. [appellant sub 3], wonend te Akersloot, gemeente Castricum,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Castricum,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Startingerweg te Akersloot - Woonfase 1" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 januari 2015, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. A. Vinkenborg, [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], vertegenwoordigd door mr. A. Vinkenborg, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. P.I.M. Houniet, en de raad, vertegenwoordigd door ing. W. Voerman, bijgestaan door ing. C.H. Kooy en J.A. van der Ploeg, adviseurs, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een plan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in 65 woningen op twee locaties aan de Startingerweg te Akersloot.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. [appellant sub 1] heeft de beroepsgrond dat het in opdracht van hem door DPA Cauberg-Huygen opgesteld geluidrapport van 14 mei 2014 (hierna: het geluidrapport van DPA Cauberg-Huygen) ten onrechte niet bij de beantwoording van de zienswijze is betrokken, ter zitting ingetrokken. Eveneens heeft hij het betoog dat de raad er ten onrechte van is uitgegaan dat het Besluit glastuinbouw van toepassing is, ingetrokken.

4. [appellant sub 1], die in de nabijheid van het plangebied een bollenbedrijf exploiteert, kan zich niet verenigen met het plan. Hij betoogt dat in de geluidonderzoeken die aan het plan ten grondslag zijn gelegd van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan. In dit verband verwijst hij naar het geluidrapport van DPA Cauberg-Huygen. [appellant sub 1] betoogt dat de bedrijfssituatie onjuist is beoordeeld. Ten onrechte zijn niet ter plaatse van alle geluidbronnen metingen verricht; sommige geluidbronnen zijn buiten beschouwing gelaten of niet onderkend. In dit verband wijst [appellant sub 1] op de aanwezigheid van ventilatoren, verwarming van de klimaatkamers, het laden en lossen, het achteruitrijden van vrachtwagens en de uitstraling van gesloten geveldelen. Voorts voert [appellant sub 1] aan dat de geluidmetingen ter plaatse van het voorziene appartementencomplex ten onrechte niet zijn verricht op een hoogte van 7,5 m. Hij voert tevens aan dat niet de akoestisch relevante maximale planologische mogelijkheden op zijn perceel bij het onderzoek zijn betrokken. Daarnaast zijn volgens [appellant sub 1] de gevolgen van de voorziene uitbreiding van zijn bedrijf niet in de afweging meegenomen.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uitgebreid onderzoek is verricht naar de geluidsituatie ter plaatse van de voorziene woningen. In de geluidonderzoeken is uitgegaan van de representatieve geluidsituatie en zijn uitsluitend de akoestisch relevante bronnen gemeten, aldus de raad. Daarnaast stelt de raad dat in de latere onderzoeken is gerekend met een ontvangerhoogte van 7,5 m.

4.2. Aan een deel van de gronden in het plangebied zijn de bestemmingen "Woongebouw", "Wonen - A", "Wonen - B" en

"Wonen - C" toegekend.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, van de planregels zijn de voor "Wonen - A" aangewezen gronden bestemd voor:

a. woningen;

(...)

Ingevolge lid 7.2.1, aanhef en onder a, mogen geen vrijstaande (waaronder ook begrepen met het bijgebouw geschakelde woningen) woningen worden gebouwd.

Ingevolge lid 7.5 wordt tot een gebruik strijdig met het bestemmingsplan in ieder geval gerekend het gebruik van woningen voor wonen zonder dat de geluidwerende voorzieningen als genoemd in de bij deze regels behorende bijlage 2 zijn getroffen.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, zijn de voor "Wonen - B" aangewezen gronden bestemd voor:

a. woningen;

(...)

Ingevolge lid 8.2.1, aanhef en onder a, mogen uitsluitend vrijstaande (waaronder ook begrepen met het bijgebouw geschakelde woningen) worden gebouwd.

Ingevolge lid 8.6 wordt tot een gebruik strijdig met het bestemmingsplan in ieder geval gerekend het gebruik van woningen voor wonen zonder dat de geluidwerende voorzieningen als genoemd in de bij deze regels behorende bijlage 2 zijn getroffen.

Ingevolge artikel 9, lid 9.2, zijn de voor "Wonen - C" aangewezen gronden bestemd voor:

a. woningen;

(...)

Ingevolge lid 9.2.1, aanhef en onder a, mogen uitsluitend grondgebonden woningen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1, zijn de voor "Wonen - Woongebouw" aangewezen gronden bestemd voor:

a. woningen;

(...)

Ingevolge artikel 10.2.1, aanhef en onder a, mogen uitsluitend woongebouwen worden gebouwd.

Ingevolge lid 10.5 wordt tot een gebruik strijdig met het bestemmingsplan in ieder geval gerekend het gebruik van woningen voor wonen zonder dat de geluidwerende voorzieningen als genoemd in de bij deze regels behorende bijlage 2 zijn getroffen.

Aan de gronden in de directe nabijheid van het perceel van [appellant sub 1] is de bestemming "Agrarisch - Tuinbouw" toegekend. Aan deze gronden zijn voorts de aanduidingen "wetgevingszone - wijzigingsgebied 1", "wetgevingszone - wijzigingsgebied 2" en "wetgevingszone - wijzigingsgebied 3" toegekend. Ingevolge artikel 3.7, lid 3.7.1, lid 3.7.2 en lid 3.7.3, kan de bestemming "Agrarisch - Tuinbouw" worden gewijzigd in de bestemmingen "Wonen - A", Wonen - B" en "Wonen - Woongebouw".

4.3. Ten behoeve van het plan heeft het geluidBuro in opdracht van de raad akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbelasting op de voorziene woningen. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek V1.1 naar de geluidbelasting vanwege wegverkeer en industrielawaai voor het plangebied Startingerweg, fase 1" van 4 oktober 2012. Voorts is door het geluidBuro specifiek onderzoek verricht naar de geluidbelasting ten gevolge van het bollenbedrijf van [appellant sub 1]. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek V1.1: geluid in de omgeving ten gevolge van [appellant sub 1], [locatie]" van 6 december 2012 (hierna: het akoestisch onderzoek van 6 december 2012). In dit akoestisch onderzoek wordt geconcludeerd dat de voorgeschreven etmaalwaarde van 45 dB(A) zoals opgenomen in het ten tijde van het opstellen van het rapport geldende Besluit landbouw milieubeheer, in een deel van het plangebied wordt overschreden. Ook de contour van 50 dB(A) etmaalwaarde loopt volgens het akoestisch onderzoek van 6 december 2012 door een groot deel van het plangebied. De maximale geluidniveaus zullen volgens het geluidrapport voorts ruimschoots boven de 70 dB(A) komen te liggen. Deze maximale waarden zijn volgens het rapport te hoog om een prettig akoestisch leefklimaat te kunnen waarborgen en zullen mogelijk tot klachten leiden.

Door het geluidBuro is voorts onderzocht wat de akoestische gevolgen zijn voor de voorziene woningen uitgaande van het bouwplan. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Akoestische onderbouwing V1.1, bestemmingsplan bouwplan voorontwerp; beoordeling goede ruimtelijke ordening; Startingerweg fase 1" van 21 februari 2013. Hierin worden enkele oplossingsrichtingen weergegeven om ter plaatse van de woningen tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te komen. Geconcludeerd wordt dat een combinatie van overdrachts- en bronmaatregelen noodzakelijk zal zijn.

Voorts zijn door het geluidBuro twee aanvullende notities opgesteld, te weten "Akoestiek stedenbouwkundig ontwerp plan Startingerweg fase 1" van 8 juli 2013 en "Akoestiek stedenbouwkundig ontwerp plan Startingerweg fase 1 model 4" van 16 december 2013. In de notities is opgenomen welke gevels van de woningen als dove gevel dienen te worden uitgevoerd en welke aanvullende maatregelen kunnen worden getroffen. Indien de maatregelen worden uitgevoerd kan volgens de notities ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gerealiseerd.

4.4. Met betrekking tot het betoog dat niet alle relevante geluidbronnen bij het onderzoek zijn betrokken, heeft ing. C.H. Kooy van het geluidBuro ter zitting toegelicht dat de akoestisch adviseur ter plaatse in overleg met [appellant sub 1] heeft bezien welke bronnen akoestisch relevant zijn. Die geluidbronnen zijn bij het onderzoek meegenomen. De uitstraling van gesloten geveldelen is niet als akoestisch relevant beoordeeld. Het achteruitrijden van de vrachtwagens vindt zo kort plaats dat dit evenmin een akoestisch relevante bron is, zo heeft ing. C.H. Kooy ter zitting uiteengezet. Het laden en lossen vindt volgens hem uitsluitend overdag plaats en heeft een zeer beperkte bijdrage aan de etmaalwaarde. Voor zover [appellant sub 1] heeft gewezen op de aanwezige klimaatkamers staat in het akoestisch onderzoek van 6 december 2012 vermeld dat het gebruik van de klimaatkamers akoestisch niet relevant is. Ten aanzien van de ventilatoren staat in het akoestisch onderzoek van 6 december 2012 vermeld dat er in de schuur vijf circulatieventilatoren aanwezig zijn. Van deze ventilatoren is er één gericht op het rooster in de noordgevel. Deze ventilator is in het akoestisch onderzoek daarom relevant geacht voor de geluidbelasting. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat alle akoestisch relevante geluidbronnen bij de akoestische onderzoeken zijn betrokken. Het betoog faalt.

4.5. Ten aanzien van het betoog dat in het akoestisch onderzoek van 6 december 2012 de geluidbelasting niet op een hoogte van 7,5 meter is gemeten, heeft de raad uiteengezet dat de mogelijkheid om appartementengebouwen te realiseren pas in een later stadium in het plan is opgenomen. In de latere akoestische onderzoeken is wel op deze hoogte gemeten. Ter zitting heeft ing. C.H. Kooy voorts toegelicht dat tussen de metingen op een hoogte van 5 meter en 7,5 meter geen relevante verschillen naar voren komen. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat in de geluidonderzoeken in zoverre van een onjuist uitgangspunt is uitgegaan. Het betoog faalt.

4.6. Met betrekking tot het betoog dat een onjuiste reflectiefactor voor bebouwing is gehanteerd, staat in het verweerschrift vermeld dat de reflectiefactor per abuis onjuist is vastgesteld. Dit heeft volgens de raad evenwel geen invloed op de resultaten van de berekeningen. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding hieraan te twijfelen. Het betoog faalt.

4.7. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] dat niet de akoestisch relevante maximale planologische mogelijkheden op zijn perceel in het onderzoek zijn bezien, heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat is uitgegaan van de maximale mogelijkheden in het rooiseizoen. Volgens de raad is het rooiseizoen akoestisch het meest relevant en is daarmee in zoverre uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het plan. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de geluidbelasting buiten het rooiseizoen aanmerkelijk lager is. [appellant sub 1] heeft zijn betoog op dit punt niet nader geconcretiseerd. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het akoestisch onderzoek is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Het betoog faalt.

4.8. Ten aanzien van het betoog dat de maximale geluidniveaus in de nachtperiode ten onrechte zijn uitgesloten van de beoordeling staat in het verweerschrift vermeld dat er onderscheid is gemaakt tussen vaste en mobiele geluidbronnen. Deze mobiele geluidbronnen hoeven op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet bij het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau te worden betrokken, maar zijn, anders dan [appellant sub 1] veronderstelt, in het kader van de goede ruimtelijke ordening wel bij de beoordeling betrokken. Het betoog mist in zoverre derhalve feitelijke grondslag.

4.9. Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat de voorziene uitbreiding van zijn bedrijf onvoldoende bij de geluidonderzoeken is betrokken, staat in het onderzoek van het geluidBuro van 21 februari 2013 vermeld dat een prognose is gemaakt van de geluidbelasting van de voorgenomen uitbreiding. Daarbij is er van uitgegaan dat ter plaatse van de uitbreiding dezelfde soort werkzaamheden zullen worden uitgevoerd die thans worden verricht. In het onderzoek staat voorts vermeld dat bij de beoordeling van de uitbreiding is uitgegaan van een aantal bronmaatregelen. Ter zitting is gebleken dat reeds een vergunning is verleend ten behoeve van de uitbreiding van het bedrijf, waarin deze bronmaatregelen zijn voorgeschreven. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de voorgenomen uitbreiding van het bedrijf onvoldoende bij de geluidonderzoeken is betrokken. Het betoog faalt.

4.10. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de raad de geluidonderzoeken niet in redelijkheid aan de besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen.

5. [appellant sub 1] betoogt verder dat de regeling in het plan ten aanzien van de dove gevels rechtsonzeker is. Uit de bijlage bij de planregels blijkt volgens hem onvoldoende welke voorzieningen dienen te worden getroffen. Voorts is het begrip dove gevel volgens [appellant sub 1] ten onrechte niet gedefinieerd. Hij betoogt dat niet is gewaarborgd dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd ter plaatse van de voorziene woningen. In dit verband wijst [appellant sub 1] ook op de buitenruimten bij de voorziene woningen.

5.1. Ten aanzien van de regeling omtrent dove gevels heeft de raad uiteengezet dat de precieze randvoorwaarden en voorzieningen duidelijk worden bij de stedenbouwkundige invulling van het plan. Met de voorwaardelijke verplichting is volgens de raad gewaarborgd dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd ter plaatse van de woningen en de buitenruimten bij de woningen.

5.2. Vast staat dat de geluidbelasting op een deel van de woningen zonder het treffen van maatregelen te hoog zal zijn om aan het Activiteitenbesluit te kunnen voldoen. Voorts is niet in geschil dat zonder het treffen van maatregelen de geluidbelasting te hoog zal zijn om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te realiseren. In artikel 7, lid 7.5, artikel 8, lid 8.6, en artikel 10, lid 10.5, van de planregels zijn voorwaardelijke verplichtingen opgenomen op grond waarvan de geluidwerende voorzieningen als genoemd in de notities die als bijlage 2 bij de planregels zijn gevoegd, dienen te worden getroffen bij het realiseren van de woningen. In de notities is weliswaar enige flexibiliteit geboden in verband met de precieze indeling van het plangebied, maar in de notities is aangegeven welke gevels als dove gevel dienen te worden uitgevoerd. In bijlage 2 bij de planregels is een dove gevel gedefinieerd als een gevel zonder te openen ramen en delen zoals ventilatievoorzieningen in gevels die grenzen aan geluidgevoelige ruimten. Wanneer een geluidgevoelige ruimte aanwezig is, mogen er wel ramen en deuren aanwezig zijn in een geluidwerende gevel, maar deze mogen niet worden geopend. Met deze definitie is aangesloten bij de Wet geluidhinder. Anders dan [appellant sub 1] betoogt, is hiermee naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk wat onder een dove gevel dient te worden verstaan. Daarnaast dienen op grond van bijlage 2 bij de planregels geluidluwe gevels te worden gerealiseerd. Ter zitting is door ing. C.H. Kooy toegelicht dat door het realiseren van de geluiddove en geluidluwe gevels ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Voorts heeft hij uiteengezet dat door de buitenruimten van de woning aan de zijde van de geluidluwe gevel te realiseren ter plaatse van deze buitenruimten eveneens een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. [appellant sub 1] heeft dit op zichzelf niet bestreden.

Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit de in het plan opgenomen voorwaardelijke verplichtingen en de notities in bijlage 2 bij de planregels voldoende duidelijk dat en welke maatregelen dienen te worden getroffen. In het aangevoerde ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat de in artikel 7, lid 7.5, artikel 8, lid 8.6, en artikel 10, lid 10.5, van de planregels opgenomen voorwaardelijke verplichtingen onvoldoende rechtszeker zijn. Evenmin ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat na het uitvoeren van de maatregelen geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Het betoog faalt.

6. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B]

7. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], die in de nabijheid van het plangebied wonen, kunnen zich niet verenigen met het plan. Zij betogen dat het plan niet past binnen de bestaande ruimtelijke structuur. De woningen worden gerealiseerd op korte afstand van de Westerweg, hetgeen volgens [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] de aldaar aanwezige lintbebouwingsstructuur aantast. Volgens hen vormen de voorziene woningen geen toevoeging aan het bestaande lint. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen verder dat het plan ten onrechte niet voorziet in een groenstrook met ruimte voor een watergang tussen de lintbebouwing aan de Westerweg en de voorziene woningen. De voorziene inrichting van het plangebied vormt volgens hen een onevenredige inbreuk op hun woongenot en privacy. Voorts vrezen zij wateroverlast ten gevolge van de ophoging van de gronden in het plangebied. Tot slot betogen [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende is gewaarborgd. Volgens hen is het woningbouwplan gebaseerd op een stedenbouwkundige visie van voor de economische crisis.

7.1. De raad heeft uiteengezet dat is beoogd het plan in te passen in de bestaande ruimtelijke structuur. De bebouwing vormt volgens de raad een logisch vervolg op de bestaande bebouwingsstructuren. Het stedenbouwkundig ontwerp gaat uit van een geleidelijke overgang van bebouwd naar onbebouwd gebied. Voorts zijn de woningen volgens de raad aangepast aan de woningtypologieën die ter plaatse van de lintstructuur aan onder meer de Westerweg voorkomen. De raad heeft voorts uiteengezet dat op een aantal locaties in het plangebied groenvoorzieningen zullen worden gerealiseerd. Ten aanzien van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] heeft de raad naar voren gebracht dat de dichtstbijzijnde woning op een afstand van 20 m zal worden gerealiseerd. Er zal geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van de privacy. Wat betreft de gevreesde wateroverlast heeft de raad naar voren gebracht dat in het plangebied voldoende ruimte is voor compensatie en natuurlijke afwatering. Voorts wijst de raad erop dat het Hoogheemraadschap Noord-Hollands Noorderkwartier met het plan heeft ingestemd. De raad heeft verder uiteengezet dat, nu het kostenverhaal anderszins is verzekerd, geen exploitatieplan behoefde te worden vastgesteld. De financiële uitvoerbaarheid volgt volgens de raad uit de sluitende grondexploitatie die is gebaseerd op recente marktonderzoeken.

7.2. Ten aanzien van het betoog omtrent de stedenbouwkundige inpassing staat in de plantoelichting vermeld dat de traditionele manier van verkavelen op de strandwal als uitgangspunt is genomen. Bij de traditionele manier van verkavelen wordt in eerste instantie gebruik gemaakt van de bestaande linten. Bij de uitbreiding van het bebouwingslint is aansluiting gezocht bij de bestaande karakteristieken door toevoeging van vrijstaande woningen, zo staat in de plantoelichting vermeld. Deze bebouwing is georiënteerd op het lint. Aan het achterliggende veld wordt een afwijkende invulling gegeven door de introductie van afwijkende woningtypologieën. Daarbij wordt aangesloten bij de ter plaatse aanwezige verkavelingsrichting in oost-west richting. Voorts staat in de plantoelichting vermeld dat op grond van het stedenbouwkundig plan achter de lintbebouwing in beginsel een veelheid aan woningtypologieën kan worden ontwikkeld. De basis wordt gevormd door rijwoningen en appartementen in woongebouwen. De typologie van de invulling van het bebouwingslint en de typologie van de woningen achter het bebouwingslint is daarmee verschillend, hetgeen de beleving van het bebouwingslint versterkt, aldus de plantoelichting. De woningbouw in het lint bestaat in principe uit één laag met een kap haaks op het lint. Deze woningen hebben een maximale bouwhoogte van 10 m. De helling van de kap van de lintbebouwing is relatief steil. De woningen achter de lintbebouwing bestaan volgens de plantoelichting hoofdzakelijk uit twee lagen met een kap, waarbij de dakhelling van de kap relatief vlak is. Het in het plan voorziene appartementengebouw mag uit drie lagen bestaan. De derde laag bevindt zich evenwel deels in de kap. Ingevolge artikel 10, lid 10.2.1, aanhef en onder f, van de planregels bedraagt de maximale bouwhoogte van de woongebouwen 11 m. Met het plan wordt een grotendeels open gebied achter bestaande lintbebouwing verdicht. Daarnaast wordt de lintstructuur via de wijzigingsbevoegdheid in het plan beperkt verlengd. Gelet op het voorstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan aansluit bij de bestaande bebouwingsstructuur. Daarbij is van belang dat de gronden ten noorden van het plangebied reeds volledig zijn verdicht. Het betoog faalt.

7.3. Met betrekking tot het betoog omtrent de aantasting van de privacy stelt de Afdeling vast dat aan de gronden direct achter het perceel van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" is toegekend. Aan de gronden daarachter is de bestemming "Wonen - A" toegekend.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, van de planregels zijn de voor "Wonen - A" aangewezen gronden bestemd voor woningen.

Ingevolge lid 7.2.1, aanhef en onder e, van de planregels mag de bouwhoogte van hoofdgebouwen niet meer bedragen dan 10 m.

Niet is uitgesloten dat de privacy van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] ten gevolge van het plan in enige mate zal worden aangetast. De afstand van de woning van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tot de dichtstbijzijnde in het plan voorziene woning bedraagt 20 m. Uit het verweerschrift volgt voorts dat in het plan rekening is gehouden met de privacy van omwonenden door de woningen zo veel mogelijk rug-aan-rug te bouwen. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan voorziene woningen de privacy van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] niet onevenredig zullen aantasten. Het betoog faalt.

7.4. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] dat achter hun perceel groenvoorzieningen dienen te worden gerealiseerd, stelt de Afdeling vast dat in het plangebied aan een aantal percelen de bestemming "Groen" is toegekend, teneinde groenvoorzieningen te realiseren. Ter plaatse van de gronden achter de percelen aan de Westerweg is niet voorzien in groenvoorzieningen. Gelet op hetgeen is overwogen in 7.3 ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan noodzakelijk is om groenvoorzieningen te realiseren achter het perceel van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B]. Het betoog faalt.

7.5. In de plantoelichting zijn de waterhuishoudkundige gevolgen van het plan beschreven. Ervan uitgaande dat het plan een aanzienlijke verharding tot gevolg heeft. Zonder maatregelen zal dit leiden tot een verslechtering van het watersysteem. Volgens de plantoelichting dienen er in het peilgebied compenserende maatregelen te worden getroffen in de vorm van extra wateroppervlak. Uit de plantoelichting volgt voorts dat het plan is voorgelegd aan het Hoogheemraadschap. Volgens het Hoogheemraadschap geeft de ligging van het plangebied in de flank van de strandwal van Akersloot mogelijkheden om compensatie te realiseren in de vorm van infiltratievoorzieningen. De mogelijkheden hiertoe zijn vooral afhankelijk van de grondslag en de grondwaterstand ter plaatse. Door ophoging van het terrein worden deze mogelijkheden verder vergroot, zo staat in de plantoelichting vermeld. Ter zitting heeft de raad uiteengezet dat ophoging van de gronden één van de mogelijkheden is. Van een eventuele ophoging van de gronden zullen [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] volgens de raad vanwege de natuurlijke stroomrichting van het water en de hoogteverschillen geen overlast ondervinden. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de grondwaterstand gelijk zal blijven. Voorts heeft de raad uiteengezet dat het plangebied is gesitueerd in een strandwal. Het is belangrijk dat deze strandwal nat wordt gehouden. Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht dat er kan worden gekozen voor waterdoorlatende bestrating of uitbreiding van de bestaande watergangen. Het Hoogheemraadschap heeft ingestemd met de waterparagraaf, maar heeft aangegeven dat in overleg dient te worden bepaald welke maatregelen precies zullen worden getroffen. De raad heeft toegezegd dat hierover met het Hoogheemraadschap in overleg zal worden getreden. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot wateroverlast. Het betoog faalt.

7.6. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] dat onvoldoende inzichtelijk is of het plan financieel uitvoerbaar is, nu geen financiële delen van een exploitatieplan zijn vastgesteld, overweegt de Afdeling als volgt. De grondexploitatieregels strekken ertoe om in gevallen waarin sprake is van door de gemeente gemaakte exploitatiekosten, deze kosten op de particuliere grondeigenaren binnen het te exploiteren gebied te verhalen. De financiële delen van een exploitatieplan geven in beginsel geen inzicht in de financiële uitvoerbaarheid van de exploitatie. Het niet vaststellen van financiële delen van een exploitatieplan geeft op zichzelf dan ook geen reden om aan de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan te twijfelen. Het betoog faalt.

7.7. Ten aanzien van de marktvraag naar de woningen staat in de plantoelichting vermeld dat in het "Regionaal Actie Programma Woningbouw" is geconcludeerd dat er te weinig woningen worden gerealiseerd in verhouding tot de vraag in de regio Alkmaar en Castricum. Er bestaat een vraagtoename in het aantal eengezins-koopwoningen. De woningen in het plan zijn specifiek gericht op starters en doorstarters. Verder is gebleken dat de vraag naar woningen die zelf kunnen worden ontwikkeld groot is, zo staat in de plantoelichting vermeld. Uit marktonderzoek is voorts gebleken dat er een marktvraag bestaat van zeven woningen per jaar. Uit het verweerschrift volgt dat de "Integrale Stedenbouwkundige visie Startingerweg Akersloot" uit 2008 (hierna: de stedenbouwkundige visies) het uitgangspunt vormt voor de ontwikkeling van het plangebied. Het bouwprogramma en de financiële uitvoerbaarheid worden evenwel periodiek bezien en zo nodig bijgesteld. Hierbij wordt onderzocht of de marktvraag nog actueel is. In de omstandigheid dat de stedenbouwkundige visie het uitgangspunt heeft gevormd voor de beoordeling van de marktvraag ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan financieel uitvoerbaar is. Het betoog faalt.

8. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

9. [appellant sub 3], die in de nabijheid van het plangebied woont, kan zich niet verenigen met het plan. Hij stelt dat een deel van het plangebied is gelegen buiten het bestaand stedelijk gebied als bedoeld in de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (hierna: PRVS). Volgens [appellant sub 3] is niet voldaan aan de afwijkingsregels zoals opgenomen in de PRVS. Het plan is in strijd met artikel 13, tweede lid, onder c, van de PRVS, omdat onvoldoende is aangetoond dat de voorziene woningbouw niet in bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd, aldus [appellant sub 3]. Voorts betoogt hij dat het plan in strijd is met artikel 15, eerste lid, van de PRVS, omdat onvoldoende is aangetoond dat het plan voldoet aan de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (hierna: de Leidraad). In dit verband wijst hij op de waarborgen ten aanzien van stilte en duisternis. Tot slot vreest [appellant sub 3] wateroverlast ten gevolge van de ophoging van de gronden in het plangebied.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet in strijd is met de PRVS. Volgens de raad wordt met het plan tot een goede stedenbouwkundige afronding van de dorpskern gekomen. De raad heeft uiteengezet dat wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 13 van de PRVS om woningen in landelijk gebied te kunnen realiseren. Het plan is volgens de raad niet mogelijk door herstructurering en voorziet in een behoefte. Het plan is voorts met inachtneming van artikel 15 van de PRVS vastgesteld, aldus de raad. Voorts stelt de raad dat de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit van de provincie Noord-Holland een positief advies heeft uitgebracht over de gewijzigde stedenbouwkundige structuur. In de plantoelichting zijn de kernkwaliteiten uit de Leidraad en de wijze waarop hiermee rekening is gehouden beschreven. In de nabijheid van het plangebied zijn geen stiltegebieden gelegen. Evenmin zijn er gebieden waarmee vanwege de duisternis rekening diende te worden gehouden.

9.2. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de PRVS voorziet een bestemmingsplan niet in nieuwe woningbouw in het landelijk gebied.

Ingevolge het tweede lid, kan een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid voorzien in de ontwikkeling van nieuwe woningbouw indien:

a. nieuwe woningbouw in overeenstemming is met de provinciale woonvisie 2010-2020 (vastgesteld bij besluit van 27 september 2010, nr. 62) en de door het college van gedeputeerde staten en de regiogemeenten vastgestelde regionale actie programma’s;

b. nieuwe woningbouw in overeenstemming is met de door het college van gedeputeerde staten vastgestelde provinciale woningbouwmonitor en provinciale woningbouwprognose;

c. nieuwe woningbouw niet kan worden gerealiseerd door herstructureren, intensiveren, combineren of transformeren binnen bestaand bebouwd gebied en;

d. het bepaalde in artikel 15 in acht wordt genomen.

Ingevolge artikel 9 van de PRVS wordt als bestaand bebouwd gebied aangewezen de bestaande of de bij een - op het moment van inwerkingtreding van de verordening - geldend bestemmingsplan toegelaten woon- of bedrijfsbebouwing, uitgezonderd de bebouwing op agrarische bouwpercelen en kassen. Onder toegelaten woon- of bedrijfsbebouwing wordt mede begrepen de daarbij behorende bebouwing ten behoeve van openbare voorzieningen, verkeersinfrastructuur alsmede stedelijk water en stedelijk groen van een stad, dorp of kern.

9.3. Vaststaat dat het zuidelijke deel van de westelijke gronden in het plangebied niet behoort tot bestaand stedelijk gebied. Deze gronden zijn derhalve gelegen in landelijk gebied.

De raad heeft uiteengezet dat er specifiek behoefte bestaat aan woningen in Akersloot. [appellant sub 3] heeft dit niet bestreden. In de plantoelichting staat vermeld dat de potentiële binnenstedelijke bouwlocaties zijn geïnventariseerd in het "Masterplan inbreidingslocaties". Het totale potentiële woningbouwprogramma is geanalyseerd op 105 woningen in Akersloot. Een deel van deze plannen is inmiddels stopgezet, zodat sprake is van een onderplanning. Volgens de raad is uit de inventarisatie naar voren gekomen dat er geen andere geschikte locaties binnen het bestaand stedelijk gebied zijn voor de ontwikkeling van de woningtypen die in het plan mogelijk worden gemaakt. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 13, tweede lid, onder c, van PRVS. Het betoog faalt.

9.4. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de PRVS voldoet een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking als bedoeld in de artikelen 12, 13, 13a en 14 in het landelijk gebied, aan de uitgangspunten zoals vermeld in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (PS d.d. 21 juni 2010) ten aanzien van:

a. de kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen en aardkundige waarden als bedoeld in artikel 8;

b. de kernkwaliteiten van de bestaande dorpsstructuur waaraan wordt gebouwd;

c. de openheid van het landschap daarbij inbegrepen stilte en duisternis;

d. de historische structuurlijnen;

e. cultuurhistorische objecten.

Ingevolge het tweede lid, geeft de toelichting van een bestemmingsplan aan in welke mate ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde functies rekening is gehouden met:

a. de ontwikkelingsgeschiedenis van het landschap;

b. de ordeningsprincipes van het landschap;

c. de bebouwingskarakteristieken (architectuur, stedenbouw, openbare ruimte) ter plaatse;

d. de inpassing van de nieuwe functies in de wijdere omgeving (grotere landschapseenheid);

e. de bestaande kwaliteiten van het gebied (inclusief de ondergrond) als hiervoor bedoeld en de maatregelen die nodig zijn om negatieve effecten op deze kwaliteiten op te heffen in relatie tot de nieuwe functies.

Ingevolge het derde lid wordt in het kader van de bestemmingsplanprocedure als bedoeld in het eerste lid wordt de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO) om advies gevraagd over plannen met grote impact.

Ingevolge het vierde lid kan het college van gedeputeerde staten nadere regels stellen ten aanzien van de uitgangspunten als bedoeld in het eerste lid teneinde te garanderen dat de ruimtelijke kwaliteit toeneemt.

9.5. In de Leidraad staat vermeld dat de kernkwaliteit stilte deel dient uit te maken van de afweging rond ontwikkelingen in buitenstedelijk gebied. Daarbij wordt gekeken naar de gevolgen voor ruimtelijke ontwikkelingen op de stiltegebieden. Voorts staat in de Leidraad vermeld dat de kernkwaliteit donkerte deel uit dient te maken van de afweging rond ontwikkelingen in buitenstedelijk gebied. Daarbij dient extra aandacht te worden besteed aan gebieden die nu relatief donker zijn, zoals stiltegebieden, Natura 2000-gebieden en de Ecologische Hoofdstructuur.

In de plantoelichting staat vermeld dat in de directe nabijheid van het plangebied geen aangewezen stiltegebieden zijn gelegen waarmee rekening diende te worden gehouden. Het gebied is evenmin gelegen in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied of de Ecologische Hoofdstructuur. De raad heeft er voorts op gewezen dat het plangebied grotendeels is omsloten door bebouwd gebied, zodat niet is te verwachten dat het plan een grote invloed zal hebben op de duisternis en donkerte van de omgeving. Gelet op het vorenstaande hebben de aspecten stilte en donkerte deel uitgemaakt van de afweging van de raad. In het aangevoerde ziet de Afdeling voorts geen grond voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 15 van de PRVS is vastgesteld. Het betoog faalt.

10. [appellant sub 3] vreest voorts wateroverlast ten gevolge van het plan door ophoging van het plangebied. Gelet op hetgeen de Afdeling in r.o. 7.6 heeft overwogen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot wateroverlast.

11. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Brand, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Brand

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2015

575.