Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2692

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2015
Datum publicatie
26-08-2015
Zaaknummer
201500817/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 april 2013 heeft de raad een verzoek van de maatschap om vergoeding van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/894
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500817/1/A2.

Datum uitspraak: 26 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Aalten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 december 2014 in zaak nr. 14/1686 in het geding tussen:

de maatschap

en

de raad van de gemeente Aalten.

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2013 heeft de raad een verzoek van de maatschap om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 21 januari 2014 heeft de raad het door de maatschap daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 december 2014 heeft de rechtbank het door de maatschap daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de maatschap hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juli 2015, waar de maatschap, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en door ir. E.G.J. Schuerink, adviseur te Terborg, vergezeld door ing. R.B.M. Aagten, deskundige, en de raad, vertegenwoordigd door M. Oldenboom, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Ingevolge artikel 49, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die bepaling tot 1 september 2005 luidde, kent de gemeenteraad een belanghebbende op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, voor zover blijkt dat hij ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

3. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op de voet van artikel 49 van de WRO dient te worden onderzocht of de verzoeker als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de planologische maatregel, waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kan, onderscheidenlijk kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts indien realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van dit uitgangspunt afgeweken moet worden.

4. De maatschap is exploitante van een agrarisch bedrijf met vleesvarkens, melkkoeien en bijbehorend jongvee (hierna: het agrarisch bedrijf) op het perceel aan de [locatie] te Aalten (hierna: het perceel). Zij heeft de raad verzocht om vergoeding van planschade, bestaande in de kosten van extra geurbeperkende maatregelen en de beperking van de uitbreidingsmogelijkheden van het agrarisch bedrijf, die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de inwerkingtreding van de bestemmingsplannen Kobus en Kobus II (hierna: de nieuwe bestemmingsplannen). Deze bestemmingsplannen zijn de planologische basis voor het realiseren van woonwijken op de voorheen voor agrarische doeleinden bestemde gronden ten noorden en noordoosten van het perceel.

5. De raad heeft aan het besluit van 16 april 2013 een advies van Van Oosten Planschade Advies (hierna: Van Oosten) van 20 december 2012 ten grondslag gelegd. In dat advies is een vergelijking gemaakt tussen het regime van de nieuwe bestemmingsplannen en dat van het onmiddellijk daaraan voorafgaande planologische regime. Uit deze vergelijking is de conclusie getrokken dat de inwerkingtreding van de nieuwe bestemmingsplannen voor de maatschap niet tot een planologische verslechtering heeft geleid. Daartoe is in het advies onder meer vermeld dat de nieuwe woonwijken zich op een kortste afstand van ongeveer 255 m van de noordelijke grens van het perceel en ongeveer 345 m van de huisplaats van het perceel bevinden, dat de huidige bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf niet door de nieuwe woonwijken wordt belemmerd, dat de uitbreiding van het agrarisch bedrijf aan de oostelijke en noordoostelijke zijde van het perceel reeds wordt beperkt door de ligging van de woning aan de Akkermateweg 2 op geringere afstand van het bedrijf dan de nieuwe woonwijken en dat het bedrijf aan de noordelijke zijde van het perceel geen mogelijkheden tot uitbreiding heeft, omdat een bestaande stal zich op de grens van het bouwvlak bevindt en buiten het bouwvlak geen gebouwen zijn toegestaan.

6. De maatschap betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat de raad heeft miskend dat situeringswaarde van het agrarisch bedrijf ten gevolge van de planologische verandering is aangetast. Daartoe voert zij aan dat de planologische verandering ertoe heeft geleid dat het agrarisch bedrijf zich dichter bij de bebouwde kom van Aalten bevindt en dat dit een planologische verslechtering is.

6.1. Dat, zoals de raad in het besluit van 21 januari 2014, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste voorstel van burgemeester en wethouders van 10 december 2013, heeft gesteld, de waarde van een bedrijfsobject primair aan de aanwendingsmogelijkheden van dat object wordt ontleend, sluit niet uit dat in voorkomende gevallen ook andere schadefactoren van invloed op die waarde kunnen zijn.

In bezwaar en beroep heeft de maatschap uiteengezet dat de waarde van het agrarisch bedrijf onder meer door de afstand tot de bebouwde kom van Aalten wordt bepaald en dat deze situeringswaarde ten gevolge van de planologische verandering is aangetast. Uit het advies van 20 december 2012 valt niet af te leiden dat Van Oosten dit heeft onderzocht. In dat advies is slechts vermeld dat de situeringswaarde van de bij het agrarisch bedrijf behorende bedrijfswoning niet ten gevolge van de planologische verandering is aangetast. De raad heeft verzuimd een aanvullend advies in te winnen over de betekenis van de planologische verandering voor de situeringswaarde van het agrarisch bedrijf. Met situeringswaarde wordt in dit geval bedoeld dat een redelijk denkend en handelend koper voor het agrarisch bedrijf minder zal willen betalen dan onder het oude planologische regime omdat de bebouwde kom van Aalten door de komst van de woonwijken dichter bij het agrarisch bedrijf is komen te liggen. Derhalve is niet inzichtelijk gemaakt of de maatschap in dit opzicht niet in een nadeliger planologische positie is komen te verkeren.

Het betoog slaagt.

7. De maatschap betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte onder verwijzing naar artikel 6, tweede lid, van de bij het oude bestemmingsplan behorende voorschriften (hierna: de oude planvoorschriften) heeft overwogen dat de raad, bij de planvergelijking en bij het bepalen van de voor het agrarisch bedrijf geldende stankcirkel, de op een afstand van 135 m van het bedrijf gelegen woning aan de Akkermateweg 2 terecht als burgerwoning heeft aangemerkt. Daartoe voert zij aan dat bij toepassing van artikel 6, tweede lid, van de oude planvoorschriften de agrarische bestemming van de betrokken woning niet wordt gewijzigd, dat niet duidelijk is of ten tijde van de inwerkingtreding van de nieuwe bestemmingsplannen was voldaan aan de vereisten voor toepassing van deze bepaling en dat geen gebruik is gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid, als bedoeld in artikel 11 van de WRO.

7.1. Het perceel aan de Akkermateweg 2 was ten tijde van de inwerkingtreding van de nieuwe bestemmingsplannen als agrarisch gebied met huisplaats bestemd.

7.2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de oude planvoorschriften is het verboden onbebouwde grond en opstallen te gebruiken in strijd met de bij de bestemming tot agrarisch gebied omschreven gebruiksdoeleinden.

Ingevolge het tweede lid mogen, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, ingeval van bedrijfsbeëindiging de grond en de bedrijfswoningen, gelegen binnen de huisplaats, worden gebruikt voor

niet-agrarische bewoning met tuin.

7.3. Dat de woning aan de Akkermateweg 2, gelet op deze bepalingen, bij bedrijfsbeëindiging een agrarische bestemming behoudt, laat onverlet dat de woning in dat geval bij recht als burgerwoning mag worden gebruikt. Voorts is de feitelijke situatie in beginsel niet van belang voor de planvergelijking. Voor zover de woning ten tijde van de inwerkingtreding van de nieuwe bestemmingsplannen nog voor bedrijfsmatige activiteiten werd gebruikt, betekent dat niet dat, ten tijde van het oude planologische regime, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was uitgesloten dat het bedrijf zou worden beëindigd en de woning aansluitend in overeenstemming met artikel 6, tweede lid, van de oude planvoorschriften zou worden gebruikt. In het betoog van de maatschap is geen grond te vinden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de raad de woning terecht als burgerwoning heeft aangemerkt.

Het betoog faalt.

8. De maatschap betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen concrete aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de uitbreidingsmogelijkheden van het agrarisch bedrijf ook verder worden beperkt door de nieuwe woonwijken in het geval de woning aan de Akkermateweg 2 als burgerwoning wordt aangemerkt. Daartoe voert zij aan dat voor de beoordeling van de ten tijde van de inwerkingtreding van de nieuwe bestemmingsplannen van de inrichting te duchten geuroverlast van de inrichting de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de richtlijn) als uitgangspunt dient te worden genomen. Vervolgens voert zij aan dat uit de bij de richtlijn behorende afstandsgrafiek blijkt van de minimale afstand tussen een geurgevoelig object en een veehouderij, afhankelijk van het aantal mestvarkenseenheden, waarbij dient te worden uitgegaan van de afstand tussen de buitenzijde van het geurgevoelig object en het dichtst bij dit object gelegen emissiepunt van de veehouderij. Voorts voert zij aan, onder verwijzing naar een memorandum van Geling Advies van 26 januari 2015, dat de uitbreidingsmogelijkheden zouden kunnen worden vergroot door het in westelijke richting verplaatsen van de emissiepunten, maar dat de manoeuvreerruimte voor het strategisch situeren van de emissiepunten nadelig wordt beïnvloed door de nieuwe bestemmingsplannen.

8.1. Niet in geschil is dat de afstand van de emissiepunten tot de woning aan de Akkermateweg 2 kan worden vergroot door de emissiepunten in westelijke richting te verplaatsen. Dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, die afstand in dat geval nog steeds korter is dan de afstand van de emissiepunten tot de nieuwe woonwijken, laat onverlet dat zij niet heeft onderkend dat, gelet op het volgende, de raad niet deugdelijk heeft toegelicht dat de uitbreidingsmogelijkheden van het agrarisch bedrijf hoe dan ook door de woning aan de Akkermateweg 2 worden beperkt.

8.2. Ter zitting van de Afdeling heeft de maatschap uiteengezet dat krachtens de ten tijde van de inwerkingtreding van de nieuwe bestemmingsplannen geldende milieuvergunning een veebestand met een geuremissie van 1.956 mestvarkenseenheden (hierna: mve) mocht worden gehouden, dat uit de bij de richtlijn behorende afstandsgrafiek valt af te leiden dat bij een geuremissie van deze omvang de minimale afstand van een emissiepunt tot een geurgevoelig object onderscheidenlijk 353 m (categorie I), 285 m (categorie II), 181 m (categorie III) en 120 m (categorie IV) was, dat de woning aan de Akkermateweg 2 zich op een afstand van 156 m tot het dichtstbijzijnde emissiepunt bevindt, dat die afstand door het verplaatsen van de emissiepunten in westelijke richting tot 240 m kan worden vergroot en dat daardoor een veebestand met een geuremissie van 3.830 mve zou mogen worden gehouden. Omdat voor een geuremissie van deze omvang een minimale afstand tot de nieuwe woonwijken (categorie I) van 482 m nodig is, maar de woonwijken zich gedeeltelijk binnen die afstand bevinden, kan niet meer aan die eis worden voldaan, zodat de uitbreidingsmogelijkheden van het agrarisch bedrijf volgens de maatschap wel degelijk door de woonwijken worden beperkt.

8.3. Uit het besluit van 21 januari 2014, gelezen in samenhang met het besluit van 16 april 2013, blijkt niet dat de raad heeft onderzocht of, rekening houdend met de ten tijde van de inwerkingtreding van de nieuwe bestemmingsplannen toepasselijke milieuregelgeving, vanaf de in westelijke richting te verplaatsen emissiepunten dezelfde minimale afstand tot de woning aan de Akkermateweg 2 in acht dient te worden genomen als tot de dichtst bijgelegen woning van de nieuwe woonwijken. Voor zover die minimale afstand, gelet op een verschil in categorie-indeling, kleiner is, is niet inzichtelijk gemaakt dat de maatschap ten gevolge van de inwerkingtreding van de nieuwe bestemmingsplannen niet in een nadeliger planologische positie is komen te verkeren. Op voorhand valt niet uit te sluiten dat de maatschap onder het nieuwe planologische regime niet in dezelfde mate als onder het oude planologische regime een toename van de maximale geuremissie door het verplaatsen van de emissiepunten kan realiseren en dat de uitbreidingsmogelijkheden van het agrarisch bedrijf door de woonwijken worden beperkt.

Het betoog slaagt.

9. De conclusie is dat het besluit van 21 januari 2014, in strijd met artikel 7:12 van de Awb, niet toereikend is gemotiveerd. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de door haar vastgestelde gebreken in dat besluit binnen dertien weken na verzending van deze tussenuitspraak te herstellen door dat besluit alsnog toereikend te motiveren en zo nodig te wijzigen. Daartoe dient de raad te laten onderzoeken of de planologische verandering tot een aantasting van de situeringswaarde van het agrarisch bedrijf heeft geleid. Voorts dient de raad, te laten onderzoeken of de planologische verandering, rekening houdend met de ten tijde van de inwerkingtreding van de nieuwe bestemmingsplannen toepasselijke milieuregelgeving, tot een beperking van de uitbreidingsmogelijkheden van het agrarisch bedrijf heeft geleid, waarbij als uitgangspunt dient te worden genomen dat de woning aan de Akkermateweg 2 voor niet-agrarische bewoning mag worden gebruikt. Voor zover de maatschap door de planologische verandering in een nadeliger planologische positie is komen te verkeren, dient de raad vervolgens te laten onderzoeken of dat, rekening houdend met de kosten van verplaatsing van de emissiepunten van de inrichting, tot een waardevermindering van het agrarisch bedrijf heeft geleid.

10. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Aalten op om binnen dertien weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

a. met inachtneming van de overwegingen ervan de gebreken in het besluit van 21 januari 2014 te herstellen, en

b. de Afdeling de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en dit ook aan de Afdeling toe te zenden.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.W. van de Gronden en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Hazen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2015

452.