Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2685

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2015
Datum publicatie
26-08-2015
Zaaknummer
201407362/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:6202, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 december 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2009 vastgesteld op nihil en het te veel betaalde van haar teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201407362/1/A4.

Datum uitspraak: 26 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 2014 in zaak nr. 14/611 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 24 december 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2009 vastgesteld op nihil en het te veel betaalde van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 9 december 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 juli 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2015, waar [appellante], bijgestaan door mr. J. Nieuwstraten, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam in zijn dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko) is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht en

b. de kosten van kinderopvang per kind.

Ingevolge artikel 52 geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder van het gastouderbureau en de ouder.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Awir, zoals deze wet luidde ten tijde van belang, verleent de Belastingdienst/Toeslagen, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de belanghebbende een voorschot tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot herzien.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekt de belanghebbende de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, kent de Belastingdienst/Toeslagen, indien ten name van de belanghebbende over het berekeningsjaar een aanslag inkomstenbelasting wordt vastgesteld, de tegemoetkoming met betrekking tot dat berekeningsjaar toe binnen 13 weken nadat de laatste in dit kader van belang zijnde aangifte inkomstenbelasting is ingediend, of, indien dit eerder is, binnen acht weken na de vaststelling van de laatste in dit kader van belang zijnde aanslag. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt een aangifte inkomstenbelasting die is ingediend vóór 1 april van het jaar volgend op het berekeningsjaar geacht te zijn ingediend op 1 april van het jaar volgend op het berekeningsjaar.

2. De Belastingdienst/Toeslagen heeft met betrekking tot het berekeningsjaar 2009 in totaal € 17.878,00 aan voorschot toegekend aan [appellante] en aan haar overgemaakt. Aan de nihilstelling en terugvordering van dat voorschot heeft de dienst ten grondslag gelegd dat [appellante] de gestelde kosten van kinderopvang niet heeft aangetoond.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] geen aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag over 2009. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [appellante] niet aangetoond dat zij alle kosten voor kinderopvang in 2009 heeft betaald. [appellante] betoogt dat de rechtbank door aldus te overwegen niet heeft onderkend dat zij met het overleggen van de aangifte inkomstenbelasting van de gastouder over 2009, heeft aangetoond dat € 12.770,00 aan de gastouder is overgemaakt ter voldoening van kosten van kinderopvang over dat jaar. Daarnaast heeft volgens haar de rechtbank ten onrechte niet onderkend dat zij een gedeelte van de kosten in natura heeft betaald, door het kopen van diverse producten ten behoeve van de verzorging van haar kinderen.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 5 november 2014 in zaak nr. 201311519/1/A2), bestaat geen aanspraak op kinderopvangtoeslag indien de vraagouder niet kan aantonen dat hij het volledige bedrag aan kosten ook daadwerkelijk heeft betaald.

3.2. Uit de door [appellante] aan de Belastingdienst/Toeslagen overgelegde jaaropgave over 2009 van [gastouderbureau] blijkt dat de totale kosten van kinderopvang over dat jaar € 14.377,70 bedroegen. Uit door haar overgelegde bankafschriften blijkt dat zij giraal in totaal € 8.661,33 aan opvangkosten over 2009 heeft voldaan.

3.3. In zoverre [appellante] onder verwijzing naar de aangifte inkomstenbelasting van de gastouder over 2009 heeft gesteld dat vanwege opvangkosten over dat jaar € 12.770,00 is voldaan, heeft de rechtbank dit terecht niet aangetoond geacht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, (onder meer in de uitspraak van 25 april 2012 in zaak nr. 201110454/1/A2 kan de aangifte van inkomstenbelasting van de gastouder niet als bewijs dienen voor gemaakte kosten van kinderopvang door de vraagouder, reeds omdat uit die aangifte niet blijkt van welke vraagouder die inkomsten afkomstig zijn.

3.4. De rechtbank heeft ook terecht overwogen dat - daargelaten of een betaling in natura een betaling in de zin van artikel 5, eerste lid, van de Wko is - [appellante] met de enkele stelling dat een gedeelte van de kosten voor opvang in 2009 in natura aan de gastouder is betaald, niet heeft aangetoond dat die kosten zijn voldaan. [appellante] heeft niet aangetoond dat zij producten heeft betaald die ten goede zijn gekomen aan de gastouder als tegenprestatie voor de in 2009 geboden kinderopvang (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2015 in zaak nr. 201310172/1/A4).

3.5. Gelet op het voorgaande heeft [appellante] niet aangetoond dat zij de kosten voor kinderopvang in 2009 volledig heeft voldaan. Dientengevolge maakt zij geen aanspraak op kinderopvangtoeslag over dat jaar.

De betogen falen.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen niet bevoegd was het voorschot te herzien omdat de termijn voor het vaststellen van de aanspraak, bedoeld in artikel 19 van de Awir, was verstreken. Volgens [appellante] kan artikel 16 van de Awir niet meer worden toegepast nadat de termijn voor het vaststellen van de aanspraak bedoeld in artikel 19 van de Awir is verstreken.

4.1. Uit artikel 16, vierde lid, van de Awir volgt dat de Belastingdienst/Toeslagen de hoogte van het voorschot mag herzien, zolang hij de tegemoetkoming nog niet heeft toegekend. Uit de Awir blijkt niet dat gevolgen moeten worden verbonden aan overschrijding van de in artikel 19, eerste lid, van de Awir vermelde termijn. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van de Awir biedt daarvoor geen aanknopingspunten. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat aan de overschrijding van de genoemde termijn het verstrekkende gevolg moet worden verbonden dat de Belastingdienst/Toeslagen niet meer bevoegd is om een voorschot kinderopvangtoeslag te herzien. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2013 in zaak nr. 201301181/1/A2.

Het betoog faalt.

5. Voorts betoogt [appellante] dat voor zover zij al te weinig opvangkosten over 2009 zou hebben betaald om ten aanzien van dat jaar aanspraak te kunnen maken op kinderopvangtoeslag, dit haar niet kan worden tegengeworpen. Zij stelt hiertoe dat zij verkeerd is geïnformeerd door twee medewerkers van de Belastingdienst/Toeslagen over de mate waarin zij zelf de kosten voor kinderopvang in 2009 diende te betalen om aanspraak te kunnen maken op kinderopvangtoeslag over dat jaar.

5.1. Reeds aangezien [appellante] hetgeen zij in dit verband heeft gesteld niet heeft onderbouwd, is er geen grond voor het oordeel dat de door haar bedoelde medewerkers van de Belastingdienst/Toeslagen mededelingen hebben gedaan waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulst, griffier.

w.g. Steendijk w.g. Van Hulst

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2015

402.