Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2678

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2015
Datum publicatie
26-08-2015
Zaaknummer
201409467/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Eiveko" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/897
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7098
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409467/1/R1.

Datum uitspraak: 26 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Bornerbroek, gemeente Almelo,

en

de raad van de gemeente Almelo,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Eiveko" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en [appellante] hebben nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juni 2015, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door E.R. Japser en P.A. Leemreize, beiden werkzaam bij de gemeente, en R.P.M. Munsterhuis, werkzaam bij Munsterhuis Geluidadvies, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. G.H. van der Waaij, advocaat te Leusden, en [gemachtigde].

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een plan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Bij besluit van 17 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Eiveko" vastgesteld. Met het plan werd onder meer de bouw van 31 woningen mogelijk gemaakt op het voormalige bedrijfsterrein Eiveko aan de noordzijde van de dorpskern van Bornerbroek. De woningen waren voorzien op een afstand van 36 meter van [appellante].

3. Naar aanleiding van het beroep van [appellante] heeft de Afdeling bij uitspraak van 11 juni 2014 (in zaak nr. 201309400/1/R3) het besluit van 17 september 2013 vernietigd voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Tuin", zoals aangegeven op de bij die uitspraak behorende kaart. Daarbij is overwogen dat [appellante] in overeenstemming met het overgangsrecht uit het bestemmingsplan "Zuid-Bornerbroek" een autoschadeherstelbedrijf uitoefent op het perceel [locatie]. Voorts behoort een autoplaatwerkerij blijkens de VNG-brochure tot milieucategorie 3.2 en bedraagt de hiermee corresponderende richtafstand tot woningen 100 meter. Verder had de raad niet inzichtelijk gemaakt of [appellante] kan voldoen aan de geluidvoorschriften van de haar verleende milieuvergunning indien de binnen deze afstand van 100 meter voorziene woningen worden gerealiseerd. Derhalve was niet komen vast te staan dat [appellante] overeenkomstig de bedoeling van de raad niet in haar bedrijfsactiviteiten zou worden belemmerd.

4. Met het bestreden besluit heeft de raad het plan opnieuw vastgesteld nadat alsnog akoestisch onderzoek is uitgevoerd. Volgens de raad volgt uit het rapport "Akoestisch onderzoek Plan Eivekoterrein" van Munsterhuis Geluidsadvies van 26 augustus 2014 (hierna: het akoestisch onderzoek) dat [appellante] niet door het plan in haar bedrijfsactiviteiten zal worden belemmerd.

5. [appellante] heeft de beroepsgrond dat onvoldoende rekening is gehouden met de stof- geur- en rookhinder die het bedrijf veroorzaakt ter zitting ingetrokken.

6. [appellante] kan zich niet verenigen met het plan. Zij betoogt dat in het akoestisch onderzoek is uitgegaan van metingen bij andere voor haar bedrijf niet-representatieve inrichtingen. In dit verband wijst zij erop dat haar bedrijf is gespecialiseerd in het herstellen van de zwaarste autoschade. [appellante] heeft voorts naar voren gebracht dat de bedrijven niet representatief zijn, omdat het volgens haar bedrijven betreft met maatgevende werkzaamheden bestaande uit sleutelen, montage en testen. Het betreft geen bedrijven die specifiek autoplaat en richtwerk verrichten. [appellante] betoogt dat ten onrechte geen geluidmetingen zijn verricht bij haar bedrijf. Volgens haar is sprake van een significant hogere geluidbelasting dan waar in het akoestisch onderzoek van is uitgegaan. In dit verband wijst zij op publicaties van de Arbo. [appellante] heeft verder naar voren gebracht dat het bedrijf op de huidige locatie met name is opgericht voor het verrichten van plaatwerk aan schadeauto's. In het akoestisch onderzoek is ten onrechte uitgegaan van één werkplek, nu volgens haar ook ter plaatse van de hefbruggen in het garagegedeelte plaatwerkzaamheden worden verricht. [appellante] brengt voorts naar voren dat geen rekening is gehouden met de slechte isolatie van haar bedrijf. Ook betoogt [appellante] dat ten onrechte geen rekening is gehouden met haar voornemen de bedrijfsactiviteiten verder uit te breiden. In dit verband wijst zij erop dat het bedrijventerrein waarop zij is gevestigd in het bestemmingsplan "Zuid-Bornerbroek" ten onrechte is aangemerkt als zone met bedrijven in milieucategorie 1 en 2, omdat er ook bedrijven in milieucategorie 3 aanwezig zijn.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het niet noodzakelijk is fysieke geluidmetingen te verrichten bij [appellante]. De geluiduitstraling wordt bepaald door gebruik te maken van meetgegevens en/of praktijkgegevens. De overdrachtsberekeningen zijn gebaseerd op een equivalent geluidniveau binnen in de garage van 85 dB(A) LAeq en 95 dB(A) LAmax. Vervolgens is de isolatie van de geveldelen en het oppervlak van de geveldelen bepaald. Door middel van een overdrachtsberekening is vervolgens het geluidniveau bij de woningen bepaald, aldus de raad. Volgens de raad is in het akoestisch onderzoek op basis van meetgegevens bij andere bedrijven terecht uitgegaan van een equivalent geluidniveau van 85 dB(A) in de plaatwerkerij en 80 dB(A) in het garagedeel. Verder brengt de raad naar voren dat niets bekend is over de eventuele slechte staat van de gevelisolatie van [appellante]. Ten aanzien van het betoog van het [appellante] omrent het bestemmingsplan "Zuid-Bornerbroek" heeft de raad uiteengezet dat aan het bedrijventerrein een bestemming is toegekend op grond waarvan bedrijven in milieucategorie 1 en 2 zijn toegelaten. De bedrijven in milieucategorie 3 vallen onder het overgangsrecht en kunnen derhalve niet uitbreiden, aldus de raad.

6.2. Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer geldt dat voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting:

a. de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden.

Tabel 2.17a geeft de volgende waarden aan:

07:00-19:00 uur 19:00-23:00 uur 23:00-07:00 uur

LAr,LT op de gevel

van gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A)

LAmax op de gevel

van gevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A)

6.3. In het akoestisch onderzoek staat vermeld dat de relevante geluiduitstraling plaatsvindt in de dagperiode gedurende ongeveer 10 uur via relevante geveldelen van het pand tijdens allerlei werkzaamheden. Het binnenniveau in de plaatwerkerij en de werkplaats is aangehouden op 85 en 80 dB(A) op basis van metingen bij vergelijkbare inrichtingen. Het piekgeluidniveau bedraagt volgens het akoestisch onderzoek inpandig 95 en 90 dB(A). Voorts staat in het akoestisch onderzoek vermeld dat de bronvermogens van de geluidbronnen zijn bepaald door middel van geluidmetingen bij vergelijkbare inrichtingen en door middel van berekeningen, literatuurgegevens en expertise van Munsterhuis Geluidadvies. In het akoestisch onderzoek wordt geconcludeerd dat de maximale geluidniveaus uit het Activiteitenbesluit milieubeheer ter plaatse van de woningen niet zullen worden overschreden ten gevolge van de activiteiten van [appellante].

6.4. Ten aanzien van het betoog omtrent de uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten stelt de Afdeling vast dat het bestemmingsplan "Zuid-Bornerbroek" op 11 maart 2009 in werking is gereden. In dit bestemmingsplan is aan het perceel van [appellante] een bedrijfsbestemming voor bedrijven in milieucategorie 1 en 2 toegekend. Nu [appellante] een bedrijf in milieucategorie 3.2 is, zijn de bedrijfsactiviteiten onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Zuid-Bornerbroek" gebracht. Op grond van het overgangsrecht bij dat plan mogen de bedrijfsactiviteiten ononderbroken worden voortgezet in de omvang zoals deze op het moment van inwerkingtreding van dat plan, 11 maart 2009, aanwezig waren. De raad heeft derhalve in redelijkheid de bedrijfsactiviteiten zoals deze sinds 11 maart 2009 ter plaatse worden verricht als uitgangspunt gehanteerd. Het betoog faalt.

6.5. Met betrekking tot het betoog omtrent de isolatie van de bedrijfsbebouwing heeft R.P.M. Munsterhuis ter zitting toegelicht dat de staat van de bedrijfsbebouwing is geïnventariseerd. Op basis van deze inventarisatie is tot de toepassing van standaard isolatiewaarden gekomen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat de raad niet in redelijkheid van deze isolatiewaarden kon uitgaan. Het betoog faalt.

6.6. Met betrekking tot het betoog dat ten onrechte geen metingen zijn verricht bij [appellante], heeft de raad uiteengezet dat het verrichten van metingen niet zonder meer noodzakelijk is. R.P.M. Munsterhuis heeft voorts gesteld dat [appellante] ten tijde van het akoestisch onderzoek onvoldoende representatieve activiteiten verrichtte die betrouwbare metingen in de werkruimte mogelijk maakten, zodat in dit geval een berekening is gemaakt van de geluidbelasting op grond van ervaringscijfers en meetcijfers bij andere bedrijven. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in de omstandigheid dat ter plaatse van [appellante] geen metingen zijn verricht geen grond voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek niet aan de besluitvorming ten grondslag kon worden gelegd. Het betoog faalt.

6.7. Ten aanzien van het betoog dat de inrichtingen die in het akoestisch onderzoek als uitgangspunt zijn genomen onvoldoende representatief zijn, stelt de Afdeling vast dat de raad eerst in het verweerschrift heeft toegelicht van welke vergelijkbare inrichtingen is uitgegaan bij het bepalen van het binnenniveau. Nu ten tijde van de vaststelling van het plan onvoldoende duidelijk was of de bedrijfsactiviteiten waarvan is uitgegaan overeenkomen met de bedrijfsactiviteiten van [appellante], was toen onvoldoende inzichtelijk of de in het akoestisch onderzoek gehanteerde binnenniveaus representatief waren. Gelet hierop heeft de raad het akoestisch onderzoek naar het oordeel van de Afdeling niet aan de besluitvorming ten grondslag kunnen leggen. Daarbij is voorts van belang dat in het akoestisch onderzoek is uitgegaan van één werkplek, terwijl niet in geschil is dat er drie werkplekken zijn waar plaatwerkzaamheden worden verricht.

Voor zover de raad naar voren heeft gebracht dat voor de conclusie, dat woningen op 36 m afstand toelaatbaar zijn, gebruik is gemaakt van nationaal erkende kengetallen voor garagebedrijven met een plaatwerkerij, heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat in de VNG-brochure voor autoplaatwerkerijen een richtafstand van 100 meter is opgenomen.

Gelet op het hiervoor overwogene heeft de raad ten tijde van de vaststelling van het plan niet inzichtelijk gemaakt dat ter plaatse van de voorziene woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Evenmin heeft de raad inzichtelijk gemaakt dat [appellante] niet in haar bedrijfsactiviteiten wordt belemmerd. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden vernietigd.

7. In het aanvullend verweerschrift heeft de raad echter alsnog uiteengezet dat aanvullend akoestisch onderzoek is verricht waaruit volgt dat de geluidbelasting op de dichtstbijzijnde woning onder de norm voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 50 dB(A) uit het Activiteitenbesluit milieubeheer blijft. Als bijlage 19 bij het aanvullend verweerschrift is een beschrijving opgenomen van de bedrijven die als uitgangspunt zijn gehanteerd bij de berekeningen in het akoestisch onderzoek. Daarbij zijn de delen uit de desbetreffende akoestische onderzoeken bijgevoegd. Volgens de raad is de stelling van [appellante] dat bij deze bedrijven minder plaatwerk wordt verricht onjuist. De waarden die in de berekeningen zijn aangehouden zijn volgens de raad hoger dan de gemiddelden en kunnen derhalve worden aangemerkt als worst case-benadering. De raad heeft voorts gesteld dat volgens hem bij een geluidbelasting lager dan 50 dB(A) een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd.

7.1. Ten behoeve van het plan is door de gemeente Almelo aanvullend akoestisch onderzoek verricht. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Aanvullend akoestisch onderzoek plan Eivekoterrein" van 7 april 2015 (hierna: het aanvullend akoestisch onderzoek). In het aanvullend akoestisch onderzoek is zowel in de plaatwerkerijafdeling als in het garagegedeelte 85 dB(A) als equivalent geluidniveau gehanteerd. Dit om rekening te houden met het feit dat ook ter plaatse van de hefbruggen in het garagegedeelte mogelijk werkzaamheden met een hoog bronniveau worden verricht. De geluidbelasting op de dichtstbijzijnde woning bedraagt volgens het aanvullend akoestisch onderzoek 46,7 dB(A). Bij de overige woningen is de geluidbelasting lager dan 45 dB(A).

7.2. Uit de beschrijvingen in bijlage 19 van het aanvullend verweerschrift volgt naar het oordeel van de Afdeling dat de bedrijven die als uitgangspunt zijn genomen voor het bepalen van het binnenniveau en de piekbelasting grotendeels vergelijkbare activiteiten verrichten. Uit de akoestische onderzoeken met betrekking tot deze bedrijven volgt dat het binnenniveau bij al deze bedrijven lager ligt dan de 85 dB(A) waarvan in het aanvullend akoestisch onderzoek voor [appellante] is uitgegaan. Daarnaast is het binnenniveau van 85 dB(A) voor beide garagegedeelten gehanteerd. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in zoverre is uitgegaan van een worst case-benadering. Voor zover [appellante] erop heeft gewezen dat in de publicaties van de Arbo hogere binnenniveaus worden gehanteerd, heeft R.P.M. Munsterhuis ter zitting onbestreden gesteld dat deze publicaties niet representatief zijn voor deze situatie, omdat zij betrekking hebben op de geluidbelasting op de oren van werknemers.

Uit het aanvullend akoestisch onderzoek volgt dat de geluidbelasting op de dichtstbijzijnde woning 46,7 dB(A) bedraagt. [appellante] heeft de uitkomsten van het aanvullend akoestisch onderzoek niet bestreden. Nu de geluidbelasting lager is dan de norm van 50 dB(A) uit het Activiteitenbesluit milieubeheer heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan de bedrijfsactiviteiten van [appellante] niet zal belemmeren. In het aangevoerde ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij een geluidbelasting van maximaal 46,7 dB(A) ter plaatse van de voorziene woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd.

7.3. Gelet op hetgeen onder 7 en verder is overwogen, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Daaruit volgt immers dat de gebreken die volgens het onder 6 overwogene aan de totstandkoming van het plan kleven met hetgeen de raad nadien heeft uiteengezet en heeft doen onderzoeken thans zijn hersteld.

8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Almelo van 28 oktober 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Eiveko", voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Tuin", beide zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Almelo aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) vergoedt;

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Brand, griffier.

w.g. Polak w.g. Brand

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2015

575.