Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2677

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2015
Datum publicatie
26-08-2015
Zaaknummer
201404737/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 maart 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Rijsenhout en omgeving" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201404737/2/R1.

Datum uitspraak: 26 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Rijsenhout, gemeente Haarlemmermeer,

en

de raad van de gemeente Haarlemmermeer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Rijsenhout en omgeving" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.J. Smaling, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. Oosterhof, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 28 januari 2015, in zaak nr. 201404737/1/R1 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen twaalf weken na de verzending van deze tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 13 maart 2014 te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 16 april 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Rijssenhout en omgeving" opnieuw vastgesteld. De raad heeft aangegeven met dit besluit de gebreken in het besluit van 13 maart 2014 te hebben hersteld.

[appellant] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, bij brief van 29 juni 2015 zijn zienswijze over het besluit van 16 april 2015 naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

De tussenuitspraak

1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 28 januari 2015 overwogen dat het besluit van 13 maart 2014, wat betreft het perceel [locatie] voor zover daaraan de aanduiding "maximum goothoogte 4 m en maximum bouwhoogte 9 m" is toegekend en voor zover het op de verbeelding aan het perceel toegekende bouwvlak is verkleind ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan en derhalve niet overeenstemt met het besluit van 13 maart 2014, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

2. Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, is het beroep van [appellant] tegen het besluit van 13 maart 2014 gegrond. Dat besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft het bouwvlak ter plaatse van de garage op het perceel [locatie].

Het besluit van 16 april 2015

3. Bij besluit van 16 april 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Rijssenhout en omgeving" opnieuw vastgesteld. Met dit besluit is aan het perceel [locatie] aan de daarop aanwezige woning een bouwvlak toegekend en is aan het bouwvlak de aanduiding "maximum goothoogte 6 m en maximum bouwhoogte 10 m" toegekend. De garage naast de woning van [appellant] ligt niet binnen het bouwvlak.

4. Het besluit van 16 april 2015 is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) mede onderwerp van het geding.

5. Het betoog van [appellant] richt zich tegen de omvang van het bouwvlak. Hij wenst dat zijn garage ook binnen het bouwvlak komt te liggen, zodat hij zijn garage in de hoogte kan uitbreiden. Volgens [appellant] is de garage een integraal onderdeel van het hoofdgebouw. Hij verwijst daartoe naar de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2015, in zaak nr. 201407723/1/A1. Voorts betoogt hij dat de vermindering van de openheid geen reden is om geen bouwvlak toe te kennen aan de garage, omdat aan beide kanten naast zijn woning met garage een oprit ligt waardoor openheid gegarandeerd is. Ook is volgens hem de verdichting al een feit, omdat de garage meer dan 30 cm boven de hoogte van de eerste bouwlaag uitsteekt.

5.1. De Afdeling stelt voorop dat de raad beleidsvrijheid toekomt bij het ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening toekennen van bestemmingen en geven van regels. De raad hanteert als uitgangspunt dat alleen de hoofdgebouwen in het bouwvlak worden opgenomen, omdat het stedenbouwkundig wenselijk is dat de bestaande open ruimte tussen de hoofdgebouwen gehandhaafd blijkt zodat geen dichte wand ontstaat. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. De raad heeft het belang van openheid zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van [appellant] om tot een goothoogte van 6 m en een bouwhoogte van 10 ter plaatse van zijn garage te kunnen bouwen. Dat de garage reeds meer dan 30 cm boven de eerste bouwlaag uitsteekt doet daar niet aan af, omdat een dergelijke bouwhoogte nog steeds minder is dan de gewenste 10 m en de lagere garage derhalve niettemin bijdraagt aan de openheid in het gebied. Ook de omstandigheid dat aan beide zijden van zijn woning met garage een oprit aanwezig is waardoor geen volledige verdichting zal worden bereikt maakt dit niet anders, omdat bij het verhogen van de garage tot een goothoogte van 6 m en een bouwhoogte van 10 m het stedenbouwkundige beeld niettemin verdicht wordt.

Wat betreft de verwijzing van [appellant] naar de uitspraak van de Afdeling in zaak nr. 201407723/1/A1, overweegt de Afdeling dat daarin wordt overwogen wat onder oorspronkelijk hoofdgebouw in de zin van artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht moet worden verstaan. Dat de garage tegelijk met het hoofdgebouw gereed is gekomen doet er echter niet aan af dat de garage geen deel uitmaakt van het hoofdgebouw. De garage is immers in bouwkundig en functioneel opzicht ondergeschikt aan de woning. Ook is deze wat betreft de omvang ten opzichte van de woning en het gebruik ervan als garage als bijgebouw aan te merken.

Het betoog faalt.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant] tegen het besluit van 16 april 2015 ongegrond.

Proceskostenveroordeling

7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant] voor zover gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Haarlemmermeer van 13 maart 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Rijsenhout en omgeving" gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Haarlemmermeer van 13 maart 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Rijsenhout en omgeving", wat betreft het perceel [locatie] voor zover daaraan de aanduiding "maximum goothoogte 4 m en maximum bouwhoogte 9 m" is toegekend en het op de verbeelding aan het perceel toegekende bouwvlak is verkleind ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan;

III. verklaart het beroep van [appellant] voor zover gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Haarlemmermeer van 16 april 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Rijsenhout en omgeving" ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Haarlemmermeer tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 735,00 (zegge: zevenhonderdvijfendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Haarlemmermeer aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y. Verhage, griffier.

w.g. Van der Wiel w.g. Verhage

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2015

655.