Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2675

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2015
Datum publicatie
25-08-2015
Zaaknummer
201502779/2/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Vereenvoudigde behandeling
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 maart 2014 heeft de Examencommissie Beroepsopleiding Advocatuur het door [appellant] op 21 februari 2014 afgelegde examen Strafprocesrecht als onvoldoende beoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/281

Uitspraak

201502779/2/A2.

Datum uitspraak: 13 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 februari 2015 in zaak nr. 14/5363 in het geding tussen:

[appellant]

en

het curatorium Beroepsopleiding Advocatuur.

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2014 heeft de Examencommissie Beroepsopleiding Advocatuur het door [appellant] op 21 februari 2014 afgelegde examen Strafprocesrecht als onvoldoende beoordeeld.

Bij besluit van 11 juli 2014 heeft het curatorium het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 februari 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 9c, eerste lid, van de Advocatenwet, zoals deze luidde ten tijde van belang, draagt de Nederlandse orde van advocaten zorg voor een opleiding van stagiaires en stelt zij de stagiaire in de gelegenheid deze opleiding te volgen, die met een examen wordt afgesloten.

Ingevolge artikel 9e kan een belanghebbende tegen een op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 9c genomen beslissing administratief beroep instellen bij het curatorium.

Ingevolge artikel 8:4, derde lid, aanhef onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing.

2. Vooropgesteld wordt dat artikel 8:4, derde lid, aanhef onder b van de Awb eraan in de weg staat dat door het instellen van beroep tegen een in administratief beroep genomen besluit van het curatorium een oordeel van de bestuursrechter wordt verkregen over een besluit dat als zodanig van bestuursrechtelijke rechtsbescherming is uitgezonderd. Dit betekent dat, wat betreft het aan het besluit op administratief beroep ten grondslag liggende besluit van de examencommissie, door de bestuursrechter slechts kan worden beoordeeld of het curatorium zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan de formele voorschriften die bij of krachtens de Awb, de Advocatenwet of enige andere wet in formele zin zijn gesteld, is voldaan. De toetsing door de bestuursrechter kan niet rechtstreeks betrekking hebben op de inhoud van de afgelegde proeve van bekwaamheid van [appellant]. Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 september 2009 in zaak nr. 200902052/1/H2.

3. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] aldus dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb verbindende kracht mist, aangezien deze bepaling hem met betrekking tot een besluit over zijn kennen of kunnen, zoals in dit geval aan de orde, de toegang tot de onafhankelijke rechter onthoudt, hetgeen volgens hem in strijd is met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Daartoe voert hij aan dat doordat de rechtbank alleen heeft getoetst of het besluit van 11 juli 2014 aan de formele vereisten voldoet, aan het curatorium een vrijbrief is gegeven om naar willekeur een examen te beoordelen.

3.1. Uit het hiervoor onder 2 overwogene volgt weliswaar dat de mogelijkheden om geschillen met betrekking tot besluiten betreffende iemands kennen of kunnen voor te leggen aan de bestuursrechter zijn beperkt, maar daarmee wordt de toegang tot de rechter niet beperkt. Voor zover de bestuursrechter niet bevoegd is kan het geschil immers aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.

w.g. Verheij w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2015

Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van de Awb).

- Verzet dient schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak te worden gedaan.

- In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met de gronden waarop de beslissing is gebaseerd.

- Indien de indiener over het verzet door de Afdeling wenst te worden gehoord, dient dit in het verzetschrift te worden gevraagd. Het horen gebeurt dan uitsluitend over het verzet.

17-809.