Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2674

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-08-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
201504830/1/A1 en 201504830/2/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 januari 2015 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het herinrichten en uitbreiden van het pand op het perceel [locatie] te Maastricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504830/1/A1 en 201504830/2/A1.

Datum uitspraak: 14 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B] en [appellant C], allen wonend te Maastricht, (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 mei 2015 in zaak nr. 15/1534 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht.

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2015 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het herinrichten en uitbreiden van het pand op het perceel [locatie] te Maastricht.

Bij besluit van 16 april 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 13 mei 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Voorts heeft [appellant] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 juni 2015, waar [appellant], in persoon, is verschenen.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:7 bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge het tweede lid is een bezwaar- of beroepschrift bij verzending per post tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder a, kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is.

Ingevolge artikel 3.8 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) geeft het bevoegd gezag bij de toepassing van titel 4.1 van de Awb tevens onverwijld kennis van de aanvraag om een omgevingsvergunning in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Het vermeldt daarbij de in artikel 3.1, tweede lid, bedoelde datum waarop de aanvraag is ontvangen.

Ingevolge artikel 3.9, eerste lid, beslist het bevoegd gezag op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking:

a. doet het mededeling van die beschikking op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag, [..].

3. Het college heeft het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het college is het besluit van 26 januari 2015 op 27 januari 2015 aan [vergunninghouder] verzonden, waardoor de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift op 28 januari 2015 is aangevangen en is geëindigd op 10 maart 2015. Het bezwaarschrift, gedateerd op 9 maart 2015, is ontvangen op 17 maart 2015. Volgens het poststempel is het bezwaarschrift op 16 maart 2015, derhalve na afloop van de bezwaartermijn, ter post bezorgd, aldus het college. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is volgens het college niet gebleken.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college het bezwaar ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens haar is geen sprake van een termijnoverschrijding nu het bezwaarschrift op 10 maart 2015 ter post is bezorgd. [appellant] wijst er op dat er wellicht een fout is gemaakt bij de postverwerking, nu zij op dezelfde datum een brief aan haar zorgverzekeraar heeft verzonden die nooit is aangekomen. [appellant] voert verder aan dat het niet mogelijk is om aannemelijk te maken dat het bezwaarschrift op een eerdere datum dan 16 maart 2015 ter post is bezorgd. Voor zover sprake is van een termijnoverschrijding heeft de rechtbank volgens [appellant] voorts niet onderkend dat deze verschoonbaar is. [appellant] voert daartoe aan dat uit de publicatie van de omgevingsvergunning niet kon worden afgeleid wat het bouwplan inhield, zodat niet staande kan worden gehouden dat zij, zoals het college stelt, al vanaf die datum op de hoogte was van het bouwplan. Voorts stelt [appellant] dat zij uit deze publicatie heeft afgeleid dat de bezwaartermijn op 6 februari 2015 begon te lopen en deze liep tot en met 20 maart 2015. Volgens [appellant] had het college haar verder, gelet op de verschillende contactmomenten tijdens de procedure en meer in het bijzonder de mail van 10 februari 2015, moeten informeren over de bezwaartermijn. Uit de mail van 10 februari 2015 bleek volgens haar dat zij niet van de juiste bezwaartermijn uitging. [appellant] voert verder aan dat het college niet alleen de belangen van vergunninghouder, maar ook haar belangen had dienen te betrekken in de procedure. [appellant] stelt zich op het standpunt dat het college zich verschuilt achter formele regels om geen antwoord te hoeven geven op de vraag of het wellicht een onjuiste procedure heeft gevolgd bij het verlenen van deze vergunning en het de uitgebreide voorbereidingsprocedure had dienen te volgen. [appellant] voert voorts aan dat het college haar ten onrechte niet heeft gehoord.

4.1. Vast staat dat het besluit van 26 januari 2015 op 27 januari 2015 overeenkomstig artikel 3:41 van de Awb is bekendgemaakt door toezending daarvan aan [vergunninghouder]. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb ving de bezwaartermijn derhalve aan op 28 januari 2015. De laatste dag van de bezwaartermijn was 10 maart 2015. Het bezwaarschrift, gedateerd op 9 maart 2015, is op 17 maart 2015 door het college ontvangen en is, gelet op artikel 6:9, eerste lid, van de Awb, niet tijdig ingediend. De rechtbank heeft terecht overwogen dat evenmin sprake is van indiening overeenkomstig artikel 6:9, tweede lid, van de Awb. De rechtbank heeft in dat kader terecht overwogen dat de datum van de poststempel als uitgangspunt heeft te gelden bij het bepalen van de verzenddatum. Nu het bezwaarschrift blijkens het poststempel op de envelop, waarin het bezwaarschrift is verzonden, op 16 maart 2015 ter post is bezorgd is het niet tijdig ingediend. [appellant] heeft de stelling dat het bezwaarschrift op 10 maart 2015 ter post is bezorgd niet aannemelijk gemaakt. Voor zover zij betoogt dat het niet mogelijk is om dit aannemelijk te maken wordt overwogen dat zij het bezwaarschrift ook aangetekend had kunnen verzenden. Het dient voor haar rekening en risico te blijven dat zij dit niet heeft gedaan.

Het door [appellant] aangevoerde biedt voorts geen grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De publicatie van 6 februari 2015 betreft de mededeling van het besluit van 26 januari 2015, overeenkomstig artikel 3.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, en niet de bekendmaking van het besluit als bedoeld in 6:8, eerste lid, van de Awb. In de publicatie van 6 februari 2015 is voorts achter de omschrijving van het besluit van 26 januari 2015, overeenkomstig de informatie in de aanhef van de publicatie, de datum van bekendmaking vermeld, te weten 27 januari 2015. Verder is in de publicatie vermeld dat de bezwaartermijn ingaat op de dag na de dag waarop het besluit is bekendgemaakt. Voor het oordeel dat de publicatie onduidelijk is over de aanvang van de bezwaartermijn bestaat dan ook geen grond. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] voor zover onduidelijkheid bestond over de bezwaartermijn ter sauvering van de termijn pro-forma bezwaar had kunnen maken en dat zij dit niet heeft gedaan voor haar rekening en risico dient te blijven. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat zij bij het college navraag had kunnen doen over de bezwaartermijn. Dat de publicatie van 6 februari 2015 niet duidelijk is over de inhoud van het bouwplan, doet voorts, wat daar verder van zij, niet af aan de omstandigheid dat [appellant] voor het einde van de bezwaartermijn op de hoogte was van het bouwplan.

Voor zover [appellant] wijst op haar belangen en betoogt dat ook deze belangen betrokken hadden dienen te worden in de procedure en zich voorts op het standpunt stelt dat het college zich verschuilt achter formele regels om deze belangen niet te betrekken en geen antwoord te hoeven geven op de vraag of het wellicht een onjuiste procedure heeft gevolgd bij het verlenen van deze vergunning, wordt overwogen dat het college gehouden was het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren, nu sprake is van een situatie waarin redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat [appellant] in verzuim is geweest.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dat brengt, gelet op artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb, met zich dat het college, anders dan [appellant] betoogt, kon afzien van het horen van [appellant] in bezwaar.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Wortmann

voorzieningenrechter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2015

580.