Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2673

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-08-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
201408788/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 februari 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2016/163 met annotatie van dr. F.T. Groenewegen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408788/1/V3.

Datum uitspraak: 14 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 3 oktober 2014 in zaak nr. 14/9256 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 25 maart 2014 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar gegrond verklaard en hem uitstel van vertrek verleend, met ingang van 25 maart 2014 tot 25 september 2014. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 oktober 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.M.G.M. Raafs, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat de staatssecretaris in het besluit van 25 maart 2014 had moeten motiveren waarom hij in dit geval, na afweging van alle betrokken belangen, ervoor heeft gekozen vast te houden aan zijn vaste gedragslijn om een aanvraag van een vreemdeling om hem krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen niet eerder in te willigen dan met ingang van de datum van het inwilligende besluit, nu deze gedragslijn niet in een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb is neergelegd.

2. In grief I betoogt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 25 maart 2014 in stand heeft gelaten. Volgens de vreemdeling heeft de rechtbank hiervoor ten onrechte redengevend geacht dat de staatssecretaris voormelde gedragslijn bij besluit van 18 maart 2014, nr. WBV 2014/8, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) (Stcrt. 2014, nr. 8487; hierna: het WBV 2014/8) in een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb heeft neergelegd en de vreemdeling geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb heeft aangevoerd.

De vreemdeling voert daartoe aan dat de rechtbank deze beleidsregel ten onrechte bij de beoordeling heeft betrokken, nu deze na het besluit van 25 maart 2014 in werking is getreden. Verder heeft de rechtbank volgens de vreemdeling niet onderkend dat zich in dit geval bijzondere omstandigheden voordoen die tot afwijking van voormelde beleidsregel nopen. De vreemdeling voert daartoe aan dat de staatssecretaris, door het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 29 januari 2014 (hierna: het BMA-advies) aan het besluit van 3 februari 2014 ten grondslag te leggen, niet aan de op hem rustende vergewisplicht heeft voldaan, nu het BMA-advies op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en onjuist is. Indien het BMA de staatssecretaris in eerste instantie juist zou hebben geadviseerd, zou hem eerder uitstel van vertrek zijn verleend, waardoor hij eerder in aanmerking zou kunnen komen voor de in artikel 3.46, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) opgenomen vrijstelling, aldus de vreemdeling.

2.1. Anders dan bij de beoordeling van het beroep, dient de rechtbank bij aanwending van de bevoegdheid tot in stand laten van de rechtsgevolgen uit te gaan van de feiten of omstandigheden op het moment van de uitspraak en het dan geldende recht. De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat zich in dit geval geen bijzondere omstandigheden voordoen die ertoe nopen daarop een uitzondering te maken.

Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de staatssecretaris voormelde gedragslijn met ingang van 1 april 2014 in een beleidsregel heeft neergelegd, heeft de rechtbank deze beleidsregel terecht bij haar beoordeling betrokken. In zoverre faalt het betoog.

2.2. Volgens paragraaf A3/7.1.3 van de Vc 2000, zoals deze sinds de inwerkingtreding van WBV 2014/8 luidt en voor zover thans van belang, deelt de staatssecretaris de desbetreffende vreemdeling, onder verwijzing naar het medisch advies van het BMA, schriftelijk mede dat de periode waarvoor uitstel van vertrek wordt verleend aanvangt op de datum van de beschikking waarbij de Immigratie- en Naturalisatiedienst artikel 64 van de Vw 2000 toepast.

In de toelichting op voormelde paragraaf is in WBV 2014/8 het volgende vermeld.

"Voorts wordt in deze paragraaf neergelegd dat de IND als ingangsdatum van artikel 64 Vw de datum van de inwilligende beslissing hanteert. Dit is een vaste gedragslijn die nu formeel in het beleid wordt neergelegd. Aanleiding hiervoor zijn de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 6 februari 2014 (waaronder 201306759/1/V1) waarin de Afdeling concludeert dat deze gedragslijn niet onredelijk is, maar dat de Staatsecretaris van Veiligheid en Justitie ter motivering van een besluit niet met verwijzing naar een gedragslijn kan volstaan als deze niet in een beleidsregel is neergelegd. Met deze aanpassing wordt hieraan gevolg gegeven."

2.3. In het besluit van 3 februari 2014 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat artikel 64 van de Vw 2000 niet op de vreemdeling van toepassing is, nu in het BMA-advies is vermeld dat weliswaar het uitblijven van medische behandeling tot een medische noodsituatie zal leiden, maar dat in Sierra Leone adequate behandelmogelijkheden voor hem aanwezig zijn. In bezwaar heeft de vreemdeling onder meer aangevoerd dat het BMA het BMA-advies, gelet op de door hem bij zijn aanvraag overgelegde stukken, ten onrechte op landeninformatie van ouder dan zes maanden heeft gebaseerd, zodat het BMA-advies op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Bij besluit van 25 maart 2014 heeft de staatssecretaris de vreemdeling alsnog uitstel van vertrek verleend van 25 maart 2014 tot 25 september 2014, omdat uit informatie van het BMA is gebleken dat er geen actuele informatie over de behandelmogelijkheden in Sierra Leone beschikbaar is. De staatssecretaris heeft desgevraagd ter zitting bij de rechtbank toegelicht dat het BMA hem op 20 maart 2014 heeft bericht dat het contact met Sierra Leone sinds december 2013 is verbroken.

2.4. In het onder 2.2. weergegeven beleid is geen rekening gehouden met situaties als hier aan de orde, waarin uitsluitend als gevolg van aan de staatssecretaris toe te rekenen omstandigheden een verblijfsgat ontstaat.

Nu een vreemdeling aan wie tenminste een jaar aaneengesloten uitstel van vertrek is verleend krachtens artikel 64 van de Vw 2000 in aanmerking kan komen voor de in artikel 3.46, vierde lid, van het Vb 2000 opgenomen vrijstelling, leidt toepassing van het beleid in situaties als hier aan de orde tot onevenredige gevolgen. De doelstelling van het beleid is immers, zoals de staatssecretaris in zijn brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 26 oktober 2012 (Kamerstukken II 2012/13, 30846, nr. 18) heeft vermeld, slechts het tegengaan van het stapelen van perioden van artikel 64 van de Vw 2000 teneinde voor een reguliere vergunning op medische gronden in aanmerking te komen. Daarvan is hier geen sprake. De rechtbank heeft derhalve niet onderkend dat voormeld beleid in dit geval buiten toepassing dient te worden gelaten.

De grief slaagt derhalve.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen de vreemdeling voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 25 maart 2014 geheel in stand blijven. De aangevallen uitspraak moet voor het overige worden bevestigd.

4. De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 3 oktober 2014 in zaak nr. 14/9256, voor zover zij daarbij heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 25 maart 2014 geheel in stand blijven;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 246,00 (zegge: tweehonderdzesenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, griffier.

De voorzitter

is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Van Leeuwen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2015

487/53.