Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2669

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-08-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
201502879/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel aanvragen van de vreemdelingen om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502879/1/V2.

Datum uitspraak: 12 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 12 maart 2015 in zaak nr. 13/16320 in het geding tussen:

[vreemdeling 1], mede voor haar minderjarige kind (hierna: vreemdeling 2, samen: de vreemdelingen),

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel aanvragen van de vreemdelingen om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 27 mei 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 maart 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 5 juli 2012 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. W.P.R. Peeters, advocaat te Rijsbergen, hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat referent de Nederlandse nationaliteit bezit en dat hij is getrouwd met vreemdeling 1. De vreemdelingen zijn beiden in het bezit van de Ecuadoriaanse nationaliteit. Zij zijn derhalve derdelands familieleden van een burger van de Unie. De vreemdelingen hebben gesteld dat zij tussen juni 2010 en 11 januari 2012 samen met referent in België hebben verbleven.

2. In grief 1 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn standpunt, dat voor het ontstaan van een afgeleid verblijfsrecht bij terugkeer als vereiste geldt dat de vreemdelingen en referent gezamenlijk tenminste drie maanden in België hebben verbleven, niet juist is. De staatssecretaris verwijst daartoe naar de Afdelingsuitspraken van 20 augustus 2014 in zaken nrs. 201011889/1/V2 en 201108529/1/V2 .

2.1. In voormelde uitspraken heeft de Afdeling overwogen dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 12 maart 2014, C-456/12, O. en B., ECLI:EU:C:2014:135, (hierna: het arrest) kan worden afgeleid dat een verblijf van een burger van de Unie en zijn derdelands familielid van minder dan drie maanden in een gastlidstaat in geen geval voldoende is voor dit familielid om bij terugkeer naar de lidstaat waarvan deze burger van de Unie de nationaliteit bezit, aanspraak te kunnen maken op een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 21, eerste lid, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie. Indien het familielid van de burger van de Unie aannemelijk heeft gemaakt dat hij in die hoedanigheid samen met de burger van de Unie langer dan drie maanden in een gastlidstaat heeft verbleven en daar een gezinsleven heeft opgebouwd of bestendigd, heeft hij in beginsel bij terugkeer naar de lidstaat waarvan de burger van de Unie de nationaliteit bezit, een afgeleid verblijfsrecht (zie punt 53). Uit punt 59 van het arrest heeft de Afdeling voorts afgeleid dat is vereist dat de burger van de Unie en het desbetreffende familielid een aaneengesloten periode in een gastlidstaat hebben verbleven, nu het Hof heeft overwogen dat bij verschillende verblijven van korte duur, zelfs samengenomen, niet is voldaan aan de vereisten voor een afgeleid verblijfsrecht in vorenbedoelde zin.

De grief slaagt.

3. In grief 2 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat op grond van de relevante feiten en omstandigheden moet worden aangenomen dat de vreemdelingen en referent in ieder geval gedurende de periode van 17 december 2010 tot 11 januari 2012 daadwerkelijk in België hebben verbleven. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank aldus miskend dat hij in het besluit van 27 mei 2013 deugdelijk gemotiveerd heeft uiteengezet dat en waarom de vreemdelingen met de door hen overgelegde stukken hun verblijf in België samen met referent niet aannemelijk hebben gemaakt.

3.1. In het besluit van 27 mei 2013, waarin het besluit van 5 juli 2012 is ingelast, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat uit de door de vreemdelingen overgelegde stukken, waaronder een drietal loonstroken van de Nederlandse werkgever van referent met daarop het adres van referent in België, alsmede documenten waaruit blijkt dat vreemdeling 1 en referent zich in de gemeente Antwerpen hebben ingeschreven, dat hun in België verblijfsdocumenten zijn verstrekt, dat zij daar verzekerd waren voor ziektekosten, dat zij in augustus 2010 één maal - zonder succes - hebben geprobeerd vreemdeling 2 in te schrijven op een basisschool in Antwerpen en dat vreemdeling 1 in België twee maal een medische behandeling heeft ondergaan, weliswaar blijkt dat vreemdeling 1 en referent met enige regelmaat in België zijn geweest, maar dat de vreemdelingen daarmee niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij en referent zich daadwerkelijk in België hebben gevestigd en daar samen gedurende minimaal drie maanden feitelijk hebben verbleven. Dat referent en vreemdeling 1 voor het jaar 2011 in België zijn aangeslagen voor de personenbelasting heeft de staatssecretaris onvoldoende geacht, aangezien iedereen die is ingeschreven in een Belgische gemeente in België belastingplichtig is voor de personenbelasting. Aan de informatie van de Belgische huisarts heeft de staatssecretaris evenmin belangrijke betekenis toegekend, nu daaruit blijkt dat vreemdeling 1 deze ook heeft bezocht voorafgaand aan en na haar gestelde verblijf in België en referent bovendien tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft verklaard dat hij met vreemdeling 2 uit kostenoverwegingen altijd naar een arts in België gaat. Ten aanzien van de op naam van vreemdeling 1 gestelde openbaar vervoerpassen heeft de staatssecretaris erop gewezen dat deze zien op de periode van 1 april 2011 tot en met 1 juni 2011 en derhalve geen tijdsbestek van meer dan drie maanden omspannen net zo min als de stukken die zien op de door haar in Antwerpen van 5 april 2011 tot 17 juni 2011 gevolgde taalcursus. De afschriften van de rekening van referent bij Rabobank West-Brabant Noord over de periode van 25 mei 2010 tot en met 29 maart 2011 duiden volgens de staatssecretaris veeleer op een feitelijk verblijf van referent in Nederland. De staatsecretaris heeft in dit verband opgemerkt dat, hoewel uit die afschriften blijkt dat referent in die periode in België pinbetalingen heeft gedaan, het merendeel van de transacties in Nederland is verricht, waaronder regelmatige pinbetalingen bij kledingzaken in Etten-Leur en Breda en bij supermarkten in Etten-Leur. De staatssecretaris heeft voorts in aanmerking genomen dat de vreemdelingen geen stukken hebben overgelegd waaruit blijkt dat zij en referent in de gestelde periode daadwerkelijk inwoonden bij de zus van referent in Antwerpen en dat zij ook niet hebben gestaafd dat in die periode de broer van referent in de woning van referent in Etten-Leur verbleef.

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 19 februari 2015 in zaak nr. 201209532/1/V2, dient een vreemdeling naast bewijs van administratieve aard, zoals een inschrijving en een EU-verblijfsdocument, bewijs van feitelijke aard te overleggen (zie het arrest, punten 57-60). De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in de gestelde periode samen met referent feitelijk in België hebben verbleven. Dat de vreemdelingen en referent in die periode daadwerkelijk bij de zus van referent in Antwerpen hebben gewoond, hebben zij niet met stukken gestaafd. De staatssecretaris heeft, gelet op het onder 3.1. weergegeven standpunt, deugdelijk gemotiveerd uiteengezet dat en waarom de overgelegde stukken, ook in samenhang bezien, onvoldoende zijn om het gestelde verblijf in België aannemelijk te achten. Hoewel daaruit kan worden afgeleid dat vreemdeling 1 en referent met enige regelmaat in België kwamen, geven deze geen blijk van een gezamenlijk verblijf aldaar voor een aaneengesloten periode van meer dan drie maanden. Hierbij is nog van belang dat referent blijkens de overgelegde loonstroken - in ieder geval eind 2011 - voltijds voor een werkgever in Heijningen werkte en dat hij tijdens het gestelde verblijf in België over een woning in Etten-Leur beschikte, terwijl de vreemdelingen het gebruik van die woning door de broer van referent in die periode niet hebben gestaafd. Voorts heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de overgelegde bankafschriften veeleer duiden op een feitelijk verblijf van referent in Nederland. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij en referent langer dan drie maanden in een gastlidstaat hebben verbleven en daar een gezinsleven hebben opgebouwd of bestendigd.

De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het inleidende beroep alsnog ongegrond worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 12 maart 2015 in zaak nr. 13/16320;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Prins

voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2015

363.