Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2668

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-08-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
201408203/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juni 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408203/1/V2.

Datum uitspraak: 10 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 5 september 2014 in zaak nr. 13/17044 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 5 september 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B.A. Palm, advocaat te Utrecht, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling zijn bekering niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt. Hij voert aan dat hij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, tijdens het gehoor opvolgende aanvraag niet heeft gehandeld in strijd met zijn vaste gedragslijn. Volgens de staatssecretaris is de vreemdeling er niet in geslaagd zijn bekering alsnog aannemelijk te maken, omdat zijn antwoorden op de gestelde vragen over zijn bekering geen blijk geven van een weloverwogen en welbewuste keuze om zich te bekeren tot het christendom. De door de vreemdeling overgelegde verklaringen van onder meer kerkelijke instanties en personen kunnen aan deze conclusie niet afdoen, aldus de staatssecretaris.

1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 12 november 2014 in zaak nr. 201401754/1/V2) staat het de staatssecretaris vrij bij een opvolgende aanvraag de vragenlijst, die hij hanteert bij het onderzoek naar de door een vreemdeling gestelde geloofsovertuiging aldus te hanteren dat hij zich beperkt tot het stellen van vragen over de verschillen tussen de in de opvolgende aanvraag naar voren gebrachte bekering en de reeds aan de voorafgaande aanvraag ten grondslag gelegde bekering. De staatssecretaris handelt daarmee niet in strijd met zijn in de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2013 in zaak nr. 201109839/1/V2 weergegeven vaste gedragslijn.

1.2. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2014 in zaak nr. 201304684/1/V2 verlangt de staatssecretaris juist in een geval als dit, waarin de gestelde bekering in de voorafgaande procedure - bij in rechte onaantastbaar besluit - niet geloofwaardig is geacht omdat de vreemdeling geen inzicht in de motieven voor en het proces van bekering heeft kunnen geven, van de vreemdeling dat hij ermee bekend is dat hij in een opvolgende aanvraag die motieven voor en het proces van bekering kan beschrijven. De vreemdeling dient inzichtelijk te maken waarom hij tot de bekering is gekomen en hoe dit proces is verlopen, en hij dient tot uiting te brengen dat deze keuze weloverwogen en welbewust is. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 juli 2014 in zaak nr. 201403787/1/V2.

1.3. Tijdens het gehoor opvolgende aanvraag is de vreemdeling onder meer gevraagd wat hij wil verklaren over zijn bekering, waaruit blijkt dat het in de vorige procedure ingenomen standpunt dat de bekering ongeloofwaardig is, onjuist is geweest en of er nog zaken zijn waaruit blijkt dat de vreemdeling thans oprecht is bekeerd. De vreemdeling heeft onder meer geantwoord dat hij vanaf de dag dat hij in zijn hart een volger van Jezus Christus is geworden veel wonderen heeft meegemaakt, dat hij door het geloof is gered, dat hij God heeft gevonden, dat hij trots is dat hij christen is geworden en dat hij vanuit zijn hart de aandrang voelt om andere mensen te helpen.

1.4. Anders dan besloten ligt in hetgeen de rechtbank heeft overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris in het in het besluit ingelaste voornemen de hiervoor weergegeven antwoorden van de vreemdeling niet in redelijkheid heeft kunnen aanmerken als onvoldoende blijk gevend van een weloverwogen en welbewuste keuze zich te bekeren tot het christendom. Daarbij is van belang dat de vreemdeling afkomstig is uit Afghanistan, waar de bekering tot een andere dan de in dat land gangbare geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel is. De staatssecretaris voert terecht aan dat de door de vreemdeling overgelegde verklaringen van onder meer kerkelijke instanties en functionarissen aan voormelde conclusie niet afdoen. Immers, die verklaringen kunnen weliswaar dienen ter staving van de bekering, maar laten de verantwoordelijkheid van de vreemdeling onverlet om (ook) tegenover de staatssecretaris overtuigende verklaringen af te leggen over zijn bekering en het proces dat tot de bekering heeft geleid (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 5 juni 2015 in zaak nr. 201410596/1/V2 en van 6 maart 2014 in zaak nr. 201311217/1/V2).

De grief slaagt.

2. In de tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door de vreemdeling overgelegde brief van zijn behandelaar van 17 november 2013 een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is. Volgens de staatssecretaris blijkt uit die brief niet dat de vreemdeling lijdt aan een ziekte, die bij uitzetting tot een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) leidt.

2.1. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM; onder meer D. tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 2 mei 1997, nr. 30240/96; Bensaid tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 6 februari 2001, nr. 44599/98 en N. tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 27 mei 2008, nr. 26565/05; alle: www.echr.coe.int) kan uitzetting in verband met de medische toestand van een vreemdeling, onder uitzonderlijke omstandigheden leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM.

Uit die rechtspraak, waarvan het EHRM in de paragrafen 32 tot en met 41 van het arrest N. tegen het Verenigd Koninkrijk een overzicht geeft, kan worden afgeleid dat deze uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen, indien een vreemdeling lijdt aan een ernstige ziekte die een dusdanig stadium heeft bereikt, of door uitzetting direct of nagenoeg direct zal bereiken, dat hij door de uitzetting, bij gebrek aan het bestaan van medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, komt te verkeren in een onmenselijke situatie van ondraaglijk lijden, die meteen of vrijwel meteen tot de dood leidt (zie de paragrafen 42 tot en met 45 van voormeld arrest).

2.2. In het advies van het Bureau Medische Advisering van 9 april 2013 (hierna: het BMA-advies), waarbij een brief van de behandelaar van de vreemdeling van 20 november 2012 is betrokken, staat dat de vreemdeling lijdt aan een ernstige vorm van posttraumatische stressstoornis, maar dat niet is te verwachten dat de vreemdeling bij het stopzetten van de behandeling in een medische noodsituatie zal komen te verkeren. Hierbij is onder meer van belang geacht dat de vreemdeling niet opgenomen is geweest en dat er geen opname-indicatie is.

In de brief van 17 september 2013 herhaalt de behandelaar de in het BMA-advies vermelde klachten van de vreemdeling. Volgens de behandelaar is verdere uitbreiding van de behandeling noodzakelijk, is hij bevreesd voor escalatie van suïcidale ideatie en bestaat bij gedwongen terugkeer een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat de vreemdeling zelfmoord verkiest binnen 48 tot 72 uren. Daarom ontstaat volgens hem een medische noodsituatie. Ook is in de brief een overzicht van de medicatie vermeld.

2.3. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, blijkt uit de brief van 17 september 2013 niet dat de medische situatie van de vreemdeling sinds de eerdere brief van de behandelaar van 20 november 2012 en het BMA-advies is verslechterd. Weliswaar is in de brief van 17 september 2013 een - deels - andere medicatie vermeld, maar de behandelaar heeft niet gesteld dat die wijziging het gevolg is van een verslechterde medische situatie. Daarnaast zijn de relevante medische gegevens in die brief reeds betrokken bij het BMA-advies. Gelet op de inhoud van de brief en het BMA-advies, bestaat tussen het BMA en de behandelaar kennelijk verschil van inzicht over de uit die medische gegevens te trekken conclusies over de vraag of het uitblijven van behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2015 in zaak nr. 201410384/1/V1).

2.4. Reeds gelet op het vorenstaande doen zich in zoverre geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1.

2.5. De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen.

4. Reeds omdat de staatssecretaris bij het besluit van 6 juni 2013 tegen de vreemdeling een inreisverbod voor de duur van twee jaren heeft uitgevaardigd, faalt de beroepsgrond dat de staatssecretaris ten onrechte tegen hem een inreisverbod voor de duur van vijf jaren heeft uitgevaardigd.

5. De vreemdeling heeft verder aangevoerd dat de staatssecretaris niet kenbaar heeft gemaakt dat individuele omstandigheden aanleiding kunnen geven tot verkorting van de duur van het uitvaardigen van het inreisverbod. De in het voornemen opgenomen zin "Niet is gebleken van humanitaire of andere redenen om af te zien van het uitvaardigen van het inreisverbod", is in dit verband onvoldoende, aldus de vreemdeling.

5.1. In het voornemen heeft de staatssecretaris niet volstaan met voormelde zin. Hij heeft daarin de vreemdeling uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld om individuele omstandigheden in de zienswijze aan te voeren, waarvan de vreemdeling evenwel geen gebruik heeft gemaakt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2013 in zaak nr. 201209062/1/V4). De beroepsgrond faalt.

6. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden wordt niet toegekomen. Over die gronden heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin bestaat nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het besluit van 6 juni 2013 waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Die gronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 5 september 2014 in zaak nr. 13/17044;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Van Loon

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2015

284-691.